11 juni- 9 juli 1948 – De wapens zwijgen
Achtergrond

11 juni- 9 juli 1948 – De wapens zwijgen

Het eerste staakt-het-vuren van 1948 wordt een race tegen de klok voor Israël: hoeveel nieuwe soldaten kunnen getraind worden in een maand, hoeveel wapens aangeschaft? Maar een affaire voor de kust van Tel Aviv betekent bijna het einde van de jonge Joodse staat.

Bart Schut 05 mei 2024, 10:00
11 juni- 9 juli 1948 – De wapens zwijgen
De moechtar (dorpshoofd) van het dorpje Ikrit aan de Libanese grens, 25 kilometer ten noordoosten van Akko, nodigt Israëlische soldaten uit voor een lunch in zijn huis tijdens de wapenstilstand van juni 1948. Foto: National Photo Collection of Israel

Aan het begin van de wapenstilstand, schrijft historicus Benny Morris in zijn magistrale 1948, voorspelde een hoge Britse officier in Haifa dat de komende vier weken “zeker door de Joden gebruikt zullen worden om hun leger verder te trainen en te reorganiseren, terwijl de Arabieren die tijd zullen verspillen met het twisten over de toekomstige verdeling van hun oorlogsbuit.” Zeg wat je wilt over de Britten in het gebied, deze officier kent de volken door en door, leert ons zijn voorspelling. 

De Joden zijn tandenknarsend akkoord gegaan met het door de Zweedse diplomaat graaf Folke Bernadotte ontworpen staakt-het-vuren. Op het oog zijn de voorwaarden niet in hun voordeel: het hele oorlogsgebied wordt getroffen door een embargo, terwijl Israël zit te springen om wapens en munitie. Niet minder belangrijk: er mogen geen mannen van militaire leeftijd het land in gedurende de vier weken na 11 juni. Toch stemt de Israëlische regering in met Bernadottes voorstel: de IDF is moegestreden en hard aan rust toe. Bovendien zit er een enorme weeffout in de voorwaarden van de wapenstilstand: er zijn praktisch geen maatregelen genomen om het wapenembargo af te dwingen of immigratie tegen te houden. 

Waarom de Arabieren akkoord gaan? Dat verschilt per land. Wat koning Abdullah van Jordanië betreft is de oorlog klaar, hij heeft zijn doelen behaald: de verovering van Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. Die brandende behoefte de Joden de zee in te drijven heeft hij nooit gehad. Het Iraakse contingent zou na een maand van aaneengeregen nederlagen het liefst naar huis gaan. Voor de Syriërs geldt eigenlijk hetzelfde en de Libanezen zijn al eerder de facto uit de oorlog gestapt. 

Vakantie

Blijven alleen de Egyptenaren over. Voor koning Faroek en zijn generaals is een staakt-het-vuren riskant, want zij hebben een maand lang hun bevolking voorgelogen over het verloop van de strijd. In de straten van Caïro en Alexandrië geloven de bewoners dat het leger met één voet in Tel Aviv staat na een reeks overwinningen. De werkelijkheid is dat het Egyptische leger naar een adempauze snakt, maar hoe zal de man in de straat reageren op een – als je de propaganda gelooft – overbodige wapenstilstand met de Joden? Toch hebben de generaals geen keuze: om een nieuw offensief tegen Tel Aviv te beginnen zijn rust, herbewapening en versterkingen nodig. 

De Egyptenaren zien de wapenstilstand als een vakantie: er wordt geluierd, gelachen en op verlof gegaan

En dat is precies wat niet gebeurt. De Egyptische soldaten en officieren zien de wapenstilstand meer als een verdiende vakantie dan als een kans hun vastgelopen offensief nieuw leven in te blazen. Er wordt geluierd, gelachen, gezongen en op verlof gegaan. Wel laat de arrogante legerleiding in Caïro aan graaf Bernadotte weten dat van een verlenging van het staakt-het-vuren, laat staan van bredere vredesbesprekingen, geen sprake kan zijn. De Egyptische zelfoverschatting lijkt geen grenzen te kennen. Aan de andere kant hebben de generaals en hun regering geen keuze, in de wetenschap dat zij hun doodvonnis zouden tekenen als zij tot serieuze onderhandelingen zouden overgaan. In sommige opzichten is er in 75 jaar weinig veranderd in het Midden-Oosten.

Toch versterken de Arabische legers hun mankracht. De Iraki’s vergroten hun leger dat Joods Galilea bedreigt tot tienduizend man. Ook de Syriërs en Egyptenaren rekruteren, maar opvallend genoeg de Jordaniërs niet. In totaal groeien de buitenlands-Arabische strijdkrachten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied van 32 naar 45 duizend man. Indrukwekkend? Niet wanneer wordt bedacht dat in dezelfde periode de IDF zijn troepenmacht bijna verdubbelt naar zo’n 65 duizend. Bovendien worden deze frisse troepen goed getraind en gereorganiseerd, iets wat de Arabieren keer op keer nalaten. 

Dollars

Nog belangrijker zijn de wapens die Israël binnenkomen. Eerder in het jaar is Golda Meïr met 50 miljoen keiharde Amerikaanse dollars teruggekomen na een uiterst succesvolle fondsenwervingscampagne in de Verenigde Staten. Joodse agenten kopen in Europa al het wapentuig dat zij maar in handen kunnen krijgen, vooral in Tsjechoslowakije en Frankrijk. Daaronder zijn 25 duizend geweren met 50 miljoen kogels, maar ook zwaar materieel als kanonnen, pantserwagens en vliegtuigen, die zorgvuldig uit elkaar worden gehaald, in transportvliegtuigen naar Israël worden gevlogen om daar boutje voor moertje weer gemonteerd te worden. Na vier weken heeft de IDF een luchtmacht, een batterij tanks en genoeg wapens en munitie om elke nieuwe soldaat goed te voorzien.

Desondanks blijven er problemen voor de Israëli’s. Het grootste is en blijft de bevoorrading van het vooral symbolisch belangrijke (West-)Jeruzalem. Op 14 juni schrijft de Amerikaans-Joodse journalist I.F. Stone in de Palestine Post: “Ik keerde terug naar het nog slapende Tel Aviv om 4 uur ’s ochtends, nadat ik naar Jeruzalem was gereisd over de ‘Burma Road’. Ik was de eerste correspondent die Jeruzalem bereikte sinds het staakt-het–vuren, en de eerste die de retourreis maakte over de nieuwe snelweg, een wonder van innovatieve bouwtechniek.” Het door de IDF-genietroepen aangelegde pad een ‘snelweg’ noemen, kan als een voorbeeld van journalistieke overdrijving beschouwd worden, maar gezien de kop van het artikel naast het zijne – ‘Konvooien komen aan’  – mag je concluderen dat de Birmaweg de ergste nood van de bevolking van Jeruzalem wegneemt. 

Zo maken beide zijden zich op voor de volgende ronde, die op 9 juli aan het einde van de wapenstilstand zal beginnen. Of eigenlijk op 8 juli, want de Egyptenaren gaan een dag eerder in de aanval in de – futiele – hoop de Israëli’s te verrassen. Twee dagen eerder hebben de Arabische staten in Caïro besloten de wapenstilstand niet te verlengen. Unaniem, op de stem van Jordanië na: “Ik was een minderheid van één,” zal de Jordaanse afgezant verklaren. Op vrijdag 9 juli 1948 gaat het grote offensief daadwerkelijk van start. Maar het zijn geen Arabische soldaten die het uitvoeren. Overal aan het front, van de Golan tot de Negev zijn het de troepen van de IDF die in de aanval gaan: wat de ‘Tien dagen’ genoemd zal worden, zijn begonnen.

––––––––––––––––––––––––––

Een Joodse broedertwist

De brandende Altalena voor de kust bij Tel Aviv. Foto: Hans Pinn

Een van de schepen met wapens die Israël tijdens het staakt-het-vuren bereikt, is niet door de Israëlische regering gecharterd, maar door de radicale Irgoen van Menachem Begin. Die is niet bereid alle rekruten, wapens en munitie aan boord – zo’n 900 man, vijfduizend geweren, vijf miljoen patronen, machinegeweren en lichte pantserwagens  – zonder slag of stoot af te staan aan de IDF, waartoe zijn militieleden inmiddels formeel behoren. Op 20 juni bereikt het schip, de Altalena, de Israëlische kust net ten noorden van Netanya. De volgende dag stelt op initiatief van David Ben-Goerion de IDF-leiding een ultimatum op aan Begin, die zelf aan boord van het schip is. Alle wapens dienen onmiddellijk aan de IDF overgedragen te worden.

Als de Irgoen weigert, komt het op het strand tot vuurgevechten: twee IDF-soldaten en zes Irgoenstrijders worden gedood. Begin beveelt de Altalena naar Tel Aviv te varen, waar de Irgoen meer strijders op de been kan brengen. Ben-Goerion geeft het bevel het schip te bombarderen, maar de piloten weigeren – zij zijn niet naar Israël gekomen om Joden te doden. Als de Altalena voor de kust van Tel Aviv aan de grond loopt, sturen beide partijen hun troepen erop af. 

De piloten weigeren, zij zijn niet naar Israël gekomen om mede-Joden te doden

Een burgeroorlog binnen de onafhankelijkheidsoorlog dreigt. Zo’n broedertwist kan het einde van Israël betekenen, beseft vooral Menachem Begin. Als een IDF-artilleriegranaat de Altalena raakt, vliegt het met wapens en munitie volgepakte schip in brand. Begin zelf is een van de laatsten die overboord stapt.

Dan doet de leider van de extremistische Irgoen iets opvallends. Via een clandestiene radio roept Begin zijn volgers op de wapens neer te leggen. Hij beveelt hen naar Jeruzalem te gaan om daar tegen de Arabieren te strijden in plaats van deel te nemen aan een Joodse broedertwist. Aan zijn oproep wordt gehoor gegeven en zo wordt op het nippertje een burgeroorlog voorkomen. In totaal komen zestien Irgoenstrijders en drie IDF-soldaten bij de vijandelijkheden om het leven, maar de eenheid van de jonge Joodse staat is gered.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *