Hoe Joods kan een film zijn? En is dat gehalte groot genoeg om een artikel in het NIW te rechtvaardigen? Moet het onderwerp specifiek Joods zijn? De makers of de hoofdrolspelers? Bij Marty Supreme van regisseur Josh Safdie hoeft die vraag niet gesteld te worden. Alles aan het spektakel dat deze week in première ging, is Joods: van de scenarioschrijvers tot de producenten en van de componist tot vrijwel de gehele cast.
Het verhaal is gebaseerd op het leven van de New Yorkse tafeltennisser en scharrelaar Marty Reisman, die vanaf begin jaren vijftig op flamboyante wijze de Amerikaanse pingpongwereld domineerde. Zonder dat hij daarmee in zijn levensonderhoud kon voorzien, vandaar dat schnabbelwerk dat grensde aan fraude, verduistering en soms regelrechte diefstal. Zoals Reisman zelf in zijn autobiografie zou schrijven, kon een tafeltennisser alleen overleven door een gokker en een smokkelaar te zijn.
Dat alles is Marty Mauser, de hoofdpersoon in Marty Supreme zeker. En meer: hij fantaseert er lustig op los, breekt elke ethische en juridische norm die hij tegenkomt en werkt zichzelf steeds dieper het morele moeras in. Het is de rol van zijn leven voor de Frans-Amerikaans-Joodse acteur Timothée Chalamet. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik nooit een fan was van Chalamets werk, maar met zijn rol als Bob Dylan in A complete unknown heb ik mijn mening moeten herzien.
Een jonge Marlon Brando
In Marty Supreme geeft Chalamet een master-class over de meest uiteenlopende emoties: zelfverzekerdheid, egoïsme, morele ambiguïteit, wanhoop en uiteindelijk verlossing. De acteur speelt met de intensiteit van een jonge Al Pacino in Dog day afternoon, Dustin Hoffman in Midnight cowboy of zelfs Marlon Brando in zijn beginjaren. Daarbij wordt hij geholpen door de cameravoering van de in Teheran geboren Darius Khondji, die je als kijker op de huid van de acteurs zet en geen adempauze geeft, terwijl je meegesleept wordt in de chaos van Marty Mausers instortende kaartenhuis.
Chalamet speelt met de intensiteit van een jonge Al Pacino
In dat opzicht doet Marty Supreme sterk denken aan Uncut gems, de film over een vergelijkbaar, zij het verzonnen personage — gespeeld door Adam Sandler — die zijn eigen grootste vijand is. Die vergelijking komt niet uit de lucht vallen, Uncut gems werd geregisseerd door de Joodse broers Benny en Josh Safdie. Marty Supreme is een soloproject van Josh, de oudere van de twee broers, samen met zijn vaste schrijfpartner en producent Ronald Bronstein.
Rebels
Safdie spot met de wetten van de filmkunst, want wat is Marty Supreme? Een komedie? Een drama, een sportbiografie, een thriller? Het is een combinatie van dat alles, die opvallend genoeg werkt in al die vormen. Dat rebelse blijkt ook uit de soundtrack, want welke filmmaker durft in een verhaal dat zich afspeelt in de jaren vijftig muziek te stoppen van Britse jarentachtigbands als New Order en Tears For Fears?
Daarbij komen de indrukwekkende, grotendeels Joodse bijrollen: een verrassend goede Gwyneth Paltrow als belegen filmster, een alleen aan haar stem te herkennen Fran ‘The Nanny’ Dresher, cultregisseur Abel Ferrara als oude Joodse gangster, Kevin O’Leary die u misschien kent als Mister Wonderful uit het realityprogramma Shark tank, en vooral de fantastische Odessa A’Zion, die Marty naar de kroon steekt als bedriegster.
Al met al maakt het van Marty Supreme de grote favoriet voor de Oscars. Al was het maar door de waargebeurde, ontroerende Auschwitz-anekdote vroeg in het tweeënhalf uur durende spektakel. Alleen een ‘gebrek aan diversiteit’ — lees: te veel Joden — kan nog voorkomen dat het überpolitiek correcte Hollywood Safdie en Chalamet de prijzen toekent die zij zo overduidelijk verdienen.