Achtergrond

De kracht van het woord

Zonder cultuur geen staat, wisten de protagonisten van deze laatste aflevering van Vaders van het zionisme. Voor sommigen was die cultuur zelfs belangrijker: zij wilden niet alleen een staat voor Joden, maar een Joodse staat.

Bart Schut 20 december 2021, 12:00
De kracht van het woord

Dit artikel verscheen eerder in NIW 26 – 5780 / 2019

Daal af naar de kelders van de stad Waar de maagdelijke dochters van uw volk bezoedeld werden Waar zeven heidenen een vrouw neerwierpen De dochter in aanwezigheid van de moeder De moeder in aanwezigheid van de dochter Voor de slachting, tijdens de slachting, na de slachting!

Het bloed druipt van de pagina’s af. Bialiks In de moordstad is waarschijnlijk een van de meest gewelddadige gedichten uit de literatuurgeschiedenis. Het is een aanklacht tegen het gepeupel dat, opgehitst door de autoriteiten, zijn haat botvierde op de Joodse buurman, collega of onbekende onschuldige. De pogrom van Kisjinev in april 1903 was een waterscheiding voor het Joodse volk. De wanhoop van de moord op bijna vijftig mede-Joden dreef Theodor Herzl ertoe zich achter het onzalige Oegandaplan (zie deel 1 van deze serie) te scharen. Tegelijkertijd was Kisjinev het startsein voor een massale immigratiestroom vanuit Oost-Europa naar de Verenigde Staten.

Chajiem Nachman Bialik was op het moment dat hij de bijna driehonderd versregels van BeIr Hahagira componeerde, al de beroemdste Hebreeuwse dichter van dat moment. Vanaf zijn eerste gepubliceerde gedicht, El Hatsipor (‘Aan de vogel’) had Bialik zich een fel zionist getoond, wat veel deuren voor hem had geopend in Odessa, kloppend hart van de Russisch-Joodse cultuur rond de eeuwwisseling. De Joods-Historische Commissie van Odessa stuurde de 31-jarige dichter naar Kisjinev, tegenwoordig de hoofdstad van Moldavië, op wat wij nu een fact finding-missie zouden noemen: getuigen interviewen en documenten verzamelen, zodat daarna in Odessa een rapport van het bloedbad gemaakt kon worden.

Laf en hulpeloos
Stuur een dichter en je krijgt een gedicht terug. In de moordstad beschrijft de wreedheden tijdens de twee dagen durende pogrom tot in detail. Maar meer nog dan een aanklacht tegen de niet-Joodse moordenaars, plunderaars en verkrachters, en zelfs tegen een zwakke, machteloze God – ‘[Hij] heeft iedereen volledig verlaten’ – neemt Bialik de slachtoffers op de korrel. In een extreem staaltje van wat tegenwoordig victim blaming wordt genoemd, richt de dichter zijn woede vooral op de Joodse mannen van Kisjinev. Volgens Bialik vluchtten zij als ‘muizen’ en verscholen zich in hun ‘holen’ terwijl hun vrouwen verkracht werden. Om na afloop – Bialik noemt hen met bijtende spot de ‘zonen van de Makkabeeërs’ om het contrast met die strijders te benadrukken – naar de rabbijn te rennen en te vragen: ‘Is mijn vrouw mij nog toegestaan? Daarmee ‘eindigde de zaak’, concludeert Bialik bitter, alsof de vraag of zijn verkrachte vrouw nog rein is van enig belang zou mogen zijn na zo’n onbeschrijflijke misdaad.

Stuur een dichter naar een rampplek en je krijgt een gedicht terug

Het is maar helemaal de vraag of zulke taferelen zich daadwerkelijk hadden afgespeeld in Kisjinev. De kehila van de stad was woedend op Bialik, omdat hij haar als laf en hulpeloos had beschreven, terwijl er talloze voorbeelden waren van heldhaftig verzet door Joodse mannen die met nauwelijks meer dan tuingereedschap bewapend waren. Belangrijker dan de waarheid was dat het beeld dat Bialik schetste, bleef hangen. Be-Ir Hahagira werd vertaald in het Russisch, het Jiddisj, het Pools, en Bialiks faam steeg tot grote hoogte. Onder leiding van Zeëv Jabotinski, die bijzonder onder de indruk was van In de moordstad en zijn dichter, schoten overal in Rusland Joodse zelfverdedigingsmilities uit de grond. Het gedicht wordt zelfs medeverantwoordelijk geacht voor de grote hoeveelheid jonge Joden die in de nasleep van Kisjinev naar Palestina trokken en de Tweede Alia vormden. Deze jongeren, veelal socialisten, belichaamden de onverzettelijkheid die opeenvolgende generaties van de jisjoev zou kenmerken. Kisjinev was hun ‘nooit weer’. Zij zouden zich niet laten afslachten zoals de Joden in Bialiks ‘moordstad’.

Chajiem Nachman Bialik

Zelf wachtte de dichter, toen al beschouwd als de nationale poëet van het Joodse volk, tot 1924 voor hij naar Palestina trok. Daar vestigde hij zich in het misschien wel mooiste huis van Tel Aviv (gelegen aan de naar hem genoemde straat op nummer 22) en schreef hij gedichten over liefde en de natuur, maar ook kinderliedjes. Allemaal in het Hebreeuws, waarmee hij de ontwikkeling van die taal een enorme duw voorwaarts gaf. Chajiem Nachman Bialik stierf in 1934, op 61-jarige leeftijd, in Wenen na een mislukte prostaatoperatie. Hij wordt algemeen beschouwd als Israëls nationale dichter, al deelt hij die officieuze titel tegenwoordig met Yehuda Amichai (1924-2000), die overigens in 1976 de naar Bialik genoemde literatuurprijs won.

Balletdanser Baroech Agadati in vier typerende ‘Joodse’ dansposes

‘Vijandschap en wreedheid’
Twee jaar voor zijn vriend Bialik maakte Achad Haäm alia. Geboren als Asjer Hirsch Zvi Ginsberg in Skvira (tegenwoordig in Oekraïne gelegen) zou hij zich ontpoppen tot een bijzonder soort zionist, een die niet absoluut geloofde in de noodzaak van een Joodse staat. Tegenover Herzls politieke zionisme plaatste hij wat we nu ‘cultureel zionisme’ noemen. Niet de onafankelijkheid van ‘Zion’ stond centraal, maar de positie van de Joodse gemeenschap in Palestina als lichtend voorbeeld voor de diaspora. Direct na het Eerste Zionistische Congres in 1897 publiceerde Ginsberg zijn pamflet De Joodse staat en het Joodse probleem, waarin hij uiterst kritisch de stand van zaken in de zionistische beweging onder de loep nam.

Ginsberg was van mening dat de Turkse machthebbers in Palestina en de andere grote mogendheden geenszins van plan waren de Joden er een eigen staat te laten stichten. En zelfs al deden zij dat, redeneerde hij, dan nog zou de hele onderneming op een fiasco uitdraaien wanneer miljoenen arme Joden – zonder kennis van en ervaring in de landbouw – zich in het gebied zouden vestigen. Ginsbergs bedenkingen zijn begrijpelijk. De Eerste Alia, vooral gericht op het bewerken van gekocht land, was in de jaren voor het Congres in Basel vrijwel volledig mislukt. Ook maakte de journalist en essayist zich zorgen over de Arabische reactie op het uitroepen van een Joodse staat. Waar veel van zijn vroege medezionisten net deden alsof Palestina een land zonder inwoners was en waar anderen de lokale bevolking ‘met vijandschap en wreedheid’ behandelden, zag Ginsberg de Arabieren als ‘scherp van geest en slim’.

Waar Herzl een staat voor de Joden bepleitte, wilde Haäm een Joodse staat

‘Wij moeten leren, van zowel ons verleden als ons heden, hoe voorzichtig wij moeten zijn niet de woede te ontketenen van de lokale bevolking door hen slecht te behandelen, (… maar) deze mensen behandelen met liefde en respect en (…) met rechtvaardigheid,’ schrijft hij, alsof het niet de negentiende maar de eenentwintigste eeuw was. Doen de Joden dat niet, dan ‘zullen deze mensen wraakzuchtig zijn als geen ander’. Misschien is de term ‘spiritueel zionisme’ beter van toepassing op de ideeën van Ginsberg, die zich na zijn vestiging in Tel Aviv Achad Haäm (‘een van het volk’) noemde. Haäm pleitte voor een terugkeer naar de kernwaarden – niet per se de religieuze, hij was overtuigd seculier – van het jodendom, voor een Palestina als geestelijk centrum waar aanvankelijk slechts mondjesmaat Joden naartoe zouden trekken. Omgekeerd zou de diaspora die kernwaarden van het jodendom moeten overnemen om assimilatie tegen te gaan. Slechts dan zou zij sterk genoeg zijn de laatste stap, die naar een eigen staat, te kunnen zetten. Waar Theodor Herzl een staat voor de Joden bepleitte, wilde Achad Haäm een Joodse staat.

Haäm, die in 1927 in Tel Aviv overleed, was van grote invloed op de zionistische beweging, met name na Herzls dood in 1904. Onder leiding van Chaim Weizmann beseften de politieke en praktische zionisten – en zelfs socialisten als David ben Goerion – dat een Joodse staat meer was en meer zou moeten zijn dan Joden die het land van hun Bijbelse voorvaderen bewerkten. Spieren en wapens waren niet genoeg, zonder cultuur zou ‘Zion’ een onbereikbare droom blijven. En cultuur is onmogelijk zonder taal, wat ons brengt bij een van Haäms bekendste volgelingen.

Achad Haäm

Lingua franca
Te vaak wordt het moderne Hebreeuws gepresenteerd als de uitvinding van één man: Eliëzer ben Jehoeda. Tegen de tijd dat deze lexicograaf, in 1858 als Eliezer Jitschak Perlman geboren in het huidige Wit-Rusland, zich in Palestina vestigde, was het Hebreeuws allang geen dode taal meer. Bialik en tal van andere Joodse auteurs gebruikten het Hebreeuws voor hun proza en poëzie. Vanzelfsprekend was dat niet, Sjolem Alejchem schreef zijn verhalen over Tevje in het Jiddisj en zelfs Mendel Moicher Sforim, door velen beschouwd als de vader van de moderne Hebreeuwse literatuur, wisselde naar het Jiddisj omdat hij zo een grotere lezersschare kon bereiken.

In 1856, nog voor Ben Jehoeda’s geboorte dus, werd het eerste nieuws- en opinieblad in het Hebreeuws, Hamagid (‘de Prediker’) uitgegeven in respectievelijk Berlijn, Krakau en Wenen. Sforim publiceerde erin, zoals Haäm dat deed in het vier jaar later in Odessa opgerichte Hameliets (‘de Bemiddelaar’). Andere kranten kwamen uit in Polen en het Baltische gebied, en hadden verschillende politieke en religieuze achtergronden: liberaal, orthodox, socialistisch. Tot de jaren zestig van de negentiende eeuw werd gesproken Hebreeuws slechts religieus gebruikt. Hoewel, ook dat is niet helemaal correct, op de markten van Jeruzalem spraken leden van de kleine Asjkenazische en Sefardische gemeenschappen elkaar in een soort handen-en-voeten-Hebreeuws, een lingua franca voor Joden in Palestina die respectievelijk met Jiddisj en Arabisch of Ladino waren opgevoed en geen andere manier hadden met elkaar te communiceren. Sinds de tweede eeuw had niemand meer Hebreeuws als moedertaal gesproken.

Eliëzer ben Jehoeda, de ‘vader’ van het moderne Hebreeuws

Het eerste gesprek in modern Hebreeuws zou zijn gevoerd op 13 oktober 1881 in Parijs tussen Ben Jehoeda en vrienden. Datzelfde jaar nog vestigde de overtuigde zionist zich in Jeruzalem, waar hij begon te werken aan zijn droom van Hebreeuws als gesproken, levende taal. Zijn kinderen waren de eerste Joden in meer dan anderhalf millennium die het als moedertaal spraken. Ben Jehoeda verbood zijn familie andere talen te gebruiken en probeerde andere families te overtuigen hetzelfde te doen – met gering succes. Wel ontwikkelde hij verschillende woorden voor begrippen die in de Bijbel niet voorkwamen: tomaat, elektriciteit, sinaasappel (tapoets, van tapoea/appel en tsahav/ goud: ‘gouden appel’).

Sinds de tweede eeuw had niemand meer Hebreeuws als moedertaal

Ongekende hit
Tegelijkertijd begonnen op scholen in de jonge Joodse nederzettingen leraren en leerlingen in het Bijbelse Hebreeuws te communiceren. Logisch, de immigranten met hun diverse achtergronden spraken verschillende talen. Vanuit het schoolsysteem infiltreerde dit gebruik de groeiende Joodse samenleving in Palestina. De immigranten van de Tweede Alia kenden Hebreeuws als literaire taal, voor hen was het gemakkelijker erop over te schakelen na aankomst in het Heilige land. Rond de eeuwwisseling nam het Zionistische Wereldcongres het Hebreeuws aan als zijn officiële taal. In 1913 probeerden Duitse oliem hun moedertaal door te drukken, maar de jisjoev was inmiddels zo gehebraïseerd dat hun op arrogantie berustende pogingen – ‘wij hebben de technische kennis, dus iedereen moet onze taal maar spreken’ – kansloos bleken. De invloed van Eliëzer ben Jehoeda’s verwoede pogingen wordt vaak overdreven omdat het zijne zo’n mooi verhaal is; in werkelijkheid was zijn rol meer symbolisch dan praktisch.

Cultuur is niet alleen taal. De in Litouwen geboren beeldende kunstenaar Boris Schatz trok, geïnspireerd door een ontmoeting met Herzl, naar Jeruzalem en opende daar in 1906 de Bezalelkunstacademie, genoemd naar de maker van het tabernakel in Sjemot. Aan die school studeerde van 1910 tot 1914 de in Bessarabië (tegenwoordig Moldavië) geboren en in Odessa opgegroeide balletdanser Baroech Kausjanski, beter bekend als Baroech Agadati. Een zionist? Jazeker, u kent ongetwijfeld de hora, Israëls nationale dans. Agadati voerde deze van oorsprong Roemeense volksdans voor het eerst in 1924 uit in Palestina. De dans werd een ongekende hit en een verbindende factor onder de jongeren van de jisjoev. Bedenk dus dat wanneer u bij uw volgende choepa in een cirkel danst op Hava nagila, u de droom van Achad Haäm, Chajiem Bialik, Eliëzer ben Jehoeda en uiteindelijk ook die van Herzl, Nordau, Weizmann, Jabotinski, Ben Goerion en al die andere zionisten, een klein beetje in vervulling brengt.

Van Onze hoop naar Dé hoop
Het is niet helemaal duidelijk waar en wanneer Hatikva, het Israëlische volkslied, is geschreven. Wel door wie: Naftali Herz Imber (1856-1909), een dichter uit Zolochev, toen in het Habsburgse Rijk en nu in Oekraïne gelegen. Imber leefde van 1882 tot 1887 in Palestina, als privésecretaris van de Zuid-Afrikaanse filosemiet en vroege christenzionist Sir Laurence Oliphant. In Palestina bezocht Imber regelmatig de jonge nederzettingen van de Tweede Alia, waar hij – na goed gegeten en gedronken te hebben – aan de Joodse bewoners zijn poëzie voordroeg. We weten dat hij in 1884 zijn gedicht Tikvatenoe (‘Onze hoop’) voordroeg aan de Chovevee Tison-pioniers in het twee jaar eerder gestichte Risjon Letsion. Maar Imber had de negen verzen van het gedicht al eerder geschreven, waarschijnlijk in 1878 in Zolochev of zelfs al een jaar eerder in Iaşi, Roemenië. De reden van zijn ‘hoop’ zou de stichting van de eerste moderne Joodse nederzetting Petach Tikva zijn geweest.

Imber publiceerde het gedicht in 1886 in de bundel Barkai (‘Morgenster’). Het jaartal 1884 dat eronder staat, slaat waarschijnlijk op de laatste wijzigingen die hij erin aanbracht. Het gedicht sloeg aan en al snel namen de Chovevee Tsion (zie aflevering twee van deze serie) het over als hun lijflied. In 1897 deden de zionisten hetzelfde bij hun Eerste Congres in Basel. Toen had Sjmoeël Cohen er al een melodie ondergezet, naar eigen zeggen gebaseerd op een Roemeens-Moldavisch volksliedje Carul cu boi (‘De ossenwagen’). De oorsprong van de melodie is het zestiende-eeuwse lied La Mantovana van Giuseppe Cenci. Cohens Carul cu boi is een van de vele versies van de Mantovana die verspreid over heel Europa te vinden zijn: onder andere Ik zag Cecilia komen in de Nederlanden, maar ook De Moldau van Smetana.

Naftali Herz Imber

Beroemd is de anekdote van een groep Tsjechische Joden die Hatikva zingend de gaskamer van Auschwitz ingingen. In 1948 werd met het zingen voor en na het lezen van de onafankelijkheidsverklaring De hoop het officieuze volkslied van de staat Israël, pas in 2004 werd het dat ook officieel. Niet tot ieders genoegen: orthodoxe politici en religieuze leiders beklaagden en beklagen zich over de afwezigheid van referenties aan God. Aan dat laatste zou Imber ongetwijfeld een groot genoegen hebben beleefd. De dichter had een sardonisch gevoel voor humor, waarbij hij graag tegen heilige huisjes aanschopte. Zo publiceerde hij een boek over ‘legenden en tradities van de Joodse natie’ waarin te lezen is dat koning Salomo de uitvinder van de telefoon was en dat zich in het tabernakel dat de Joden veertig jaar lang door de woestijn droegen, een elektrische accu bevond. Imber stierf in New York, berooid maar geliefd, aan de gevolgen van alcoholisme.

Dit was het laatste deel van Vaders van het zionisme. Deze serie is met liefde en respect opgedragen aan Harry van den Bergh, die helaas nooit alle delen heeft kunnen lezen.

Lees hier deel één, twee, drie, vier en vijf.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *