Neem nu een abonnement

Lees elke week het opinietijdschrift en cultureel magazine ineen, voor iedereen met interesse in de Joodse wereld. Abonneer je nu »

Lees nu online
De bevrijding van de hel
Achtergrond

De bevrijding van de hel

Deze week 78 jaar geleden werd het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau bevrijd door het Rode Leger. Op allerlei plaatsen in het land wordt bij die bevrijding stilgestaan. Hoe kwam die tot stand? De feiten en getuigenissen.

Bart Schut 04 mei 2023, 11:00
De bevrijding van de hel

De ter dood veroordeelde kwam om acht uur ’s ochtends aan in Auschwitz. Hij vroeg, kreeg en dronk een kop koffie. Andere gevangenen hadden een galg met valluik voor hem gebouwd, net buiten het bureau van de Gestapo en het crematorium van het kamp. Stipt om tien uur werd hij van zijn cel in ‘de bunker’ in gevangenisblok nr. 11, beter bekend als het ‘Doodsblok’, naar de galg geleid. Met zijn handen op de rug gebonden moest de ter dood veroordeelde af en toe geholpen worden, maar verder was hij kalm. Een openbare aanklager las het doodvonnis voor en de beul, met een zwarte kap over zijn hoofd, legde de strop om de nek van de gevangene. Met een hoofdbeweging zorgde deze er zelf voor dat de strop goed zat.

Om acht minuten over tien trok de beul de kruk weg waarop de gevangene stond, zodat deze viel tegen het valluik dat zich onder hem opende. Om 10.21 uur constateerde de aanwezige arts dat de gevangene dood was. Het was 16 april 1947 en dit was de laatste executie in het kamp. De laatste en waarschijnlijk de enige rechtvaardige. De geëxecuteerde man was Rudolf Höss, Obersturmbannführer van de SS en jarenlang commandant van vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Rudolf Höss en zijn beul

Neurenberg
Met de executie van Höss (niet te verwarren met zijn bijna-naamgenoot Rudolf Hess, de plaatsvervanger van Hitler) werd de zwartste bladzijde in de geschiedenis afgesloten. Naar schatting 1,1 miljoen mensen werden in Auschwitz vermoord, het overgrote merendeel van hen in de periode dat Höss commandant was, van mei 1940 tot november 1943, en tijdens de ‘Operatie Höss’ in 1944. Onder hen waren bijna een miljoen Joden; de overige slachtoffers waren Sinti en Roma, niet-Joodse Polen en krijgsgevangenen uit het Rode Leger.

Höss had na de oorlog een jaar lang onder de schuilnaam ‘Franz Lang’ in Sleeswijk-Holstein geleefd, waar hij als tuinman werkte. Maar de Duits-Joodse vluchteling Hanns Alexander maakte jacht op hem met een groep Britse soldaten, velen van Joodse afkomst. Deze superspeurders naar oorlogsmisdaden vonden Höss en zijn familie in het dropje Gottrupel aan de Deense grens. De SS’er ontkende zijn identiteit, maar zijn naam aan de binnenkant van zijn trouwring verraadde hem. Höss probeerde een cyanidecapsule door te bijten om zelfmoord te plegen, maar de soldaten stortten zich op hem en begonnen op hem in te slaan. Alexander kwam tussenbeide en redde zo Höss’ leven. Tijdelijk.

Nadat de commandant had getuigd voor het oorlogsmisdadentribunaal in Neurenberg, werd hij uitgeleverd aan Polen. Daar begon zijn proces op 11 maart 1947. Höss toonde een zekere mate van berouw, maar bleef volhouden dat hij slechts bevelen van hogerhand had uitgevoerd. Een krankzinnig verweer, want zelfs als dat als legitiem beschouwd zou zijn en Höss daardoor niet verantwoordelijk geacht zou worden voor de honderdduizenden die onder zijn toezicht waren vermoord, dan nog waren er talloze voorbeelden van zijn persoonlijke wreedheid. Zoals de 145 gevangenen die hij in Sachsenhausen zo lang bij 26 graden onder nul buiten had laten staan tot zij doodgevroren waren. Of de tien willekeurig gekozen gevangen die hij had laten verhongeren nadat een ander Auschwitz was ontvlucht, een strafproces dat hij verschillende malen herhaalde. Of de cellen die hij in Blok 11 liet bouwen waarin een gevangene alleen kon staan. In een van die cellen strafte hij zijn minnares, de gevangene Eleonora Hodys, omdat zij het had gewaagd zwanger van hem te worden.

Zijn naam aan de binnenkant van zijn trouwring verraadde Höss

Bewijs
Höss was persoonlijk verantwoordelijk voor de naar hem genoemde operatie waarbij in mei 1944 430 duizend Hongaarse Joden naar Auschwitz werden gedeporteerd en vermoord. Toen hij eind 1944 commandant werd van concentratiekamp Ravensbrück liet hij daar tweeduizend vrouwelijke gevangenen vermoorden. Bovendien was Höss medeverantwoordelijk voor de experimenten met Zyklon-B, het gas dat de nazi’s zouden gebruiken als belangrijkste middel voor hun Endlösung van ‘het Joodse vraagstuk’.

In november 1944 gaf SS-Reichsführer Heinrich Himmler opdracht de massamoorden met gas te staken en de gaskamers, crematoria en al het schriftelijke bewijs in Auschwitz te vernietigen. Het Duitse oostfront was ingestort en het Sovjetleger rukte snel op naar het westen. Himmler wilde alle bewijzen van de genocide op het Joodse volk laten verdwijnen. Dat betekende ook de moord op de leden van het Sonderkommando, de gevangenen die de lichamen van vermoorde Joden uit de gaskamer ruimden. De SS kon het zich niet veroorloven levende getuigen in het kamp achter te laten. Al in oktober waren leden van het Sonderkommando in opstand gekomen en hadden drie SS’ers gedood. Twee derde van de ongeveer zeshonderd leden kwamen om tijdens de opstand. Bijna alle anderen werden later vermoord.

In januari 1945 begon het Rode Leger zijn Vistula-Oder-offensief en op de achttiende van die maand verdreven de Sovjets de Duitsers uit Krakau, zo’n vijftig kilometer oostelijk van Auschwitz. Himmler wachtte de bevrijding niet af en gaf op 15 januari opdracht het kamp te evacueren. Met ‘het kamp werden er eigenlijk drie bedoeld: Auschwitz I, het oorspronkelijke concentratiekamp en administratief centrum, Auschwitz II-Birkenau, het reusachtige vernietigingskamp, en Auschwitz III-Monowitz, waar dwangarbeid werd verricht voor IG Farben en tal van andere Duitse bedrijven. Ook waren er 28 satellietkampen waar onder dwang allerlei werkzaamheden werden verricht, zoals mijn-, bos- en landbouw.

Overlevenden worden ondersteund op hun weg naar de vrijheid uit Auschwitz
Credit: Olga Vsevoldovna Ignatovitsj

Achterblijvers
Zo’n zestigduizend gevangenen werden op 17 januari door de SS gedwongen de kampen te verlaten voor een tocht te voet naar het westen. Ten minste zevenduizend anderen werden in Auschwitz achtergelaten omdat zij te ziek waren, zich hadden verscholen of simpelweg waren vergeten. De meerderheid van de tienduizenden gevangenen op weg naar het 55 kilometer noordwestelijk gelegen Gliwice waren Joden. Onderweg voegden zich gevangenen uit andere kampen bij hen. De omstandigheden waren onbeschrijfelijk, niet voor niets wordt de tocht de ‘dodenmars’ genoemd. Ondervoeding, ziekte, en temperaturen tot 20 graden onder nul eisten hun tol. De stoet werd gevolgd door SS-doodseskaders, die achterblijvers of vluchters doodschoten. 15 duizend gevangenen, een op elke vier, overleefden de tocht niet.

Voor de zeven- tot negenduizend achtergebleven gevangenen brak een tijd aan die aan het vagevuur doet denken. De meeste SS-bewakers waren op 21 januari gevlucht, maar niemand wist of het veilig was het kamp te verlaten. Bovendien waren de meeste achterblijvers te ziek en ondervoed om serieus over een vertrek na te denken. Degenen die nog kracht hadden, braken in bij de gebouwen van de bewakers, op zoek naar voedsel. De min of meer gezonden verzorgden zo goed en kwaad als dat ging de zieken. Gevangenen die dat konden, liepen van vernietigingskamp Birkenau naar Auschwitz I, waar het ziekenhuis was. De Nederlands-Joodse arts Eddy de Wind, die daar werkte, beschreef in zijn boek Eindstation Auschwitz hoe hij in gesprek raakte met een overlevende van het Sonderkommando, die hem vertelde hoe de gaskamers en crematoria werkten. Zijn beschrijving gaat door merg en been.

“Ik herinner me, hoe op een dag 250 Pools-Joodse kinderen vergast zouden worden. Toen ze uitgekleed waren, stelden ze zich uit zichzelf op in een lange rij en onder het zingen van Sjema Jisraëel gingen ze in volmaakte discipline de gaskamers binnen. De SS-man keek op zijn horloge, vijf minuten moesten de luiken gesloten blijven. Dan drukte hij op een knop en aan weerszijden van de gaskamer werd – elektrisch – een luik geopend. Als het gas voldoende was weggetocht ging het Sonderkommando de gaskamers binnen.” De getuigenissen van de weinige overlevenden van het Sonderkommando zouden na de oorlog cruciaal zijn voor de berechting van de schuldigen en bij het in leven houden van de waarheid die Himmler zo wanhopig wilde uitwissen.

Eindstation van 1 miljoen Joden

Rode Leger
Op 27 januari liepen de eerste Sovjetsoldaten door de beruchte poort van Auschwitz I, versierd met de meest cynische woorden uit de geschiedenis: ‘Arbeit macht frei’. Het is zeker nu van belang niet te spreken van ‘Russische soldaten’, zoals lang de gewoonte was. In 1945 bestond weliswaar de meerderheid van het Rode Leger uit etnische Russen, maar die bevolkingsgroep was sowieso verreweg de grootste in de Sovjet-Unie. Bovendien waren de westelijke Sovjetrepublieken – Oekraïne, de Baltische staten en Wit-Rusland – lang bezet geweest door de Duitsers, waardoor er daar minder soldaten opgeroepen konden worden voor het Rode Leger.

Collaboratie met de nazi’s bestond onder alle bevolkingsgroepen in de Sovjet-Unie, waarbij het logisch is dat meer vrijwilligers uit bezette gebieden met de Duitsers meevochten dan uit de verder oostelijk gelegen Sovjetrepublieken. Oekraïners en Balten dienden in vrijwilligerseenheden binnen de SS, maar tegelijkertijd vormden de Duitsers een Russisch vrijwilligersleger. De 120 tot 130 duizend leden van het ‘Russische bevrijdingsleger’ werden gerekruteerd onder krijgsgevangenen en geleid door de etnisch-Russische generaal Andrej Vlasov. Naar schatting een kwart van het Duitse Zesde Leger dat bij Stalingrad ingesloten en vernietigd werd, bestond uit ‘Hiwi’s’: hilfswillige krijgsgevangenen uit het Rode Leger met alle mogelijke Sovjetnationaliteiten. Of deze echt allemaal zo vrijwillig de nazi’s hielpen, mag betwijfeld worden. Het alternatief was maar al te vaak ziekte, hongersnood of executie.

‘Ik herinner hun gezichten, vooral hun ogen die hun lot verraadden’

Geen benul
De 322e infanteriedivisie van het Sovjetleger was de eenheid die Auschwitz bevrijdde. Deze divisie was etnisch gemengd. De erenaam luidde weliswaar ‘Zjitomir’, naar de stad in Oekraïne, maar dat had niets te maken met de a!omst van de soldaten. De eerste soldaten die het kamp bereikten, maakten deel uit van het 1085e regiment. Deze eenheid van zo’n duizend man stak op de ochtend van 27 januari de Sola over, de rivier die net ten oosten van het kamp loopt. Daarbij werd stevig gevochten tegen Duitse achterblijvers; in totaal verloren de Sovjets 231 man bij de strijd om de kampen en de nabijgelegen plaatsen Brzezinka en Oswiecim (de Poolse naam van Auschwitz).

Eén ding was duidelijk: de Sovjetsoldaten hadden geen flauw benul van wat hen te wachten stond toen zij door de poort het kamp binnenliepen. Het Rode Leger had in juli 1944 vernietigingskamp Majdanek bevrijd voordat de SS zijn sporen kon uitwissen. Berichten hierover hadden de internationale pers gehaald, het Amerikaanse tijdschrift Time drukte het getuigenrelaas af van een Sovjetoorlogscorrespondent, die bij de bevrijding aanwezig was. Daarin valt op dat hoewel de gaskamers en crematoria gedetailleerd werden beschreven, het woord ‘Jood’ niet één keer viel. Dat verreweg de meeste slachtoffers in Majdanek Joods waren, hield Stalins propagandamachine geheim, zoals ook gebeurde na de bevrijding van Auschwitz.

Misschien waren de gruwelijkheden van de vernietigingskampen bekend in de hoogste politieke en militaire kringen in Moskou, maar zelfs de commandant van het 1085e regiment, luitenant-kolonel Anatoli Shapiro, was niet op de hoogte. “Ik had veel onschuldigen gedood zien worden. Ik had mensen gezien die waren opgehangen. Maar ik was toch niet voorbereid op Auschwitz. De stank was overweldigend. Het was een vrouwenbarak, er waren bevroren plassen bloed en dode lichamen lagen op de vloer.” Shapiro, een Oekraïense Jood, vond kinderen in het ziekenhuis van Auschwitz, die hem voor een naziofficier hielden en dachten dat hij hen naar de gaskamers zou brengen. “De kinderen gilden: ‘Wij zijn geen Joden!’ Zij waren wel Joods. Dat was het ergste om te zien.”

Anatoli Shapiro

Omhelzingen
Shapiro’s mannen vonden vijftig kilo brillen, honderden kunstarmen en -benen, en 44 duizend paar schoenen. En dat terwijl de SS pakhuizen vol met kleding en andere bezittingen van de gevangenen in de brand hadden gestoken – de vuren hadden dagenlang gewoed. Ook vonden de soldaten 650 niet-gecremeerde lichamen en grote bergen as van verbrande menselijke resten. In de barakken lagen zoveel uitwerpselen dat die met spades van de vloer geschraapt moesten worden. Het was riskant de half verhongerde overlevenden te voeden, sommigen aten zich letterlijk dood.

“Wij wisten van niets,” zou ook luitenant Ivan Martinoesjkin na de oorlog vertellen. “Misschien wisten de hoogste officieren van de generale staf van het kamp, maar wij wisten niets.” Toen hij en zijn kameraden het kamp betraden, waren zij op hun hoede voor een Duitse hinderlaag, maar al snel zagen zij dat er alleen gevangenen over waren. “Het was moeilijk hen aan te kijken. Ik herinner hun gezichten, vooral hun ogen die hun lot verraadden.” Vassili Gromadski, een andere officier, herinnerde zich: “De gevangenen renden op ons af, in een grote massa. Zij huilden, omhelsden en kusten ons.” Luitenat Joeri Ilinski herinnerde zich vooral: “Kinderen … kinderen achter prikkeldraad. Dat liet de diepste indruk achter op mij en mijn soldaten. Hordes kinderen. Van peuters en kleuters tot tieners. Mager, haveloos, ziek, hongerig. Wij gaven hun alles wat wij in onze rugzakken hadden.”

Eva Mozes Kor, een tienjarig meisje op wie kamparts Josef Mengele zijn gruwelijke experimenten met tweelingen had uitgevoerd, herinnerde zich hoe de soldaten het kamp binnen kwamen: “Wij renden op hen af en zij gaven ons omhelzingen, koekjes en chocolade. Omdat wij zo alleen waren, betekenden die omhelzingen meer dan iemand zich kan voorstellen, zij vervingen de menselijke waarde waar wij naar hongerden. We verlangden niet alleen naar voedsel maar ook naar menselijke warmte.” De volwassen overlevenden herinnerden zich een minder uitgelaten bevrijding. “Er was een lange dankbare handdruk,” schreef Eddy de Wind, “maar geen gejuich kwam uit de van ontroering toegeknepen kelen.”

Primo Levi

Medelijden
Primo Levi, de Italiaanse scheikundige en auteur, beschreef in Het respijt zijn gevoel bij het zien van de Sovjetsoldaten in de hel waarin hij bijna een jaar had overleefd. “Zij begroetten ons niet, zij lachten niet. Ze leken bedrukt, niet alleen door medelijden, maar door een verwarde beheersing die hun lippen verzegelde en hun ogen blinddoekte voor de begrafenisscène. Het was een schaamte die wij goed kenden, de schaamte die ons overspoelde na de selecties, en elke keer dat wij moesten kijken of ons moesten overgeven aan een wandaad; de schaamte die de Duitsers niet kenden, maar die de rechtschapen man ervaart bij de misdaad van een ander: het schuldgevoel dat zo’n misdaad kan bestaan, dat die onherroepelijk in de bestaande wereld van dingen is doorgedrongen, terwijl de Primo Levi menselijke geneigdheid tot het goede te zwak of nietig is gebleken, en zelfs niet ter verdediging gebaat zou hebben.”

Sovjetartsen ontfermden zich over 4500 zieke en ondervoede gevangenen, bijgestaan door vrijwilligers van het Poolse Rode Kruis. Dat laatste is een detail dat vaak wordt vergeten. Ja, honderden Joodse overlevenden van de kampen werden in de laatste maanden van de oorlog en zelfs erna vermoord door Polen tijdens een serie pogroms. Maar tegelijkertijd hielpen andere Polen de overlevenden van Auschwitz, zoals zij dat ook hadden gedaan tijdens de dodenmars in januari – voor zover de Duitsers het toelieten. Het is in dit verband ook opvallend dat Polen het enige door de nazi’s bezette land was dat geen vrijwillige eenheden leverde om aan Duitse zijde mee te vechten.

Littekens
Vanaf de bevrijding verlieten overlevende gevangenen individueel of in kleine groepjes het kamp. Op weg naar hun huizen, die vaak onteigend waren door overheden die gecollaboreerd hadden met hun beulen. Sommigen namen niet eens die moeite en probeerden rechtstreeks een route te vinden naar het Britse Mandaatgebied Palestina, waar een nieuwe oorlog hen wachtte. In juni 1945 waren er nog zo’n driehonderd gevangenen in Auschwitz. Nog geen druppel in een overvloeiende emmer, als je beseft dat in totaal 1,3 miljoen onschuldigen naar het kamp

‘De littekens van de wandaad zouden altijd in ons blijven’ gedeporteerd waren.

Auschwitz werd na de oorlog gebruikt als kamp voor Duitse krijgsgevangenen. En ten slotte, op 16 april 1947 voor de executie van kampcommandant Rudolf Höss. Een schuldige, zeker, maar niet eens een hoofdschuldige. Die ontsprongen – met uitzondering van Adolf Eichmann – de dans van het gerecht: Heydrich, Himmler, Hitler. Niet dat dit volgens Primo Levi veel uitmaakte. Hij schreef dat het dwaas was te denken dat menselijke gerechtigheid de besmetting van Auschwitz zou kunnen uitwissen: “Dus klonk voor ons zelfs het uur van de vrijheid ernstig en gedempt, en vulde het onze ziel met vreugde, maar ook met een pijnlijk gevoel van schaamte, alsof wij ons geweten en ons geheugen hadden kunnen schoonwassen van het vuil dat op hen lag; en ook met verdriet, omdat wij voelden dat dit nooit had mogen gebeuren, dat nu niets goeds en puurs genoeg kon gebeuren om ons verleden uit te wissen, en dat de littekens van de wandaad altijd in ons zichtbaar zouden blijven, in de herinneringen van hen die het gezien hadden, en op de plaatsen waar het zich afspeelde en in de verhalen die wij erover zouden vertellen.”

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *