Dossiers

In de voetsporen van Spinoza: ‘Alle verwensingen van het firmament’

Welke plekken herinneren nog aan de belangrijkste filosoof die ons land heeft voortgebracht en, volgens een NIW-verkiezing in 2015, de grootste Joodse Nederlander, Baruch de Spinoza? In een reeks van vier artikelen nemen we u mee langs de plaatsen die zijn leven en zijn denken gevormd hebben. Deze serie komt tot stand dankzij steun van Maror. Deel 2: de banvloek.

Jaron Beekes 13 september 2020, 10:00
In de voetsporen van Spinoza: ‘Alle verwensingen van het firmament’

Op zijn drieëntwintigste werd Baruch de Spinoza uit Joods-Amsterdam verbannen. Vanwaar die ongekend zware straf? En waar kon hij heen toen hij op straat stond zonder werk, zonder familie en zonder dak boven zijn hoofd?

‘Met het oordeel der engelen en de uitspraak der heiligen vervloeken, verbannen, verwensen en verdoemen wij Baruch d’Espinoza (…). Vervloekt zij hij bij dag en bij nacht, in zijn liggen en zijn opstaan, bij zijn komen en zijn gaan; nimmer moge God hem vergeven (…); en Hij zal zijn naam verdelgen vanonder de hemel en hem uitstoten uit alle stammen Israëls, met alle verwensingen van het firmament (…). Niemand mag hem spreken, niemand mag hem schrijven, niemand mag hem een gunst verlenen, onder één dak met hem verblijven of binnen vier el afstand van hem vertoeven. Niemand mag enig papier lezen, door hem geschreven.”

In deze verpletterende bewoordingen sneed het synagogebestuur van de Portugees-Joodse gemeente van Amsterdam alle banden door met Baruch de Spinoza, roepnaam Bento. De senhores van de maämad, het bestuur, hadden nog geprobeerd de 23-jarige koopman op het rechte pad te krijgen, schrijven zij in een inleiding op de banvloek, maar tevergeefs. Zijn ‘afschuwelijke ketterijen’ en ‘kwalijke werken’ werden alleen maar erger.

De openlijke minachting van de halacha en zijn omgang met ‘ketters’ kon niet zonder gevolgen blijven

De cherem, ondertekend op 27 juli 1656, laat er geen twijfel over bestaan: Spinoza heeft de wet dusdanig met voeten getreden, dat geen Jood ooit nog bij hem in de buurt mag komen, laat staan kennis van zijn ideeën mag nemen. Opmerkelijk genoeg wordt nergens benoemd wat zijn ‘afschuwelijke ketterijen’ inhielden. Vooral de laatste regel ‘niemand mag enig papier lezen, door hem geschreven’ is vreemd. Hij had namelijk nog geen letter gepubliceerd. 

Spinoza’s vader Michael, twee jaar eerder overleden, was een gerespecteerd bestuurder geweest van diezelfde gemeente en ook Baruch zelf was een actief lid, zij het in steeds mindere mate. Zijn laatste gift aan de kehilla Talmoed Tora dateert van een half jaar voor de verbanning: zes gulden. Hoe had het zo snel zo ver kunnen komen? 

De cherem uit 1656, waarmee het synagogebestuur Spinoza verbande uit de Joodse gemeenschap. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Vernedering
De cherem, de banvloek, werd wel vaker ingezet in de gemeente waar Spinoza lid van was. Meestal diende die als tik op de vingers. Zelfs de vermaarde rabbijn, boekdrukker en diplomaat Menasseh ben Israel, die met ‘lord protector’ Oliver Cromwell onderhandelde over het toelaten van Joden in Engeland, kreeg een cherem voor één dag opgelegd, vanwege een intern conflict. Na een dagje huisarrest kon hij zijn werk gewoon hervatten. Ernstiger waren cherems voor afvalligen. Het bekendste voorbeeld is Uriel Acosta, in veel opzichten een voorloper van Spinoza. Hij werd in 1583 of ’84 als katholiek geboren in Portugal, bekeerde zich tot het jodendom, het geloof van zijn voorvaderen, en vluchtte naar Amsterdam. Daar begon hij de georganiseerde godsdienst in twijfel te trekken. Religieuze gebruiken vond hij maar bijgeloof, hij ontkende de onsterfelijkheid van de ziel en de goddelijkheid van de Tora. Allemaal standpunten die we later bij Spinoza terugvinden. 

Acosta werd verbannen, werd weer christen, om na omzwervingen door Europa als verloren zoon terug te keren naar de Joodse buurt van Amsterdam. In 1640 vond een openlijke boetedoening plaats, waarbij de voltallige gemeenschap in een vernederend ritueel letterlijk over hem heen moest lopen voor de deur van de synagoge, waarna hij mocht terugkeren tot de gemeente. Spinoza, zeven jaar oud, moet erbij zijn geweest. Twee dagen later, gebroken en verward, pleegde Uriel Acosta alsnog zelfmoord. 

Het verhaal van Acosta, dat in de negentiende eeuw inspiratie vormde voor een reeks toneelstukken en romans, is gebaseerd op zijn memoires, die hij zou hebben geschreven in de paar dagen tussen boetedoening en zelfmoord. Erg betrouwbaar kun je deze bron niet noemen; waarschijnlijk is hij het resultaat van overlevering en latere schrijvers, die de Joodse gemeenschap in een kwaad daglicht wilden stellen.

Aangedikt of niet, de straf van Acosta moet een waarschuwing zijn geweest voor de jonge Spinoza. Maar zijn uiteindelijke vonnis was nog meedogenlozer dan dat van Acosta, die tenminste nog de kans kreeg terug te keren. Zestien jaar later werd in dezelfde synagoge aan de Houtgracht, nu het Waterlooplein, voor het eerst een banvloek uitgesproken die onomkeerbaar was: “Nimmer moge God hem (Spinoza) vergeven.” 

Hoed in de goot
De kiem voor Spinoza’s verwijdering van de wereld van zijn jeugd werd gelegd toen zijn vader overleed. Spinoza zag zich gedwongen diens noodlijdende handel in zuidvruchten over te nemen. Samen met zijn broer startte hij de firma Bento y Gabriel Despinoza. Al vijf jaar eerder was hij bijgesprongen in de familiezaak. Verhalen dat Spinoza een opleiding volgde om rabbijn te worden, die je tegenkomt in geromantiseerde biografieën, berusten niet op feiten. Zijn formele religieuze opleiding, op de jesjiva Keter Tora (Kroon der Wet), was hij al op zijn zeventiende gestaakt; zijn oudere broer Isaac was net overleden en er moest brood op de plank komen.

De regel ‘niemand mag enig papier lezen, door hem geschreven’ is vreemd. Hij had nog geen letter gepubliceerd

Aanvankelijk speelden de handelspraktijken van de bv Spinoza zich binnen de Joodse wereld af. Een anekdote uit 1655 (een jaar voor de banvloek), die wél op feiten gebaseerd is, zegt veel over het geweldloze, rationele karakter van de koopman en de mens Baruch de Spinoza. Ene Anthony Alvares, een nogal louche Portugese Jood, was Spinoza vijfhonderd gulden schuldig, een immens bedrag. Nadat hij Spinoza enkele maanden aan het lijntje had gehouden, liet die hem door de schout vasthouden in herberg De vier Hollanders aan de Nes, tot hij zou betalen. Volgens de notarisakte van de zaak heeft Alvares ‘den requirant (de eiser Spinoza, JB) zonder woord of wederwoord te spreken met den vuist voor zijn hoofd geslagen zonder dat den requirant hem iets weder misdaan heeft’. Later meldde Alvares’ broer en compagnon zich in de herberg, die zonder pardon Spinoza’s hoed in de goot smeet en vertrapte. 

Toch bleef Spinoza met de broers onderhandelen; het werd een civiele zaak. Spinoza kreeg uiteindelijk een onderpand, waarschijnlijk in de vorm van juwelen, voor het verschuldigde bedrag en toonde zich zelfs bereid Alvares geld te lenen om voor diens gijzeling te betalen. De gebroeders Alvares beloofden daarop Spinoza zijn hoed te vergoeden.

Zwak en mismaakt
Dat Spinoza de niet-Joodse autoriteiten betrok in een onderling geschil is veelzeggend. Rond deze tijd moet hij zijn horizon hebben verbreed tot buiten de kehilla. Amsterdam was immers een wereldstad; kooplui en goederen uit alle windstreken kwamen samen op de handelsbeurs, gelegen op de hoek van de Dam en het Rokin. Het gebouw is in 1838 gesloopt, tegenwoordig zijn onder meer de Koninklijke Industrieele Groote Club en de flagship store van Gassan Diamonds er gevestigd. Bento en zijn broer Gabriel moeten er veel tijd onder de zuilengalerijen hebben doorgebracht, op zoek naar de meest exotische producten, de beste deal. Het waren echter niet de specerijen uit Oost-Indië of de koffiebonen uit Brazilië waardoor er een wereld openging voor Spinoza. Veel belangrijker waren de denkbeelden van de zogeheten ‘collegianten’ en andere vrijdenkers waarmee hij hier in aanraking kwam; vrijzinnige christenen die de Bijbel rationeel benaderden. Van collega-kooplui moet hij hier hebben gehoord over René ‘ik denk dus ik ben’ Descartes, de Franse filosoof die naar Nederland was uitgeweken en op een steenworp afstand van de beurs had gewoond, in de Kalverstraat en later op de Westermarkt. Hij was enkele jaren voordat Spinoza met zijn leer kennismaakte in Zweden gestorven.

Op de plaats van de voormalige handelsbeurs, op de hoek van het Rokin en de Dam, staat nu het gebouw van de Industrieele Groote Club

Via zijn nieuwe contacten leerde hij Franciscus van den Enden kennen, een excentriek figuur die een bepalende invloed op Spinoza’s leven zou hebben. De van oorsprong Antwerpse ex-jezuïet verzamelde een groep volgelingen rond zich, aan wie hij Latijn en filosofie onderwees. De woning van het artistieke gezin op het deftige Singel vormde het middelpunt van hun ontmoetingen, waarbij Spinoza zijn medeleerlingen de beginselen van het Hebreeuws bijbracht. Anno 2019 is het intellectuele klimaat op die plek, tegenover het toeristisch gekrioel van de Bloemenmarkt, van een ander niveau: er is een parkeergarage, met ernaast het Torture Museum.

Volgens een van Spinoza’s vroegste, zeventiende-eeuwse biografen, Colerus, had Spinoza een oogje op Van den Endens dochter Clara Maria. Hij zou haar zelfs ten huwelijk hebben gevraagd; “hoewel zij tamelijk zwak was en mismaakt, werd hij nochtans bekoord door haar scherpe geest”. Maar Spinoza werd afgetroefd door zijn medeleerling Dirk Kerckrinck, die haar paaide met een parelketting – de slijmbal. Dit is het enige bericht over Spinoza’s liefdesleven dat we hebben, en helaas lijkt het onwaar. In de tijd dat Spinoza en Kerckrinck in de leer waren bij Van den Enden, was Spinoza 25 en Clara Maria dertien, zelfs in die tijd te jong om voor huwelijkskandidaat door te gaan.

De Amsterdamse wijk Vlooienburg, waar Spinoza opgroeide

Provocatie
Hoe dan ook werden Spinoza’s nieuwe interesses met argusogen gadegeslagen in zijn Joodse omgeving. Hij moet zich al van Joodse tradities hebben losgeweekt, want in 1655, een jaar voor de definitieve breuk, werd hij al eens ondervraagd wegens vermeende ketterijen. De druppel die de emmer deed overlopen was een onbeschaamde provocatie van Spinoza’s kant rondom een financiële kwestie. De schulden die Spinoza’s vader had nagelaten, achtervolgden hem nu al twee jaar. Om daar onderuit te komen verzon hij een list: hij beriep zich op de Nederlandse wet, die stelde dat je als minderjarige (toen onder de 25 jaar) geen schulden kon erven. Volgens de Joodse wet echter was hij meerderjarig, aangezien hij netjes zijn bar mitswa had gedaan. Deze openlijke minachting van de halacha, plus zijn omgang met lui die binnen de gemeenschap als ketters werden gezien, kon niet zonder gevolgen blijven.

Van collega-kooplui moet hij hier hebben gehoord over René ‘ik denk dus ik ben’ Descartes

Wat ongetwijfeld heeft meegespeeld in de heftigheid van Spinoza’s cherem was de boodschap die het synagogebestuur naar buiten wilde afgeven. Al ging het de Sefardiem relatief voor de wind, ze konden zich geen imago van Godsloochenaars permitteren in de wankele tolerantie die de Republiek hen bood. Er moest een duidelijk signaal klinken, dat oproerkraaiers niet werden geduld binnen het jodendom. En dus werd de ooit zo veelbelovende jongeman opgeofferd, om een voorbeeld te stellen.

Verloren jaren
Het schijnt Spinoza niet veel gedeerd te hebben. Hij nam niet eens de moeite op te komen dagen voor zijn excommunicatie, die schande bleef hem liever bespaard. Toen een bode hem ervan vertelde, was zijn antwoord volgens zijn biograaf Lucas, een persoonlijke vriend van Spinoza: “Des te beter; men dwingt mij tot niets dat ik ook uit mezelf niet zou hebben gedaan, als ik niet bang was geweest voor een schandaal. Maar als men het eenmaal zo wil, sla ik met vreugde de weg in die voor mij opengaat, en troost mij met de gedachte dat mijn uittocht onschuldiger is dan die van de oude Hebreeën uit Egypte.”

‘Ik troost mij met de gedachte dat mijn uittocht onschuldiger is dan die van de oude Hebreeën uit Egypte’

Toch moet het een gigantische klap voor hem zijn geweest. Spinoza stond op straat. Hij was zijn familie, of wat daarvan over was, kwijt. Al zijn jeugdvrienden, zijn mentoren, iedereen keek hem met de nek aan. Zijn werk als koopman was onmogelijk geworden, dat leunde voor het leeuwendeel op zijn Portugese netwerk.

Hoe Spinoza omging met zijn plotselinge isolement is niet zeker. De vier jaar tussen de verbanning en zijn verhuizing van Amsterdam naar Rijnsburg worden door biografen wel ‘de verloren jaren’ genoemd, aangezien betrouwbare gegevens ontbreken. 

Wat we weten is dat hij enige tijd colleges volgde aan de universiteit van Leiden, waar hij zich bekwaamde in Descartes’ methode van de twijfel, maar niet of hij daar ook gewoond heeft. Het is waarschijnlijker dat zijn nieuwe Amsterdamse vrienden, de kring rond Franciscus van den Enden, hem opvingen en onderdak boden. Misschien heeft hij tijdelijk in het woonhuis annex Latijnse School op de Singel gewoond.

Het academiegebouw in Leiden, waar Spinoza zich bekwaamde in Descartes’ methode van de twijfel

Theater
Een populaire Spinozamythe vertelt dat hij meespeelde in een toneelvoorstelling van het gezelschap rond Van den Enden, die inderdaad een grote voorliefde voor theater had. Bij het verlaten van de Schouwburg op de Keizersgracht, waar nu Hotel The Dylan gevestigd is, zou hij met een mes zijn aangevallen door een oude bekende uit Portugees-Joodse gemeenschap. Hoewel het mogelijk is dat Spinoza in 1657 en ’58 betrokken was bij toneeluitvoeringen – in een later werk citeert hij een stuk van de Romeinse dichter Terentius dat ook door Van den Enden is opgevoerd – is het verhaal van de aanslag niet historisch te staven.

De voormalige Hollandse Schouwburg aan de Keizersgracht, waar nu hotel The Dylan is gevestigd

Roeping
De zeventiende-eeuwse biograaf Colerus meldt dat Spinoza zijn intrek nam bij een vriend ‘aan de weg naar Ouderkerk’, even buiten de stad, maar bij wie, hoe lang en waarom is niet bekend. Volgens een reisverslag van de Deen Olaus Borch was Spinoza in mei 1661 nog in Amsterdam, de ‘onbeschaamde Jood’ die zich met ‘atheïstische volgelingen van Descartes’ inliet. Maar in de zomer van dat jaar was Spinoza verhuisd naar Rijnsburg. Volgens eigen zeggen was het ‘de liefde voor de eenzaamheid’ die Spinoza naar het dorpje op een paar kilometer afstand van Leiden bracht. Hier kon hij zich in alle rust op de wijsbegeerte storten, dicht bij de universiteitsstad.

Volgens eigen zeggen was het ‘de liefde voor de eenzaamheid’ die Spinoza naar Rijnsburg bracht

In zijn laatste Amsterdamse jaren was hij zijn roeping als denker serieus gaan nemen. Hij werkte aan een alomvattend filosofisch systeem en zijn ideeën over politiek en religieus gezag, natuurrecht en burgerlijk recht kregen langzaam vorm. Bovendien vond Spinoza zichzelf in zijn laatste Amsterdamse jaren volledig opnieuw uit. Hij leerde lenzen te slijpen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij smeedde vriendschappen voor het leven. Hij leerde Latijn en veranderde zelfs zijn naam in die internationale taal van de wetenschap; vanaf nu was Baruch niet meer Bento, maar Benedictus.

Jaron Beekes publiceerde in 2011 de graphic novel De lens van Spinoza. 

Dit artikel verscheen eerder in NIW 07, 5780 en kwam mede tot stand dankzij Maror.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *