Achtergrond

Joden en Perzen: een grillige historie

Hoewel het regime in Teheran welhaast wekelijks de vernietiging van de ‘zionistische entiteit’ predikt, denkt een groot aantal Iraniërs daar anders over. Joden en Perzen: een lange haat-liefdeverhouding in vogelvlucht.

Esther Voet 22 december 2021, 12:15
Joden en Perzen: een grillige historie

Dit artikel verscheen eerder in NIW 10– 5780 / 2019
Een naar Nederland gevluchte Iraanse vriend bezocht een paar jaar geleden de Levinskymarkt in Tel Aviv en vertelde na terugkomst ontroerd: “Het was alsof ik terug was in Iran. Overal kwam ik producten, kruiden en specerijen uit de Iraanse keuken tegen en er werd Farsi gesproken. Ik voelde mij weer even thuis.”

Ooit vluchtten er zo’n 80.000 Joden uit Iran, nu wordt het aantal Israëli’s van Iraanse afkomst geschat op tussen de 200.000 en 250.000. Een andere grote Iraans-Joodse gemeenschap woont in de VS, waar aan de Westkust diverse koosjere Iraanse restaurants te vinden zijn.

In Nederland konden wij kennismaken met de magnifieke islamitische kunst dankzij de in Isfahan geboren en in Londen woonachtige Joodse hoogleraar, filantroop en curator van de stad Jeruzalem, Nasser Khalili (1945). Zijn wereldberoemde collectie met een geschatte waarde van ongeveer zeshonderd miljoen euro, werd in 2010 getoond in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Werken uit Khalili’s verzameling werden ook gebruikt door de makers van de lichtshow die wordt getoond in de Citadel van David om de geschiedenis van Jeruzalem in beeld te brengen, met projecties van Jezus, Mozes en Mohammed, en zelfs een beeltenis van de wonderbaarlijke nachtreis (Mi’raj) naar de Al-Aqsamoskee van de profeet Mohammed, gezeten op zijn magische paard Buraq.

Dubbelleven
De Perzen, Iraniërs zo u wilt, bestaan uit een lappendeken van volkeren. De meerderheid is sjiitisch, in tegenstelling tot hun soennitisch-Arabische geloofsbroeders. Tussen Perzen en Arabieren heeft het nooit echt geboterd, zo blijkt uit het boek In The Shadow of The Sword van historicus Tom Holland, die gedetailleerd de vroegchristelijke en -islamitische geschiedenis uit de doeken doet. Perzen spreken ook geen Semitische taal, maar een Indo-Europese, het Farsi.

Iraniërs gaan er prat op altijd een goede verhouding met hun Joodse inwoners te hebben gehad, maar dat moet met een korrel zout genomen worden. Want ook in Iran hebben Joden door de eeuwen heen lange perioden onder grote druk gestaan. Dat staan ze nog steeds. De naar schatting 8.500 Joden die er nog wonen, proberen zo veel mogelijk onder de radar te blijven en niet te koop te lopen met hun identiteit, hoezeer door Iran ingefluisterde propagandaverhaaltjes in de Nederlandse media ook anders willen doen geloven.

Bas Belder, voormalig Europarlementariër en historicus, publiceerde begin december nog een artikel in het Friesch Dagblad over de huidige situatie van de gemeenschap in Iran en schetst een realistisch beeld van het dubbelleven Joden daar leiden. “Deze kleine gemeenschap figureert voor Teheran als teken van hun eigen verdraagzaamheid, kosmopolitisme en beschaving. Op grond van de Joodse presentie op eigen staatsgebied claimt Iran een islamitische democratie te zijn. […] Een bewind dat openlijk de authenticiteit van de Holocaust in twijfel trekt, voortdurend oproept tot de vernietiging van de staat Israël en de publieke opinie ophitst tegen het Joodse volk (‘onrein’) in het algemeen.”

Of het Iraanse volk zelf net zo denkt als het moellahbewind, mag in twijfel worden getrokken. In 2012 begon de Israëlische vormgever Ronny Edry een spontane facebookactie ‘Israel ♥ Iran’, die door de Iraanse Majid Nowrouzi werd beantwoord met ‘Iran ♥ Israel’. Het was een groot succes. Iraniërs wensten Israëli’s een vrolijk Pesach, Israëli’s wensten Iraniërs een Happy Nowruz, Iraans nieuwjaar. Er werd zelfs online een campagne gestart door de Iraanse Roya Mobasheri om de twee initiatiefnemers de Nobelprijs voor de Vrede toe te kennen. Helaas zonder succes.

Maar wat is er waar van die ‘verhulde’ liefde tussen de twee volkeren?

Ze kopen treife vlees, maar geven het aan de huisdieren. Kelders worden ingericht als synagogen

Meden en Perzen
Ongeveer 800 voor de gangbare jaartelling wordt voor het eerst melding gemaakt van het Perzische volk, dan nog aangeduid als de Parsu. Het zijn Indo-Europeanen, die vanuit het gebied rond de Zwarte en Kaspische zee naar wat nu Iran heet, migreerden. Dat deed ook een ander volk van eenzelfde oorsprong, de Madai, de Meden. De Perzen versloegen de Meden en zo ontstond een groot Perzisch rijk, waarvan Cyrus II de grootste koning werd. Misschien is Darius III bekender, maar die dankt zijn eeuwigheidswaarde vooral aan het verliezen van de strijd tegen de Grieken onder Alexander de Grote.

Lang voordat Alexander het rijk veroverde, kende Perzië dus al een Joodse bevolking. Volgens een Joodse legende zou al in de achtste eeuw v.d.g.j. de eerste Jood het rijk zijn binnengekomen. Of liever, de eerste Jodin. Serah bat Asher was een kleindochter van Jozef, de zoon van Jakob, en zij kwam uiteindelijk in Perzië terecht. De eerste Joodse gemeenschappen ontstonden al rond 720 v.d.g.j. bij Ekbatana in West-Iran en in Susa in Zuidwest-Iran, en in 680 v.d.g.j. in het kunstzinnige Isfahan.

In de Tenach wordt het Perzische rijk met regelmaat genoemd. Niet alleen kennen we het verhaal van Ester, maar ook Daniël 8:3 heeft het over de ‘tweekoppige ram’, waarmee het land van Meden en Perzen wordt bedoeld. Ook in het boek Ezra staan diverse verwijzingen. Net als in Habbakuk, dat zelfs een vroegere geschiedenis vertelt uit het laatste kwart van de zevende eeuw v.d.g.j. – nog voor de vernietiging van de eerste Tempel en het begin van de Babylonische ballingschap. Volgens één legende ligt Habbakuk zelfs in het huidige Iran begraven, zijn graf gemarkeerd door een mausoleum in Tuyserkan, in West-Iran. Volgens een andere traditie ligt hij in Opper-Galilea, dichtbij Tsefat.

Het Perzische rijk op een kaart uit 1736

Invloedrijk
Nadat Nebukadnezar II de intelligentsia uit Juda in 587 v.d.g.j. had weggevoerd, duurde het niet lang voordat een nieuwe koning aan het bewind kwam. Koerash, die wij kennen als Cyrus II (Cyrus de Grote) en die volgens historicus Herodotus in 559 v.d.g.j. de troon besteeg, gaf de Joden in zijn rijk permissie om de Tempel in Jeruzalem weer op te bouwen en volgens de Tenach (Ezra 1:7) gaf hij zelfs de geroofde Tempelschatten terug. Naar verluidt trokken meer dan 40.000 Joden terug naar hun thuisland en uiteindelijk zou de Tempel in Jeruzalem in 515 v.d.g.j. opnieuw worden ingewijd. Maar veel Joden bleven waar zij zaten. Ze werden invloedrijk en tijdens de hoogtijdagen van het Perzische rijk zouden ze volgens schattingen zelfs twintig procent van de bevolking uitmaken. Een groot deel van hen assimileerde.

Cyrus hield, net als de Assyriërs voor hem, het Aramees aan als de geschreven, administratieve taal van zijn rijk. Het was Cyrus die het dualistische zoroastrisme als staatsreligie invoerde. Dat zou het blijven totdat in de zevende eeuw v.d.g.j. aanhangers van de islam het gebied veroverden. Cyrus stelde geen nieuwe Joodse onderkoning in Jeruzalem en omstreken aan. Hij had meer fiducie in een priesterkaste. Zo werd de regio een theocratie. Zerubbabel, afstammeling van koning David, werd door hem benoemd tot hogepriester.

Iran pronkt tot op de dag van vandaag met de Cyruscilinder, een kleirol met spijkerschrift, die door sommigen wordt beschouwd als de eerste opschriftstelling van mensenrechten – maar het is eerder een belofte voor vrede en veiligheid in het rijk. Toch wordt Cyrus II over het algemeen gezien als een verlicht despoot.

Dat het in later jaren niet altijd pais en vree was tussen de Perzische meerderheid en de Joden, blijkt uit het verhaal van Ester. Maar de bevolkingsgroepen hadden ook een hoge mate van culturele uitwisseling. Zo werd de datum van Poeriem, waarop het verhaal van Ester wordt gevierd, gelijkgesteld aan die van het zoroastriaanse lentefestival Fravardigan.

Joodse koning
Nadat het rijk van Alexander de Grote uiteenviel, maakten de Parthen de dienst uit in het gebied. Zij gaven Joden een grote mate van zelfbestuur. De Joden dreven handel met het Romeinse rijk, dat op gespannen voet met de Parthen stond. Daarna kwamen de Sassaniden en volgde een zeer grillige periode. Sassaniden beriepen zich op ‘puur Arisch bloed’ (de naam Iran komt van het woord Ariër, maar daarover later meer) en ze streefden naar de wederopstanding van het grote Perzische rijk. Er is een geschrift uit de derde eeuw waarin zoroastriaanse priesters vertellen hoe ze Joden en christenen in het rijk hebben ‘verpletterd’.

De ene koning was de Joden goed gezind, de andere niet. Er werden onderdrukkende wetten opgelegd die door een volgende koning weer werden versoepeld. Eind vierde eeuw kwam Yezdegerd I op de troon, een intelligente vorst die ruim twintig jaar heerste. Hij trouwde een Joodse vrouw, zij werd koningin en de moeder van de latere Bahram V, beroemd om zijn liefde voor literatuur, kunst, zijn charme en romantische avonturen. Hij vocht tegen de Romeinen een veldslag die onbeslist bleef, maar sloeg een invasie van nomaden uit het noorden neer, waarvoor de inwoners van Bukhara (Oezbekistan) hem tot eeuwen daarna dankbaar bleven. Bahram V prijkte tot diep in de middeleeuwen op hun munten. Toch moet worden gezegd dat de Sassaniden over het algemeen intolerant stonden tegenover andere geloven dan het zoroastrianisme.

Islamitisch rijk
Dan, in 642, verslaan de Arabieren, dat volk waarmee de Perzen niets op hebben, de laatste koning van de Sassaniden. Het luidt het einde in van het Perzische rijk en van het zoroastrisme als staatsgodsdienst. De islam doet zijn intrede. Joden en christenen worden dhimmi’s, niet-islamitische ingezetenen van het islamitische rijk. Ze mogen blijven, maar alleen tegen betaling van hoge belastingen. Ook in deze vroeg-islamitische periode verschilt de manier waarop ze worden behandeld van dynastie tot dynastie. Daarbij moet worden aangetekend dat ze een grotere economische en religieuze vrijheid genieten dan hun geloofsgenoten in veel Europese landen. Deze periode duurt tot halverwege de dertiende eeuw. Joden mogen arts en wetenschapper worden, ambachten uitoefenen en sommigen bereiken hoge posities. Er blijven belangrijke banden bestaan tussen de verschillende Joodse gemeenschappen in het hele Midden-Oosten.

Dit is de tijd waarin de Babylonische Talmoed gestalte krijgt, een veel uitgebreidere versie dan de Jeruzalemse. Deze ‘Talmoed Bawlie’ is ook de bron voor de mystieke Joodse leer, de kabbala.

Joden mogen niet naar buiten als het regent. De sjiieten zijn bang dat het water de Joodse onreinheid geleidt

Weer een nieuwe periode breekt aan met de Mongoolse heerschappij, die tot begin veertiende eeuw duurt. Zij kiezen Tabriz als hun hoofdstad en verklaren alle religies gelijkwaardig. Weg met de dhimmi-status dus. Joden worden zelfs op strategische, administratieve posities gezet, en Arghun Khan benoemt de Jood Sa’d al-Daula tot zijn grootvizier.

De islamitische geestelijkheid ziet het tandenknarsend aan. Als Arghun in 1291 sterft, staat het gepeupel van Tabriz al klaar. De christelijke historicus Bar Hebraeus schrijft dat het geweld tegen de Joden “met geen mond of pen te beschrijven is.” Een van de opvolgers van Arghun, Mahmud Ghazan Khan, bekeert zich tot de islam. Zijn opvolger, Öljeitü, vernietigt de synagogen van Tabriz, laat zowel Joden als christenen een duidelijk herkenbaar teken op hun hoofden dragen en eist dat al zijn onderdanen zich bekeren. Onder hen oud-grootvizier Rashid al-Din-Hamadani, een Joodse natuurkundige, schrijver en historicus. Hij schrijft een enorm boekwerk over de geschiedenis van de islam, en wordt tot grootvizier van Öljeitü benoemd. In 1318 wordt Rashid vermoord nadat hij ervan is beschuldigd Öljeitü te hebben vergiftigd. Zijn hoofd wordt door de straten gedragen, terwijl de meute scandeert: “Ziehier het hoofd van de Jood die de naam van Allah ijdel heeft gebruikt. Dat hij door Allah mag worden vervloekt.”

Perzisch manuscript met de Tehillim (Psalmen) in het Hebreeuws

Onrein
In 1383 verovert Timoer Lenk, hoofdman van een andere Mongoolse stam, moordend en rovend Perzië. De buit sleept hij mee naar zijn thuisbasis Samarkand. Ook Joden neemt hij mee, om er een textielindustrie op te zetten; Samarkand ligt op de zijderoute.

Ook de volgende dynastieën zijn geen goed nieuws voor Joden. De Safawieden (begin zestiende eeuw) roepen zichzelf uit tot sjiieten. Sjiieten vinden iedereen die dat niet is, onrein, naji’s. Ze mijden contact met Joden. Joden mogen niet naar buiten als het regent; de sjiieten zijn bang dat het water de Joodse onreinheid geleidt.

Even lijkt er versoepeling van het bewind te komen onder sjah Abbas (1588-1629), Joden mogen zich vestigen in zijn nieuwe hoofdstad Isfahan. Maar ook hij wordt onverdraagzaam. Een van zijn opvolgers verbant in 1656 alle Joden uit Isfahan, die zich niet bekeren. Vijf jaar later mogen ze hun geloof weer uitoefenen, maar ze moeten wel een teken op hun kleding blijven dragen.

In 1747 worden Joden in de heilige sjiitische stad Mashhad afgeslacht na de moord op Nadir Sjah. Wie zich bekeert, mag blijven leven. In het geheim leven ze als Joden verder. In 1839 staan ze opnieuw voor de keuze: bekeer of sterf. Veertig Joden worden vermoord. Tweehonderd Joden in Mashhad wonen in een getto. De groep zou de islam hebben beledigd, en het stadsbestuur geeft de bevolking een vrijbrief om de Allahdad (Allahs gerechtigheid) uit te voeren, bekeer of sterf.

Zij die zich bekeren, gedragen zich als moslim en ondernemen de hadj. Maar ze geven de kinderen een tweede, Hebreeuwse naam. Ze kopen treife vlees, maar geven het aan de huisdieren. Kelders worden ingericht als synagogen en de verbrande heilige boeken worden overgeschreven.

Hervormingen
Lord Curzon, onderkoning van het Britse Rijk eind negentiende eeuw, schrijft over de leefomstandigheden van Joden onder de dan regerende Kadjarendynastie in Perzië: “In Isfahan, waar zo’n 3.700 Joden zouden wonen, genieten ze een betere status dan in andere regionen van Perzië. Daar mogen ze geen kolah dragen, de Perzische hoofdbedekking, geen winkels hebben of huizen bouwen die net zo hoog zijn als die van hun islamitische buren, of op straat een dier berijden. In Teheran en Kashan is er een groot aantal dat een goede positie inneemt maar in Shiraz zijn ze er zeer slecht aan toe. In Bushire bloeit de gemeenschap en worden ze niet vervolgd.”

Zo krijgt Europa notie van de gedwongen bekeringen en bloedbaden in het Perzische rijk. Men probeert de heersers op andere gedachten te brengen, wat niet lukt.

Pas als een nieuwe dynastie, vertegenwoordigd door Reza Pahlavi (geboortenaam Reza Khan), in 1925 aan de macht komt, keert het tij. Hij is de vader van de laatste sjah van Perzië. Geïnspireerd door Atatürk voert hij hervormingen door, ook vrijheid van religie. Hij verbiedt de massale bekeringen, en Joden mogen niet meer als onrein worden beschouwd – wat de sjiitische geestelijken niet leuk vinden. Aardig detail: Reza Khan is nog enige tijd bediende van de Nederlandse consul in Teheran, voordat hij in 1921 een coup pleegt op de Kadjaren-dynastie en in 1926 tot sjah wordt gekroond. Hij neemt de naam Pahlavi aan, een oude Perzische naam van voor de islamitische tijd. De Joden van Mashhad durven hun geloof weer in het openbaar te belijden. In 1935 verandert hij de naam van het land van Perzië in Iran, de naam die verbonden is aan het woord Ariër, om duidelijk te maken dat Perzen geen Arabieren zijn.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Iran helpt Joodse vluchtelingen uit Polen, die in Teheran een veilig onderkomen vinden. Maar Reza heeft het politieke spel tussen de Russen en de Britten niet goed door, en de geallieerden vinden dat hij te veel flirt met Hitler. De Russen en Britten bezetten Iran, en in 1941 doet hij gedwongen afstand van de pauwentroon, ten faveure van zijn zoon Mohammed Reza Pahlavi. De vader wordt verbannen naar Johannesburg, waar hij in 1944 sterft. Ook onder het bewind van de zoon krijgen Joden het steeds beter. Mohammed zet zijn vaders prowesterse beleid voort. Toch gaat het zo nu en dan nog mis – zoals in 1946, opnieuw in de heilige stad Mashhad. Na anti-Joodse rellen verlaten Joden de stad massaal en trekken naar Teheran waar ze synagogen oprichten. Sommigen verlaten het land voorgoed. Deze ‘Mashhadi-Joden’ vormen in Israël nog altijd een hechte gemeenschap.

Gouden tijden
Zoon Mohammed Reza Pahlavi is nog westerser ingesteld dan zijn vader, maar er heerst veel corruptie onder zijn bewindvoerders. Hij komt begin jaren vijftig in conflict met zijn eerste minister Mohammad Mossadegh over de nationalisering van de olievoorraden. Intussen zijn vanaf 1948 al veel Joden, vooral de armsten, geëmigreerd naar Israël of Amerika. In 1953 wordt Mossadegh op een zijspoor gezet. De Iraanse Joden die blijven, beleven onder Mohammed gouden tijden. Ze zijn oververtegenwoordigd op universiteiten en in het regeringsapparaat. Slechts één procent wordt als arm bestempeld, de rest doet het economisch goed of is zeer welgesteld. Mohammed Reza kan niet openlijk zijn steun aan de Joodse staat Israël verlenen, maar onder de radar zijn er warme banden. Er zijn foto’s met Mossadagenten die de sjah beschermen tegen de oppositie en de sjiitische geestelijkheid, met de verbannen Khomeini als leider.

De sjah kondigt de Witte Revolutie aan, die Iran technisch en industrieel op een hoger plan moet brengen. De spoorwegen en de luchtvaart krijgen een impuls. Daar staat tegenover dat de Iraanse geheime dienst, de SAVAK, iedere tegenstem van het bewind onderdrukt. De sjah veronachtzaamt het conservatieve platteland en de studenten die protesteren tegen de puissante luxe waarin hij zich wentelt.

Het mausoleum van Habakuk in Tuyserkan

In 1979 is het verzet niet meer te stoppen. Khomeini, de leider van de sjiitische geestelijken, keert terug uit zijn Franse ballingschap. Zijn geestelijken, die al eeuwen op gespannen voet met de Joodse bevolking staan, nemen de macht in het cultureel uiterst ontwikkelde Iran over. In mei 1979 wordt de voorzitter van de Joodse gemeenschap en bekende filantroop, de 66-jarige Habib Elghanian, door de Revolutionaire Garde vermoord omdat hij voor de Israëli’s en Amerikanen zou hebben gespioneerd. Meer executies van Joden volgen. “De executie van Elghanian was vooral politiek, om de Iraanse Joden te laten zien dat hun tijd als gelijkwaardige en invloedrijke staatsburgers tot een einde was gekomen,” zegt Frank Nikbakht, een activist die nu in Los Angeles het Comité voor de rechten van minderheden in Iran leidt.

Alle premiers in Iran lopen sindsdien aan de leiband van de Khomeini-erfgenamen. President Mahmoud Ahmadinejad (2005-2013) moet het veld ruimen wanneer het de moellahs verstandiger lijkt om een gematigder toon aan te slaan, om de EU gunstiger te stemmen. Maar de onderliggende boodschap blijft hetzelfde: de sjiitische islam wil zijn macht uitbreiden en doet dat door terroristische organisaties te ondersteunen, waarmee de machtsverhoudingen in het Midden-Oosten worden gedestabiliseerd. Zowel in de soennitische als in de sjiitische wereld blijven Joden een gemeenschappelijke vijand. Dus wat is beter dan de ‘zionistische entiteit’ de schuld van alle kwaad te geven?

Muur uit de zestiende-eeuwse synagoge, nu in het Jewish Museum New York

Gelukkig zijn er in Nederland hechte vriendschappen ontstaan tussen Joden en gevluchte Iraniërs. De gemeenschappelijke angst voor het moellahbewind blijft. Maar toen het NIW Joden zocht om hun verhaal te vertellen voor onze serie Joodse vluchtelingen uit islamitische landen, vonden we velen die daartoe bereid waren – behalve die uit Iran. Niemand durfde met ons te praten. Zelfs niet anoniem, want Iran leest mee.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *