29 mei-11 juni 1948 – Israël overleeft
Achtergrond

29 mei-11 juni 1948 – Israël overleeft

De laatste dagen van mei en de eerste van juni 1948 zijn de donkerste voor de kersverse Joodse staat, die van twee kanten onder de voet gelopen dreigt te worden. Maar moed en vindingrijkheid houden Israël op de been.

Bart Schut 03 mei 2024, 10:00
29 mei-11 juni 1948 – Israël overleeft
Israëlische soldaten in de Jisraëlvallei, mei 1948. Foto: Zoltan Kluger/GPO

‘Nooit eerder in de geschiedenis van menselijke conflicten hebben zovelen zoveel te danken gehad aan zo weinigen.’ De befaamde woorden die Winston Churchill sprak over de piloten van de RAF na de Battle of Britain kunnen een-op-een geprojecteerd worden op de vliegers van de embryonale Israëlische luchtmacht. Vanaf 29 mei speelt een handjevol Israëlische piloten een cruciale rol bij het tegenhouden van een Egyptisch offensief dat Risjon Letsion, de zuidelijke voorstad van Tel Aviv, tot op slechts dertig kilometer is genaderd. 

Tel Aviv is in 1948 met zijn kwart miljoen inwoners verreweg de grootste Joodse stad in Israël en misschien wel de modernste stad in het Midden-Oosten. Vriend en vijand zijn het erover eens: de val van de stad die – meer nog dan Jeruzalem – het hart van het zionisme vormt, zal het einde betekenen van Israël. De Egyptenaren hebben tot die dag allesbehalve een gemakkelijke opmars gehad. Wat werd voorgespiegeld als een ‘parade’ onder de strijdkreet ‘Tel Aviv binnen twee weken’, is gestuit op fel verzet van kleine kibboetsen onderweg, met Yad Mordechai als bekendste voorbeeld. Zware verliezen en tanend moreel zijn het gevolg. 

Toch begint de Egyptische colonne van zo’n vijfduizend soldaten, ondersteund door tanks, pantserwagens en artillerie, op 28 mei aan een nieuwe opmars naar het noorden. Als de voorhoede  Asjdod – Isdoed in het Arabisch – passeert, liggen er nauwelijks nog bevolkingscentra tussen de Egyptenaren en de zuidelijke uitlopers van Tel Aviv. Het merendeel van de Israëlische troepen vecht ten westen van Jeruzalem tegen de Jordaniërs om een reddingslijn naar de hongerende Heilige Stad te bewerkstelligen. Zijn de Egyptenaren nog tegen te houden? De Joodse bevolking houdt haar adem in, in afwachting van de definitieve aanval op Tel Aviv.

Ratjetoe

Dan, kort voor het ondergaan van de zon op 29 mei, verschijnen vanuit het noorden vier stipjes in de lucht boven de Egyptische colonne. Het is de gehele slagkracht van de nieuwe Israëlische luchtmacht: vier in allerijl in elkaar gezette Avia S-199s, ironisch genoeg een Tsjechische variant van het standaard jachtvliegtuig van de nazi-Luftwaffe, de Messerschmidt Bf109. De uitrusting van de piloten is een ratjetoe van opgekochte overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog, sommige piloten van het 101-squadron moeten de hakenkruizen van hun overalls afscheuren voor zij het luchtruim kiezen. De vier piloten die dag zijn de Amerikaans-Hongaars-Joodse vrijwilliger Lou Lenart die als ervaren oorlogsvlieger het bevel voert, ex-RAF-piloot Modi Alon, Eddie Cohen en Ezer Weizman.

Die eerste aanval vanuit de lucht is militair gezien geen succes, twee van de vier toestellen gaan verloren. Maar het psychologische effect op de Egyptische soldaten op de grond is verwoestend. De Israëli’s hebben een luchtmacht! Weizman, in een later leven president van de Joodse staat, zegt later: “Ik had een diep gevoel dat wij een grootse missie vlogen.” Dat blijkt uit de reacties van de Egyptenaren, die over hun radio’s klagen over zware luchtaanvallen en melden dat hun colonne uiteengeslagen is. Het op zich ineffectieve bombardement is vooral een sterk staaltje Israëlische blufpoker. De enige vier jachtvliegtuigen zijn ingezet, twee zijn verloren gegaan en de overige zes moeten nog gemonteerd worden. De Israëli’s hebben in de lucht voorlopig bijna niets over.

Het psychologische effect op de Egyptenaren is verwoestend

Ook de infanterie bluft. Een eenheid van zo’n duizend man trekt om Asjdod heen en valt de Egyptische overmacht in de flank aan. Net als in de lucht is er tactisch geen sprake van een overwinning, de Israëlische soldaten worden teruggeworpen. Maar ook deze aanval nekt het moreel van de Egyptenaren. De angst omsingeld te worden leidt tot een verlammende paniek. De Israëlische pers doet er een schepje bovenop en overdrijft het effect van de aanval, wat door de internationale pers wordt overgenomen en door de generaals in Caïro geloofd. De colonne weigert verder op te rukken naar het noorden, naar Tel Aviv, en graaft zich in. De stad is gered. 

Wapenstilstand

Het Egyptische leger beperkt zich de komende weken en maanden tot instandhouding van de status quo: het vormt een linie van Asjdod in het westen tot Hebron in het oosten. In de eerste week van juni wordt daar nog hard gevochten, maar de zware verliezen die de Egyptenaren lijden bij hun aanvallen op de kibboetsen Negba en Nitzanim nemen hun laatste restje aanvalslust weg. Alleen ten zuiden van de gestabiliseerde frontlijn bevindt zich een Joodse enclave, waar de Israëlische Negev-brigade in verschillende kibboetsen is afgesloten van de rest van het gebied dat in Israëlische handen is. 

In het noorden hebben de Israëli’s nauwelijks iets te duchten van de Iraakse invasiemacht, ondanks het feit dat deze met 18 duizend man de grootste is. Al in de eerste week na de onafhankelijkheid hebben de Iraki’s hun ambitie opgegeven Galilea te veroveren. Integendeel, de Iraakse eenheden graven zich in op de Westelijke Jordaanoever en de Israëlische Golani-brigade slaagt er zelfs in een aantal Arabische dorpen ten zuiden van de Jisraëlvallei in te nemen. Ook de Syriërs en Libanezen blijken weinig effectief op het slagveld. Zodra de Joodse troepen van zich af bijten, lopen hun spaarzame offensieven spaak. Zo slaagt de IDF erin ondanks de invasie van numeriek superieure legers al in mei en juni 1948 het Israëlische territorium uit te breiden.

Op 10 juni rollen de eerste vrachtwagens over de Burma Road

Aan het diplomatieke front werken de Verenigde Naties al sinds de onafhankelijkheidsverklaring aan een wapenstilstand. Daarbij worden zij gehinderd door de Britse afgezant, Alexander Cadogan, die zo anti-Joods is dat hij weigert de naam Israël te gebruiken. Toch gaat op 20 mei de Zweedse bemiddelaar graaf Folke Bernadotte aan de slag om een staakt-het-vuren tot stand te brengen. De strijdende partijen hebben daar best oren naar, moegestreden als zij zijn na de intensieve eerste weken van de onafhankelijkheid. Zij proberen een zo gunstig mogelijke uitgangspositie te krijgen op de dag dat de wapenstilstand in moet gaan: 11 juni. 

Jeruzalem

Voor de Joden betekent dit vooral dat voor die dag een aanvoerroute naar de belegerde hoofdstad Jeruzalem moet worden gevonden. Dat is niet gemakkelijk: het Jordaanse legioen beheerst een flink deel van de weg tussen het politiefort van Latrun, waar de onervaren Israëlische troepen zware verliezen hebben geleden, en Bab el-Wad (Shaär Hagai in het Hebreeuws) – de ‘poort van de vallei’ die toegang biedt tot West-Jeruzalem. De Israëli’s concentreren hun middelen voornamelijk in deze regio, zeker wanneer duidelijk wordt dat het Egyptische offensief tegen Tel Aviv is vastgelopen. 

Na de kostbare nederlaag die de Joodse soldaten van de Zevende Brigade bij het politiefort van Latrun leden op 25 mei, probeert de IDF nog tweemaal de Jordaniërs te verdrijven en zo de weg naar Jeruzalem in handen te krijgen. Maar beide pogingen, op 30-31 mei en 8-9 juni, falen. De conclusie is duidelijk: de Jordaanse legionairs zijn geen Iraki’s of Syriërs, zelfs geen Egyptenaren. Het door de Britten georganiseerde en getrainde Legioen is meer dan opgewassen tegen de nog groene Israëlische soldaten. De waarheid is dat zeker de derde aanval op Latrun overbodig is. De Israëli’s hebben als die wordt ingezet al een andere manier gevonden om Jeruzalem te bevoorraden. 

Jaarlijks wordt op Jom Hazikaron dit monument aan de Burma Road versierd met Israëlische vlaggen. Foto: Rafael Ben Ari/Dreamstime

Op 28 mei nemen de Israëli’s twee verlaten Arabische dorpjes in, Beit Jiz en Beit Susin, waarmee zij een onafgebroken landcorridor in handen hebben ten zuiden van de weg naar Jeruzalem. Een dag later ontmoeten twee Israëlische jeeps elkaar in die corridor – een komt vanuit het westen en de andere vanuit het oosten, uit Jeruzalem. Maar jeeps zijn geen vrachtwagens en een veredeld geitenpaadje is nog geen weg waarover de honderdduizend hongerende Joden in de beoogde Israëlische hoofdstad bevoorraad kunnen worden. Tijd voor de soort vindingrijkheid waar de Joodse staat internationaal zo beroemd door is geworden. 

Misrekening

De eerste konvooien met vooral wapens en munitie worden inderdaad met jeeps en zelfs door lopers met rugzakken over het pad naar Jeruzalem gebracht. Maar op 5 juni beginnen ingenieurs van de IDF-genie met het begaanbaar maken van het pad voor de zware vrachtwagens die de noodzakelijke levensmiddelen de stad in moeten brengen. Net voorbij de horizon horen de Jordaanse legionairs het werk, maar zij kunnen niet geloven dat de Israëli’s een heuse weg door deze wildernis aanleggen. Af en toe vuren de Jordaniërs een granaat af op de plek waar de Israëli’s bezig zouden moeten zijn, maar zonder veel overtuiging. 

De grote winnaar lijkt vooralsnog koning Abdullah van Jordanië

Het blijkt een enorme misrekening. Op 10 juni rollen de eerste vrachtwagens met essentiële goederen voor de bevolking van Jeruzalem over de weg die de Burma Road wordt gedoopt. Die naam komt van een vergelijkbaar – zij het meer dan 1100 kilometer langer – project van de geallieerden in Zuidoost-Azië in de Tweede Wereldoorlog. Onbekender is een misschien wel net zo belangrijk staaltje technische vindingrijkheid. Tegelijkertijd met de weg leggen de IDF-ingenieurs een pijpleiding aan van Naän naar Bab el-Wad, die Jeruzalem van water voorziet. De Jordaniërs hadden de oorspronkelijke watertoevoer naar de stad bij Latrun afgesloten.
Op 11 juni kopt de Palestine Post: ‘Vandaag staakt-het-vuren’. De door Folke Bernadotte overeengekomen wapenstilstand moet 28 dagen duren, tot 8 juli. In die periode zwijgen de wapens en worden alle strijdende partijen getroffen door een wapenembargo. Ook mag Israël geen immigratie toestaan van mannen van militaire leeftijd. Geen van de moegestreden partijen is echt ontevreden over het verloop van de strijd in de vier weken sinds de invasie. 

Aanzien

De grote winnaar lijkt vooralsnog koning Abdullah van Jordanië: hij heeft de door Arabieren bevolkte gebieden in Judea en Samaria grotendeels in handen en zijn belangrijkste prijs behaald: de oude stad van Jeruzalem. Voor Abdullah is het van groot belang dat zijn armoedige koninkrijkje nieuwe bezittingen heeft ten westen van de Jordaan. Dat het VN-plan voorziet in een Palestijnse staat in het door zijn Legioen veroverde gebied, lijkt de wereld nu al vergeten. Het bezit van het ook in de islam belangrijke Jeruzalem geeft de kleine koning het aanzien waarnaar hij streeft sinds zijn vader de heilige steden Mekka en Medina aan de Saoedi’s verloor. Anders dan de Egyptenaren en vooral de Syriërs en Iraki’s lijkt Abdullah geen enkele behoefte te hebben de Joden de zee in te drijven. 

En de Israëli’s? Ook zij kunnen niet ontevreden zijn op 11 juni. Ze hebben de invasielegers van vijf Arabische landen tot stand gebracht en zijn er voorlopig in geslaagd een reddingslijn naar Jeruzalem aan te leggen. De belangrijkste vraag is nu: wat gaan de strijdende partijen doen met de 28 dagen rust die voor hen ligt? Voor Ben-Goerion en zijn jonge Joodse staat is één ding duidelijk. Dit was pas de eerste ronde. Nu is het tijd er alles aan te doen dat de IDF de middelen en de mankracht heeft om na 8 juli niet alleen de Arabieren tegen te houden, maar om hen uit het voormalige mandaatgebied Palestina te verdrijven. Israël heeft verdedigbare grenzen nodig. Dat betekent: meer territorium. En er is slechts één manier dat te verkrijgen. Met wapens, wapens en nog meer wapens.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *