Dossiers

In de voetsporen van Spinoza: De Mokumer jaren

Welke plekken herinneren nog aan de belangrijkste filosoof die ons land heeft voortgebracht en, volgens een NIW-verkiezing in 2015, de grootste Joodse Nederlander, Baruch de Spinoza? In deze vierdelige serie nemen we u mee langs de plaatsen die zijn leven en zijn denken gevormd hebben. Deel 1: Spinoza’s jeugdjaren in Amsterdam.

Jaron Beekes 06 september 2020, 10:00
In de voetsporen van Spinoza: De Mokumer jaren

Baruch de Spinoza was een echte Mokumer. In het hart van Joods Amsterdam waar hij opgroeide, moet hij Rembrandt vaak tegengekomen zijn. Diens huis is er nog – maar wat is er over van Spinoza’s jeugd op de Houtgracht?

“Het doel van de staat is de vrijheid”. Die tekst siert het granieten voetstuk onder het meer dan levensgrote standbeeld van Baruch de Spinoza (1632-1677) op de Amsterdamse Zwanenburgwal. Het citaat uit diens Theologisch-politiek traktaat moet een inspiratiebron vormen voor de gemeenteraadsleden die er vanuit hun kantoren in het Stadhuis op uitkijken. Het bronzen beeld zelf, door Nicolas Dings ontworpen en in 2008 door burgemeester Job Cohen onthuld, toont de grote denker als ongenaakbare autoriteit, die waardig en sereen als een monoliet op Paaseiland uitkijkt over het aards gepeupel. Op zijn mantel zien we papegaaien en mussen. Die eerste vogels symboliseren zijn exotische achtergrond.

Spinoza werd geboren als zoon van Portugees-Joodse immigranten, de eerste niet-christelijke allochtonen in ons land, die zich rond 1600 in Amsterdam vestigden. Hij groeide op tussen volksgenoten, sprak thuis Portugees, op straat Spaans en in de synagoge Hebreeuws. Later leerde hij Latijn, de taal waarin hij zijn boeken schreef en met geleerden in heel Europa correspondeerde. Het Nederlands bleef altijd een uitdaging voor Spinoza. Zo verontschuldigde hij zich in een brief uit 1665 voor zijn gebrekkige beheersing van die taal: “Ik wenschte wel dat ik in de taal, waar mee ik opgebrocht ben, mocht schryven. Ik sow mogelyk mijn gedaghte beeter konnen uytdrukke”. Maar meer nog dan de taalbarrière, zorgden zijn revolutionaire ideeën ervoor dat hij altijd een vreemde eend (of papegaai) in de Nederlandse bijt zou blijven.

Bloeiende stadstaat
Tegelijkertijd was Spinoza door en door Hollands, vandaar de mussen op het standbeeld: inheemse vogeltjes. Hij was geboren en getogen in Amsterdam, de belangrijkste stad van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en zou zijn hele leven die Republiek niet verlaten. Zijn denkbeelden waren een direct resultaat van de ongekende vrijheid die hier gold ten opzichte van andere landen, zeker voor Joden. Bovendien was het zeventiende-eeuwse Amsterdam, als onbetwist handelscentrum van de westerse wereld, een smeltkroes van culturen. Vanuit heel Europa trokken vrijdenkers als René Descartes, maar ook vervolgde hugenoten, lutheranen, doopsgezinden en Joden hiernaartoe. Nergens ter wereld bloeiden de drukpers, de kunst en de wetenschap als in Makom Alef, plek nummer één, oftewel Mokum. Nog in 1670, lang nadat hij zijn geboorteplaats de rug had toegekeerd, schreef Spinoza: “Amsterdam (…) plukt de vruchten van de vrijheid blijkens zijn groei, die alle volken bewonderen. In deze bloeiende en bevoorrechte stadstaat leven immers mensen uit alle volkeren en met alle mogelijke geloofsovertuigingen eendrachtig samen.”

Met de ideeën die Spinoza in deze ‘stadstaat’ ontwikkelde zou hij de basis leggen voor de Verlichting en nog eeuwenlang filosofen en wetenschappers inspireren, tot de dag van vandaag. Zijn rationale benadering van religie, zijn gelijkstelling van God aan de natuur, zijn vurige pleidooi voor democratie en vrijheid van godsdienst en meningsuiting maken hem tot wegbereider van de moderne tijd.

Zijn ouders ontsnapten ternauwernood aan de brandstapels van de Inquisitie 

Vlooienburg
En dat begon allemaal hier, op de plek van dit standbeeld op de Zwanenburgwal, waar Baruch de Spinoza op 24 november 1632 geboren werd. Misschien. Vermoedelijk. Waarschijnlijk. 

Die woorden keren steeds terug wanneer je over Spinoza leest, want er is weinig met zekerheid over zijn persoonlijke leven te zeggen. Het voormalige eiland Vlooienburg, waar de Zwanenburgwal deel van uitmaakt en dat tegenwoordig in beslag wordt genomen door de Stopera, de combinatie van Stadhuis en Nationale Opera & Ballet, wordt door sommige biografen genoemd als Spinoza’s geboorteplek. Anderen vinden dit niet aannemelijk omdat hier voornamelijk arme Asjkenazische Joden woonden, terwijl Spinoza’s ouders redelijk welgestelde Sefardiem waren. 

Ook al had Vlooienburg veel weg van een sloppenwijk, de naam heeft niets te maken met de beestjes, noch met de vlooienmarkt die er tegenwoordig wordt gehouden. In de middeleeuwen wilde de Amstel hier nog weleens buiten zijn oevers treden en het eiland overspoelen. Vandaar ‘Vloeienburg’, wat verbasterde tot ‘Vlooienburg’.

Wat wel zeker is, is dat de familie Spinoza kort na Baruchs geboorte een koopmanshuis even verderop huurde, op de Houtgracht, nu het Waterlooplein. Dit huis, in 1840 afgebroken voor de bouw van de Mozes en Aäronkerk, is waar Spinoza werd ‘opgebrocht’, zoals hij het zelf noemde. Hier woonde Baruch met zijn vader Michael, zijn moeder Hanna Debora, zijn oudere hal roer en zus, Isaac en Mirjam, en zijn jongere broer en zus, Gabriel en Esther. Baruch heette hij overigens alleen in de synagoge; Spinoza’s roepnaam was Bento, de Portugese variant van Baruch, ‘de gezegende’.

Reuzen
De Houtgracht lag in het hart van Joods Amsterdam. De buurt was geen getto, zoals Joodse centra in Venetië of Frankfurt, maar een plek waar Joden ervoor kozen om bij elkaar in de buurt te wonen, met alle voorzieningen op loopafstand. Zo waren er koosjere slagers en andere winkels, er waren synagoges en jesjivot, waar beroemde rabbijnen als Menasse ben Israel en Saul Levi Morteira lesgaven. De voormalige marranen, gedwongen tot het christendom bekeerde Joden, hadden op het gebied van religieuze kennis wat in te halen; generaties lang waren ze in Spanje en Portugal als schijnchristenen door het leven gegaan. Veel kennis en traditie was zo verloren gegaan. Een zeventiende-eeuwse Pools-Joodse geleerde die Amsterdam bezocht, Sjabetai Bass, toonde zich onder de indruk van het hoge niveau van Joods onderwijs:

“In de scholen van de Sefardiem (…) zag ik reuzen [van geleerdheid]: tere kinderen zo klein als krekels (…) In mijn ogen waren het wonderkinderen, vanwege hun ongewone vertrouwdheid met de hele Bijbel en hun kennis van de grammatica. Zij waren in staat gedichten op rijm te maken en zuiver Hebreeuws te spreken. Gelukzalig het oog dat al deze dingen gezien heeft.” 

De Houtgracht in de eerste helft van de zeventiende eeuw, geschilderd door Jan ten Compe

Een van die getalenteerde leerlingen, die ‘tere kinderen’, moet de jonge Bento zijn geweest. Het huis van de Spinoza’s keek uit op de synagoge van Beth Jacob, een van de drie Portugees-Joodse gemeentes in de stad. Zijn vader, handelaar in wijn, noten en zuidvruchten uit het Iberisch schiereiland, was hier jarenlang bestuurslid. Toen Bento de schoolgaande leeftijd had bereikt, hoefde hij maar de Houtgracht over te steken en een klein stukje te wandelen naar de lagere school Ets Haim, op plek waar nu de passage onder het stadhuis loopt.

Het was geen getto maar een plek waar Joden ervoor kozen om bij elkaar in de buurt te wonen

Verbeelding
Niet de hele buurt was Joods. Vooral in de Breestraat (nu de Jodenbreestraat geheten) woonden ook niet-Joden, van wie de beroemdste ongetwijfeld Rembrandt van Rijn (1606-1669) is. De schilder kocht er in 1639 een statig herenhuis (nu Museum Het Rembrandthuis), waar hij zijn beroemdste werken zou maken. Over de invloed van de Joodse omgeving op Rembrandts leven en werk is veel geschreven en nog meer gefantaseerd, maar tegenwoordig zijn de meeste kunsthistorici het erover eens dat die invloed miniem was. Van slechts een handvol etsen kan worden vastgesteld dat de modellen Joods waren. Verder bestond het contact tussen kunstenaar en kehilla vooral uit burenruzies. De kans dat Rembrandt en Spinoza elkaar hebben gekend is dan ook te verwaarlozen. Rembrandt was 26 jaar ouder en ze verkeerden in andere kringen. Toch spreekt het idee dat de grootste kunstenaar en de grootste filosoof allertijden elkaar vaak op straat moeten hebben gepasseerd, tot de verbeelding.

Niet de hele buurt was Joods. Vooral in de Breestraat (nu de Jodenbreestraat geheten) woonden ook niet-Joden, van wie de beroemdste ongetwijfeld Rembrandt van Rijn (1606-1669) is. De schilder kocht er in 1639 een statig herenhuis (nu Museum Het Rembrandthuis), waar hij zijn beroemdste werken zou maken. Over de invloed van de Joodse omgeving op Rembrandts leven en werk is veel geschreven en nog meer gefantaseerd, maar tegenwoordig zijn de meeste kunsthistorici het erover eens dat die invloed miniem was. Van slechts een handvol etsen kan worden vastgesteld dat de modellen Joods waren. Verder bestond het contact tussen kunstenaar en kehilla vooral uit burenruzies. De kans dat Rembrandt en Spinoza elkaar hebben gekend is dan ook te verwaarlozen. Rembrandt was 26 jaar ouder en ze verkeerden in andere kringen. Toch spreekt het idee dat de grootste kunstenaar en de grootste filosoof allertijden elkaar vaak op straat moeten hebben gepasseerd, tot de verbeelding.

De grachten zijn inmiddels gedempt en de huizen zijn in de Hongerwinter van 1944 opgestookt

Kwetsbaar
Die paar etsen die Rembrandt maakte van Joden uit Spinoza’s omgeving – hij portretteerde de arts Ephraim Bueno en waarschijnlijk rabbijn Menasse ben Israel – zeggen veel over de positie van de Portugees-Joodse immigranten in Amsterdam. Hun kleding is niet te onderscheiden van die van de Nederlandse koopmansklasse van de Gouden Eeuw: stemmig zwart met een eenvoudige witte kraag en een breedgerande hoed. Binnen enkele decennia hadden de Sefardiem zich opgewerkt tot de economische elite en zich uiterlijk volledig aangepast aan hun nieuwe thuisland.

Het ouderlijk huis van de jonge Spinoza werd in 1840 afgebroken voor de bouw van de Mozes en Aäronkerk

Ze hadden er ook alle reden toe om niet te veel op te vallen. De eerste generatie vluchtelingen, onder wie Michael en Hanna Debora de Spinoza, was ternauwernood aan de brandstapels van de Inquisitie ontsnapt. In de Republiek heerste weliswaar een pragmatische tolerantie – Amsterdamse kooplui maakten maar wat graag gebruik van de Portugese handelscontacten – maar de Joden wisten dat hun buitenstaanderspositie hen kwetsbaar maakte. Als weer eens de pest of een financiële crisis uitbrak (bijvoorbeeld door de zoveelste handelsoorlog of de tulpenkoorts), konden zij daar als nieuwkomers gemakkelijk de schuld van krijgen. Integratie was dus geboden, maar tegelijkertijd smachtten de voormalige marranen naar de religieuze vrijheid die hen in hun land van herkomst was ontzegd. Dit voortdurende balanceren tussen traditie en aanpassing vormde de achtergrond voor Bento de Spinoza’s jeugd op de Houtgracht.

Vlooienburg op een kaart van Frederick de Wit uit 1688

Brandhout
Als je nu op die plek rondkijkt, is het moeilijk je een voorstelling te maken van Spinoza’s jeugd. De grachten rond het eiland Vlooienburg zijn gedempt en veel huizen die er stonden zijn in de Hongerwinter van 1944 als brandhout opgestookt. De bewoners waren toen al bijna zonder uitzondering gedeporteerd. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebied met de grond gelijkgemaakt en lang wist de gemeente zich er geen raad mee, tot in de jaren tachtig het nieuwe stadhuis er verrees, omzoomd door modernistische nieuwbouw. Wie op de Waterloopleinmarkt tussen de derdehands kleding, de souvenirstands en de frietkramen naar sporen van Spinoza zoekt, komt bedrogen uit, op het standbeeld uit 2008 na. Bij de Mozes en Aäronkerk herinnert niets eraan dat Spinoza hier zijn jeugdjaren sleet. Wel hangt er een plaquette waarop staat te lezen dat de componist Franz Liszt hier in 1866 een concert bijwoonde. Je kunt je afvragen wat belangrijker is. 

Maar wie goed zoekt, zal toch de nodige Spinoza-memorabilia vinden: aan de overkant, onder de overkapping van de Stopera, is op de plek waar Spinoza’s school Ets Haim moet hebben gestaan een strook marmer in de straatstenen gemetseld, met daarin hetzelfde citaat als op het standbeeld, zij het minder bondig vertaald: “Het doel van de politiek is niet om te heersen, maar om eenieder van vrees te bevrijden”. Een wat achenebbisj plastic bordje aan de wand legt uit wie Spinoza was. 

Even verderop ligt een onopvallende steen met daarin uitgespaard het lakzegel van de filosoof: een roos met abnormaal grote stekels (de naam Spinoza betekent ‘gedoornd’), zijn initialen en zijn lijfspreuk ‘Caute’, Latijn voor ‘wees voorzichtig’. Het is een bijna aandoenlijk idee dat Spinoza dat oorspronkelijke zegel zelf heeft uitgesneden, maar ook raadselachtig waarom de S van zijn achternaam verkeerd om staat. Iemand met zijn intellect moet toch hebben begrepen dat als je een stempel afdrukt, die in spiegelbeeld verschijnt. 

De jonge Spinoza kreeg praatjes en hing gevaarlijk veel rond met beruchte vrijdenkers

Bar mitswa
Terug aan de overkant, vroeger de Houtgracht, een paar huizen bij Spinoza’s ouderlijk huis vandaan, stond al vanaf 1618 De Herschepping, de eerste openbare synagoge van Amsterdam. Toen de drie Sefardische gemeenten Beth Jacob, Beth Israel en Neve Shalom in 1639 fuseerden, werd dit de centrale synagoge van de nieuwe kehilla Talmoed Tora, tot in 1675 de Esnoga in gebruik werd genomen, de kolossale Portugese Synagoge die nog steeds als zodanig dienstdoet. Spinoza heeft daar nooit een voet over de drempel gezet, aangezien hij op 23-jarige leeftijd werd verstoten uit de gemeente. Die genadeloze banvloek werd in 1656 uitgesproken, in afwezigheid van de banneling zelf, in de Talmoed Tora-synagoge. Bento moet er als jongen vaak hebben gebeden en hier is ook de plechtigheid voor zijn bar mitswa gehouden. Op de plek van het gebouw, dat in 1931 gesloopt is, is nu een biologische supermarkt gevestigd. Een bordje herinnert aan het vroegere gebedshuis met een citaat van historicus Jaap Meijer: “Weggesnoeide tak uit de wingerd van de Joodse eeuwigheid.”

Onder de overkapping van de Stopera is op de plek waar Spinoza’s school Ets Haim moet hebben gestaan een strook marmer in de straatstenen gemetseld

Jonge koopman
Toen hij 21 was, overleed Bento’s vader Michael, bij wie hij vijf jaar eerder in de zaak was komen werken. Het was zeker niet het eerste drama in het leven van de jonge Spinoza. Al op vijfjarige leeftijd verloor hij zijn moeder aan een erfelijke vorm van tuberculose (een ziekte die hij van haar zou erven). Zijn halfbroer Isaac, uit een eerder huwelijk van zijn vader, stierf later ook aan die longziekte, toen Bento zeventien was. In de jaren daarna verloor hij ook zijn stiefmoeder en zijn zus Esther. Sindsdien moet Spinoza hun graven ieder jaar hebben bezocht om gebeden te zeggen op de jaartijd van hun overlijden. De boottocht naar de laatste rustplaats van zijn vader, Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel, een kilometer of tien stroomopwaarts, moet dus overbekend voor hem zijn geweest, maar daarom niet minder treurig. 

De grafzerken van Spinoza’s ouders liggen nog altijd op Beth Haim, zij het sterk verweerd. Ook de graven van rabbijnen die hem hebben onderwezen en betrokken waren bij zijn verbanning, Menasse ben Israel, Saul Levi Morteira en Isaac Aboab, zijn nog te bezoeken. Voorbijgangers leggen er af en toe een steentje op.

De verweerde grafzerken van Spinoza’s ouders liggen nog altijd op Beth Haim in Ouderkerk

Behalve wees, was Bento nu de oudste man van het gezin en werd hij geacht zijn stiefmoeder, broer en zusters te onderhouden. De handel in zuidvruchten van wijlen Michael had sterk te lijden gehad onder de Eerste Engelse Oorlog en hij was zo goed als failliet. Na zijn dood wilde Bento met een schone lei beginnen en richtte met zijn broer de firma Bento y Gabriel Despinoza voor import en export op. 

Op de plek van de voormalige Talmoed Tora-synagoge herinnert een citaat van Jaap Meijer aan het gebedshuis

De nagelaten schulden van zijn vader bleven hem echter achtervolgen en dreven de spanningen tussen Spinoza en de kehilla Talmoed Tora op de spits. De jonge koopman begon namelijk praatjes te krijgen en hing gevaarlijk veel rond met beruchte vrijdenkers. Maar daarover meer in de volgende afl evering van deze serie.

De Joodse geschiedenis van Amsterdam 1492-1654

1492 Joden worden uit Spanje verdreven. Velen trekken naar Portugal, vanwaar ze later eveneens moeten vluchten.

1590 De eerste Sefardische vluchtelingen vestigen zich in Amsterdam.

ca. 1600 Michael de Spinoza, vader van Baruch, vlucht als kind met zijn ouders uit Portugal naar Amsterdam.

1619 De raad van de stad Amsterdam kent Joden het recht toe hun godsdienst te belijden, maar beperkt ook hun economische en politieke rechten.

1632 Baruch de Spinoza wordt op 24 november geboren.

1638 Spinoza’s moeder overlijdt.

1639 De drie Portugese synagogen in Amsterdam fuseren.

1639-1646 Spinoza bezoekt lagere school Ets Haim.

1646-1649 Spinoza bezoekt de jesjiva van rabbijn Saul Levi Morteira.

1649 Na de dood van zijn broer Isaac komt Spinoza bij zijn vader in de zaak werken.

1654 Spinoza’s vader overlijdt. De firma Bento y Gabriel d’Espinoza wordt opgericht.

Jaron Beekes publiceerde in 2011 de graphic novel De lens van Spinoza.

Foto’s: Claudia Kamergordoski

Dit artikel verscheen eerder in NIW 01, 5780 en kwam mede tot stand dankzij Maror.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *