Nieuws

Kristallnachtherdenking: Verklaring van de Protestantse Kerk in Nederland over erkenning van schuld

Redactie 08 november 2020, 18:01
Kristallnachtherdenking: Verklaring van de Protestantse Kerk in Nederland over erkenning van schuld

Voorwoord

Eindelijk ligt hier een ‘Verklaring over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’. Te lang heeft deze verklaring ten aanzien van de rol van de kerken in en direct na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van de Joodse gemeenschap in Nederland op zich laten wachten. Nu is het moment daar, ruim 75 jaar na de bevrijding, volgend op een periode van onvoorstelbare onderdrukking en vernietiging van levende Joodse gemeenschappen.

In deze brochure treft u de verklaring van de Protestantse Kerk aan de Joodse gemeenschap in Nederland aan, met vervolgens een toelichting daarop. Er is een kort artikel over excuses vragen en schuld belijden. Het geheel wordt in een historisch kader gezet, waarbij gekeken wordt naar de rol van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, de voorlopers van de Protestantse Kerk in Nederland, in en direct na de Tweede Wereldoorlog ten aanzien van de Jodenvervolging.

Dit is een moment van schroom, bescheidenheid én van een uitgestoken hand naar de levende Joodse gemeenschappen. Het is ons verlangen om de weg die wij al eerder met elkaar zijn ingeslagen te vervolgen, zodat we elkaar beter leren kennen, elkaar versterken, elkaar steunen waar nodig en groeien in vriendschappelijke relaties. Dit alles in een diep verlangen om van betekenis te zijn in de samenleving en daarin een positief verschil te maken.

Namens de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland
ds. Marco Batenburg, preses dr. René de Reuver, scriba

Verklaring van de Protestantse Kerk in Nederland over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst

Kristallnachtherdenking, 8 november 2020
Ook aan het einde van dit 75e jaar van onze bevrijding komt de Joodse gemeenschap van Nederland in Amsterdam bijeen voor de Kristallnachtherdenking. In de nacht van 9 op 10 november 1938 begon met een eerste pogrom de gewetenloze, machinale moordcampagne waaraan in de daaropvolgende jaren zes miljoen Joden ten prooi vielen. Maar zoals Abel Herzberg schreef in zijn dagboek uit Bergen Belsen: Er zijn in de Tweede Wereldoorlog geen zes miljoen Joden uitgeroeid, maar er is één Jood vermoord en dat zes miljoen keer. Ook andere groepen vielen uitsluiting, wegvoering en moord ten deel.

Het is onvoorstelbaar hoe groot het verdriet is dat de Shoah in de Joodse gemeenschap heeft teweeggebracht en hoe diep de pijn die de overlevenden hebben gevoeld. Een pijn die door de volgende generaties wordt meegedragen en ervaren. Het is in erkenning van dat verdriet en van die pijn dat de Protestantse Kerk in Nederland zich richt tot de Joodse gemeenschap in ons land. Nog niet eerder zocht de Protestantse Kerk op deze wijze het gesprek met onze Joodse gesprekspartners. Dat dit pas in het 75e jaar van de bevrijding geschiedt, is laat. Naar wij hopen niet té laat.

De Protestantse Kerk in Nederland wil zonder terughoudendheid erkennen dat de kerk mede de voedingsbodem heeft bereid waarin het zaad van antisemitisme en haat kon groeien. Eeuwenlang werd de kloof in stand gehouden die later de Joden in de samenleving dusdanig kon isoleren dat ze konden worden weggevoerd en vermoord. Ook in de oorlogsjaren zelf heeft het de kerkelijke instanties veelal aan moed ontbroken om voor de Joodse inwoners van ons land positie te kiezen. Dit ondanks de daden van ongelofelijke persoonlijke moed die, God-zij-dank, ook door leden van de kerken werden verricht. Met dankbaarheid gedenken wij hen die de moed hadden om tijdens de oorlog in verzet te komen.

De Protestantse Kerk erkent tevens dat de opvang van de Joden die na 1945 terugkeerden in onze samenleving tot schrijnende situaties heeft geleid. De problemen die werden ondervonden bij de terugkeer van oorlogspleegkinderen naar de Joodse gemeenschap en bij de restitutie van bezit zijn daarvan pijnlijke voorbeelden.

In de erkenning van dit alles belijdt de kerk schuld. Vandaag in het bijzonder tegenover de Joodse gemeenschap. Want antisemitisme is zonde tegen God en tegen mensen. Ook de Protestantse Kerk is deel van deze schuldige geschiedenis. Wij schoten tekort in spreken en in zwijgen, in doen en in laten, in houding en in gedachten. Mogen alle slachtoffers van de grote verschrikking een gedachtenis en naam (Hebreeuws: Yad vaShem) hebben in het hart van de Eeuwige, de God van Israël. Dat alle geliefden die worden gemist, niet worden vergeten. Zoals geschreven staat: Aarde, dek mijn bloed niet toe, laat mijn jammerklacht geen rustplaats vinden. (Job 16:18)

We nemen onszelf voor alles te doen wat mogelijk is om de joods-christelijke relaties verder uit te laten groeien tot een diepe vriendschap van twee gelijkwaardige partners, onder andere verbonden in de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme.

Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland dr. René de Reuver, scriba

Toelichting bij de Verklaring
De ‘Verklaring over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’ is een verklaring van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland. Niet eerder heeft de Protestantse Kerk (of een van haar voorlopers) zo volmondig schuld beleden, en de pijn en het verdriet erkend die de Shoah teweeg heeft gebracht bij de Joodse gemeenschap tot op de huidige dag. Wat al lang had moeten gebeuren, vindt nu plaats in het jaar waarin 75 jaar bevrijding wordt herdacht. Een bevrijding die voor vele Joodse landgenoten een bittere nasmaak heeft gekregen door de zeer tekortschietende opvang van hen die na 1945 terugkeerden (problemen bij de terugkeer van oorlogspleegkinderen naar de Joodse gemeenschap en bij de restitutie van bezit).

Eerdere kerkelijke verklaringen over de Shoah
Er is wel een vroege verklaring van de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk, die in een brief aan de Duitse kerken, gedateerd 9 maart 1946, schreef: ‘God heeft ons de kracht gegeven de strijd tegen het nationaal-socialisme te voeren. We bekennen openlijk voor God en de wereld, dat we in deze strijd niet voldoende trouw, bereid tot offers en dapper geweest zijn.’ Deze verklaring was echter aan de Duitse kerken gericht (en dus niet aan de Joodse gemeenschap) en ook heeft ze de Jodenvervolging niet tot onderwerp. Het gaat hier om een reactie van de Nederlandse Hervormde Kerk op de verklaringen die in Stuttgart (Stuttgarter Erklärung, 1945) en Darmstadt (Darmstädter Wort, 1947) door (een deel van) de Landeskirchen EKD werden ondertekend. Ook die beide verklaringen hebben de Holocaust niet tot onderwerp en zijn niet gericht aan de Joodse gemeenschap. Het gaat hier om een schuldbelijdenis omdat de kerk tegenover de ideologie van het nazisme heeft gefaald.

Pas vanaf 1948 komt het antisemitisme in het vizier. Opnieuw in Darmstadt, in 1948, en in Amsterdam met de oprichting van de Wereldraad van Kerken, ook in 1948. Eerder was dat natuurlijk ook al het geval in de aanloop naar bijvoorbeeld de oprichting van de International Council of Christians and Jews (ICCJ), in 1947 in Seelisberg. De alertheid op antisemitisme was een reactie op de Jodenvervolging. Dit besef stond echter in die eerste jaren nog ver weg van de officiële kerkleiding.

Excuses van premier Rutte
Al vele jaren is, met golfbewegingen, door velen aan de kerk gevraagd schuld te belijden. De urgentie is al zo lang gevoeld. Er is geen excuus voor deze te late erkenning van schuld en verantwoordelijkheid. Juist in dit jaar van 75 jaar bevrijding is het belangrijk om een boodschap te sturen aan de Joodse gemeenschap over erkenning van schuld en over onze verantwoordelijkheid voor de toekomst. Tijdens de Nationale Holocaust Herdenking bij het Spiegelmonument ‘Nooit meer Auschwitz’ in het Wertheimpark in Amsterdam op zondag 26 januari 2020, sprak premier Rutte namens de regering zijn excuses uit voor het handelen van de overheid in de oorlogsjaren. Tijdens deze herdenking was een vertegenwoordiging vanuit het moderamen van de Protestantse Kerk aanwezig. De indrukwekkende woorden van de premier vormden mede de aanleiding tot een bezinning binnen de Protestantse Kerk, maar zeker niet de enige aanleiding. De eerste aanzet tot deze verklaring werd genomen door ds. Dick Pruiksma, toen voorzitter van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël. Contact werd gezocht met een aantal Joodse gesprekspartners, en er was een nauw contact met het bestuur van het Centraal Joods Overleg. Historicus dr. Bart Wallet werd verzocht om bij de verklaring een historische duiding te geven en het geheel in de context te zetten van wat de kerken hebben gedaan en nagelaten te doen ten aanzien van de Joodse gemeenschap, in en direct na de Tweede Wereldoorlog. De aanvankelijke bedoeling was om met deze verklaring te komen op Jom haSjoa, maandag 20 april. Door de coronacrisis leek het in overleg raadzamer om naar een andere datum te zoeken: de Kristallnachtherdenking op 8 november 2020.

Bij de tekst
Na goed geluisterd te hebben naar de reacties en commentaren van Joodse zijde is er een eigen tekst opgesteld. Dit is een kerkelijke tekst. In lijn met eerdere uitspraken en verklaringen wordt onomwonden gesproken over antisemitisme en de rol die de kerken daarin hebben gespeeld. Verder wordt gekeken naar het heden: de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme. Er vallen woorden als ‘schuld en verantwoordelijkheid’, kerkelijke taal waar anderen misschien ‘excuses en verantwoordelijkheid’ zouden gebruiken. Schuld is een beladen woord en zegt niet alleen iets over de verhouding tussen mensen, maar ook over de verhouding tussen mensen en God. Schuld heeft met zonde te maken. ‘Antisemitisme is zonde tegen God en mensen’, staat in de verklaring. Het is een verwijzing naar wat op de eerste Assemblee van de Wereldraad van Kerken te Amsterdam in 1948 werd gezegd: ‘Antisemitism is sin against God and man.’ Op 20 januari 2020 werd dit statement herbevestigd door de Wereldraad van Kerken: ‘Antisemitism is irreconcilable with the profession and practice of the Christian faith.’

In de verklaring wordt erover gesproken dat het de kerkelijke instanties in de oorlogsjaren veelal aan moed heeft ontbroken om voor de Joodse inwoners van ons land positie te kiezen. Het woord ‘veelal’ wordt niet gebruikt om de erkenning van schuld af te zwakken, maar om ook recht te doen aan de inzet van personen en instanties. Het begeleidende artikel van dr. Bart Wallet geeft een verdere historische duiding. De bijbeltekst uit Job 16:18 die aan het einde van de verklaring wordt genoemd, staat op het monument van de gedenkplaats Bikernieki bij Riga (Letland) waar de resten van 20.000 slachtoffers van de Shoah begraven liggen. De tekst staat eveneens op het monument aan de Umschlagplatz in Warschau, waar meer dan 300.000 mensen werden gedeporteerd naar Treblinka. De tekst verwoordt treffend en schrijnend de jammerklacht van verdriet en pijn die nooit tot zwijgen zal komen. In de Joodse uitleg bij Job 16:18 wordt wel verwezen naar Genesis 4:11, waar de HEER tegen Kaïn zegt dat hij weg moet gaan van de aardbodem die haar mond heeft opengesperd om het vergoten bloed van zijn broer Abel te ontvangen.

Verantwoordelijkheid om antisemitisme tegen te gaan
Het alert zijn op antisemitisme is een voortdurend aandachtspunt in de Protestantse Kerk in Nederland. Bewustwording van wat antisemitisme is en bestrijding ervan wordt expliciet genoemd in Ordinantie 1, artikel 2 van de Kerkorde. Er zijn in de afgelopen jaren stappen gezet, zeker op het gebied van bewustwording, o.a. door middel van studiedagen en artikelen. In aanloop naar 2017, het jaar waarin 500 jaar Protestantisme werd gedacht en gevierd, heeft de Protestantse Kerk in 2016 afstand gedaan van de anti-Joodse uitlatingen van Luther. Bij aanslagen heeft de Protestantse Kerk de Joodse gemeenschap in Nederland een hart onder de riem gestoken en haar medeleven betoond. Scriba dr. René de Reuver schreef in mei 2019: ‘Pak antisemitisme bij de wortel aan!’ Samen met de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland heeft de Protestantse Kerk op 28 juni 2019 een signaal tegen antisemitisme doen uitgaan. Eén citaat daaruit:

‘Voor de kerken is het blijvende gesprek met de Joodse gemeenschap in Nederland van groot belang. We rekenen het ook tot onze verantwoordelijkheid er alles aan te doen om antisemitisme in de hele samenleving tegen te gaan en om initiatieven te ondersteunen die daar een dam tegen opwerpen.’

In geval van antisemitisme moeten we vooral inzetten op onderwijs. Dat is de overtuiging van prof. dr. Dineke Houtman. Zij was bijzonder hoogleraar Judaïca aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), een leerstoel vanwege de Stichting tot bevordering van het Wetenschappelijk Onderwijs in de Judaïstiek. Deze leerstoel werd en wordt mede gefinancierd door de Protestantse Kerk. Door deze bijzondere leerstoel en ook binnen het reguliere onderwijs en onderzoek aan de PThU is er aandacht voor de thema’s van antisemitisme, Jodendom, grondtalen van de Bijbel, en Joodse wortels van het christelijk geloof. Antisemitisme kun je tegengaan door er een dam tegen op te werpen, door een positief beeld te geven van het levende Jodendom, door de Joodse wortels van het christelijk geloof te erkennen en te omarmen, en door het joods-christelijk gesprek aan te gaan. Zoals op de website van de Protestantse Kerk staat: ‘Voor de Protestantse Kerk is de relatie met het Joodse volk een essentieel onderdeel van de eigen identiteit.’

Hoe verder?
De tekst eindigt met: ‘We nemen onszelf voor alles te doen wat mogelijk is om de joods-christelijke relaties verder uit te laten groeien tot een diepe vriendschap van twee gelijkwaardige partners, onder andere verbonden in de strijd tegen het hedendaags antisemitisme.’ Deze woorden zullen geen woorden moeten blijven, ze moeten waargemaakt worden. Vriendschap betekent overigens niet het altijd met elkaar eens zijn, maar juist elkaars nieren proeven, elkaar steunen en bemoedigen, en door concrete daden laten zien wat deze vriendschap ons waard is. Uiteraard zal de Protestantse Kerk zich blijven uitspreken tegen iedere vorm van antisemitisme in de samenleving, om daarbij de Joodse gemeenschap in Nederland in haar diversiteit een hart onder de riem te steken. Het signaal dat de Protestantse Kerk aan de Joodse gemeenschap in Nederland wil overbrengen is dat een vitale Joodse gemeenschap een onlosmakelijk deel is van de Nederlandse samenleving.

Dat betekent ook dat wij de hand in eigen boezem steken. De tekst spreekt over de voedingsbodem van antisemitisme in de kerkelijke en christelijke traditie. Er is al veel gebeurd om dit tij te keren. In de vorming van protestantse voorgangers (predikanten en kerkelijk werkers) is er aandacht voor de Joodse wortels van het christelijk geloof, het joods-christelijk gesprek en het antisemitisme. In het huidige curriculum aan de PThU is hiervoor onder meer de eerder genoemde bijzondere leerstoel ingesteld. Maar is het genoeg? Vanuit de Protestantse Kerk en de PThU moet voortdurend gewerkt worden aan het actualiseren hiervan. Het is van groot belang dat de vertaling van verantwoorde exegese en hermeneutiek een doorwerking vindt in lokale gemeenten, waarbij ook de liturgie een belangrijke rol speelt. In de nascholing van predikanten en kerkelijk werkers kan hier een accent op gelegd worden.

In het verleden was er ten behoeve van de joodschristelijke relaties een studiesecretaris in zowel de Nederlandse Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerken in Nederland. Hoewel we nooit moeten terugstaren naar het verleden, kunnen we wel waardevolle dingen uit het verleden op een nieuwe manier meenemen naar het heden. Wij onderzoeken en overwegen binnen de Protestantse Kerk meer ruimte en financiën beschikbaar te stellen om te investeren in joods-christelijke relaties, de bewustwording van en strijd tegen antisemitisme, en om het wezenlijke belang van de Joodse wortels van het christelijk geloof onder de aandacht te brengen en te vertalen naar de lokale gemeenten

dr. Eeuwout Klootwijk is wetenschappelijk beleidsmedewerker voor Kerk en Israël/Joods-christelijke relaties bij de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland

Excuses en schuld. Een korte verkenning
Tijdens de Nationale Holocaust Herdenking in januari 2020 bood premier Rutte namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen, in de Tweede Wereldoorlog, ‘nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn’. Het woord ‘excuses’ gebruikte hij ‘in het besef dat geen woord zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit kan omvatten’. Hij sprak over de ‘opdracht om te blijven herdenken om de doden met hun volle naam te eren, steeds opnieuw rekenschap af te leggen, samen pal te staan in het hier en nu’. Het is een indrukwekkende verklaring die veel positieve reacties heeft gekregen vanuit de Nederlandse samenleving, inclusief de Joodse gemeenschap. Het heeft binnen de Protestantse Kerk en andere kerken geleid tot een verdergaande bezinning. Hoe heeft de kerk gesproken over haar rol in de Tweede Wereldoorlog? Wat is nu van belang om te laten horen? In het kerkelijk spraakgebruik wordt eigenlijk nooit gesproken over ‘excuses’, maar over ‘schuld’. Zoals het maken van excuses gevolgen moet hebben, zo roept ook het belijden van schuld het nemen van verantwoordelijkheid op. In dit artikel diep ik enkele aspecten van het woord ‘schuld’ uit.

Schuld in de Bijbel
Het falen van de mens, het missen van het doel, het voorbijschieten aan je roeping als mens komt in alle toonaarden in de Bijbel aan bod, in verhalen, wetsteksten, liederen, profetische teksten, evangelieverhalen. De Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament, kent meer dan vijftig woorden voor ‘zonde’. Drie springen er daarbij uit:
• chata‘: iets fout doen, zijn doel missen, een gebod overtreden; de fout kan opzettelijk of onopzettelijk zijn.
• pasja’: het opzettelijk schenden van een regel; in opstand komen, meestal tegen God.
• ‘awon: onrecht, ongerechtigheid, misdaad, schuld; dit woord wordt bijna altijd gebruikt voor schuld tegenover God, dus niet tegenover mensen.

De psalmen 32 en 51 spelen met deze woorden en hebben, naast andere teksten, grote invloed gehad in de joodse en de christelijke spiritualiteit. Het zijn boetepsalmen.

‘Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.’ (Psalm 32:5, Herziene Statenvertaling)

Individuele schuld en collectieve schuld worden altijd op elkaar betrokken. Er zijn geen aparte woorden om deze te onderscheiden. Je bent zelf verantwoordelijk voor je daden, en je daden hebben gevolgen voor de gemeenschap waartoe je behoort. De gemeenschap kan op haar beurt in de bres springen voor jouw misstappen en deze voor God brengen. In het Oude Testament gebeurt dit bijvoorbeeld door de offerpraktijk in de tempel. De zonde van de mensen zetelt in hun hart, dat bijbels gezien voor de menselijke wil staat. De Ene doorgrondt het hart, toetst de nieren.

Een beentjelichter is het hart, meer dan alles, ongeneselijk is het,- wie kan het kennen? (Jeremia 17:9, Naardense Bijbel)

In het Nieuwe Testament zijn de woorden zonde (hamartia) en schuld (Grieks: ofeilèma) vrijwel synoniem. Toch is er een accentverschil. Zonde is vooral een misstap en vergrijp tegen God. Schuld is onlosmakelijk verbonden met verplichtingen die mensen onderling hebben: economisch, sociaal, moreel. Schuld betekent dat je iets aan iemand verplicht bent, verschuldigd bent; er wordt een tegenprestatie van je verlangd. Schuld is de consequentie van de zonde. In het Onze Vader komt dit samen:

‘Vergeef ons onze schulden (hamartias), want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig (ofeilonti) is.’ (Lucas 11:4, Nieuwe Bijbelvertaling)

De onlangs overleden emeritus hoogleraar bijbelse theologie dr. Rochus Zuurmond zegt het kernachtig:

‘Schulden zijn altijd een last. Ze dienen te worden betaald of vergoed. In het Onze Vader bidden wij dat ons de schulden zullen worden kwijtgescholden, dat wij zullen worden bevrijd uit de macht die schulden over ons hebben, dat wij vrij zullen zijn van alle bindende, ons verdrukkende verplichtingen. Gods vergeving is er, of wij daar nu om bidden of niet. In het Onze Vader vragen wij dat ook wij daaraan deel zullen hebben.’

Hier wordt het begrip ‘schuld’ gekoppeld aan vergeving. Maar zeker niet als automatisme. Schuld bekennen is een pijnlijk proces met consequenties. Het erkennen van schuld is een begin van omkeer, verandering van gezindheid en gedrag (tesjoeva, metanoia). Vergeving moet je geschonken worden. Op grond van de Bijbel kun je zeggen dat gave en inzet samen op gaan. Je moet er tegelijkertijd iets voor doen: enerzijds het individuele en collectieve falen erkennen, en anderzijds bereid zijn en je inzetten om er iets tegenover te zetten.

Schuld in de protestantse traditie

‘De Bijbel en de christelijke geloofstraditie hebben altijd veel werk gemaakt van de menselijke schuld’, zeggen de hoogleraren dr. Gijsbert van den Brink en dr. Kees van der Kooi in hun Christelijke dogmatiek. Zij wijzen op de belangrijke aanzet die Calvijn gegeven heeft: hij laat namelijk het bewustzijn van eigen falen integraal deel uitmaken van de geloofsrelatie. Het is geen ‘spiritueel voorportaal ervan’. Wat zij bedoelen is dit: bij Calvijn gaan schuldbesef en berouw (poenitentia) niet vooraf aan het christelijk leven. Zo van: eerst belijd je schuld en dan leef je christelijk. Het uitspreken van falen is een blijvend en integraal onderdeel van je geloofsrelatie met God. Ook Luther legt dit accent. Hij stelt dat het hele leven van de gelovigen boetedoening zou moeten zijn.

In de klassieke protestantse liturgie komt dit terug in het onderdeel schuldbelijdenis en genadeverkondiging. In de protestantsoecumenische liturgie zit dit vooral in het Kyrie en Gloria. De nood van de wereld (en dus ook het falen van mensen) wordt uitgeroepen, en er wordt bezongen dat God de wereld niet in verlorenheid laat zuchten.

Terecht wordt in de Christelijke dogmatiek gezegd dat het nog niet zo eenvoudig is om deze noties te laten landen in onze tijd, gestempeld door individualisme. Schuld en zonde zijn geen populaire woorden, en buiten de kerk wordt een woord als ‘zonde’ alleen gebruikt in de betekenis van ‘jammer’, of op z’n Zeeuws ‘t is zonde.

Toch is dat niet het hele verhaal. Er is tegenwoordig een breed gedragen besef van individueel en collectief menselijk handelen dat catastrofale gevolgen heeft. Er lijkt een groeiend besef dat dingen met elkaar samenhangen en dat mensen met elkaar verbonden zijn door de generaties heen. Dat geeft aanknopingspunten om kerkelijke noties van schuld (en vergeving) en maatschappelijke noties van economisch, ecologisch en sociaal falen met elkaar te verbinden. Met verschillende woorden benoem je hoe je als mensen regionaal en mondiaal uit de bocht blijft vliegen, en probeer je een weg daaruit te vinden. Kerkelijk en spiritueel gesproken kom je dan bij God uit, bij Mozes, bij de profeten, bij Jezus en Paulus.

Deel van een groter geheel
De emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek dr. Paul van Tongeren beschrijft als reactie op de excuses van Rutte dat ‘excuses’ letterlijk betekent ‘van schuld uitsluiten’ of ‘vrijspreken’, en zo ‘rechtvaardigen’. Daarom, zegt hij, kun je excuses eigenlijk niet ‘aanbieden’, althans niet als je nergens schuldig aan bent. Integendeel: je vraagt om verontschuldiging, omdat je schuld aan iets hebt, en je vraagt aan degene aan wie jij iets verschuldigd bent, om daarvan te worden vrijgesproken. Nu kun je allerlei vragen gaan stellen, zoals ‘wat betekenen excuses als de daders en slachtoffers er vrijwel niet meer zijn?’ Maar dat vindt hij te individueel geredeneerd. Eigenlijk ben je altijd lid van een gemeenschap, je bent ergens geboren, je maakt ergens deel van uit, daar heb je niet voor gekozen, maar daar sta je wel binnen. Je bent hoe je het ook wendt of keert deel van grotere gehelen, ‘gemeenschappen waarvan de geschiedenis ons raakt en waarbinnen het handelen van anderen ook ons aangaat’.

Dit raakt aan een belangrijke Bijbelse notie. Je bent als mens verbonden met mensen om je heen, je maakt deel uit van gemeenschappen. Wat je doet heeft consequenties voor de gemeenschap, en de gemeenschap doet een beroep op jou en je verantwoordelijkheid. Bijbels gezien komt het allemaal samen in God. De Ene stelt aan het begin van de Bijbel de mens een vraag die de hele Bijbel door resoneert: ‘Waar ben je?’ (Genesis 3:9) Wat is je plaats, je positiekeuze? Wat doe je als je schuld hebt, hoe verhoud je je tot de ander, en tot de generaties voor je en na jou?

In dit jaar van het gedenken van 75 jaar bevrijding is het erkennen van schuld ten opzichte van de Joodse gemeenschap op zijn plaats, om samen pal te staan in het hier en nu.

dr. Eeuwout Klootwijk is wetenschappelijk beleidsmedewerker voor Kerk en Israël/joods-christelijke relaties bij de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland

De voorlopers van de Protestantse Kerk in Nederland en de Jodenvervolging
Welke posities namen de voorlopers van de Protestantse Kerk in Nederland in ten aanzien van de Jodenvervolging? Deze vraag is uitgangspunt geweest van meerdere studies, zowel direct na de oorlog als recenter. Op basis daarvan, aangevuld met nieuw onderzoek, wordt hierbij een overzicht op hoofdlijnen gepresenteerd.

Eerst is het goed om te definiëren wie de voorlopers van de huidige Protestantse Kerk in Nederland waren. Dat waren de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de daaruit voortgekomen Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Hersteld-Evangelisch Lutherse Kerk. Samen maakten de leden van deze kerken zo’n 42% van de Nederlandse bevolking uit bij het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Voor een goed begrip van de positie van deze kerken tijdens de oorlog is het van belang te weten dat hun kerkelijke structuren varieerden van de centraal bestuurde Nederlandse Hervormde Kerk (top-down) tot de meer van onderop (bottom-up) georganiseerde Gereformeerde Kerken. Bovendien verschilden de theologische visies op de verhouding tussen kerk en overheid: de lutheranen hanteerden Luthers tweerijkenleer, met daarbij een duidelijke scheiding tussen het kerkelijke en politieke domein, terwijl de calvinisten zich onder meer konden beroepen op een publieke theologie die verzet legitimeerde. Hervormden hadden bovendien het negentiende-eeuwse model van de ‘volkskerk’ omarmd, waarbij natie en kerk sterk op elkaar werden betrokken. De verschillende structuren en theologische overtuigingen bepaalden in hoge mate de speelruimte van de kerken tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Achtereenvolgens wordt, beknopt, gekeken naar de houding van de kerken ten aanzien van de Jodenvervolging in de jaren 1930, tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de periode direct na de oorlog.

De jaren 1930
Jodenvervolging werd een politiek thema in de Nederlandse samenleving in de jaren 1930. Door de machtsovername door de nazi’s in buurland Duitsland in 1933 en de direct daaropvolgende start van discriminatie, boycot en uitsluiting van Joden, ontstond een stroom van Joodse vluchtelingen naar Nederland. Het Nederlandse beleid was afhoudend: door de economische crisis in eigen land was er weinig politieke ruimte voor hulp en opvang. Bovendien wilde Nederland de relatie met Duitsland goed houden om zo de eigen neutrale positie te handhaven. In principe waren alleen vluchtelingen welkom die economisch voordeel voor Nederland konden opleveren. Daarnaast stemde Nederland ermee in om als transitland te fungeren voor een beperkte groep Duitse, Oostenrijkse en SudetenDuitse Joden, om zo verdere migratie naar elders mogelijk te maken.

De opvang van vluchtelingen gebeurde in grote lijnen volgens het model van de ‘verzuilde’, levensbeschouwelijk gesegmenteerde samenleving. De overheid liet die opvang in hoge mate over aan de religieuze gemeenschappen. Dit betekende dat de opvang van de Joodse vluchtelingen voor rekening kwam van de Nederlands-Joodse gemeenschap. Kerken en christenen waren vooral betrokken op hun ‘eigen’ vluchtelingen, de protestantse dan wel katholieke Joden. In 1935 werd tegen die achtergrond het ‘Comité voor zogenaamde niet-Arische Christenen’ opgericht, met eigen opvanglocaties voor christen-Joden en hun familieleden.

Tegen de opkomst van het nationaalsocialisme en het politieke antisemitisme in Duitsland én in eigen land in de vorm van de NationaalSocialistische Beweging (NSB) werd door sommige theologen, zoals Klaas Schilder en Jan Buskes, al vroeg de wacht betrokken. De synode van de Evangelisch-Lutherse Kerk verwierp al in 1933 unaniem een voorstel voor een speciale zondag voor de Jodenzending met de opmerking dat zo’n zondag in deze tijden bijzonder ongepast zou zijn en dat er eerder zending in eigen lutherse kring onder het ‘naburig Christenvolk’ (lees: Duitsland) bedreven moest worden, tégen het antisemitisme. De Gereformeerde Kerken besloten in 1936 dat het lidmaatschap van de NSB onverenigbaar was met het kerklidmaatschap.

De Nederlandse Hervormde Kerk wilde die stap echter niet zetten en als ‘volkskerk’ geen politieke keuzes maken. Sommige hervormde predikanten waren actief in de NSB en zij vergoelijkten de Duitse Jodenvervolging of weten die zelfs aan de Joden zelf. Andere hervormde predikanten zetten zich actief in voor de hulp aan de gevluchte christen-Joden.

Conclusie
Een officieel protest tegen de Jodenvervolging ontbrak in deze periode vanuit de Nederlandse kerken. Zij volgden goeddeels de lijn van de Nederlandse regering in het bewaken van de eigen neutraliteit. Bij de hulpverlening aan Joodse vluchtelingen werd geconcentreerd op de ‘eigen’ gedoopte Joden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog
De houding die de kerken aannamen na het begin van de bezetting werd in belangrijke mate gekarakteriseerd door continuïteit met het al bestaande beleid, waarbij sprake was van concentratie op het lot van de ‘eigen’ gedoopte Joden. Voor hen werd primaire verantwoordelijkheid gevoeld, en isolatie en mogelijke deportatie van christenJoden werd gezien als een aanval op de eenheid van de christelijke gemeenschap, waar deze Joden voluit deel van uitmaakten.

Het begin van de bezetting leidde tot een opmerkelijk initiatief: de anderszins zo verdeelde Nederlandse kerken wisten elkaar te vinden in een gezamenlijk Convent van Kerken, vanaf 1942 Interkerkelijk Overleg (IKO) geheten. Daarin waren alle voorlopers van de Protestantse Kerk in Nederland vertegenwoordigd, naast andere protestantse kerken en vanaf 1941 ook de RoomsKatholieke Kerk. De zelforganisatie was aanvankelijk bedoeld om kerkelijke belangen te verdedigen, zoals de zondagsrust en restitutie van oorlogsschade aan kerkgebouwen. Met moeite kwam antisemitisme ook op de agenda.

Gecoördineerd door het Convent/IKO werden tussen 1940 en 1944 meerdere protesten georganiseerd tegen de Jodenvervolging. Het bereik daarvan was wisselend, evenals het adres. In sommige gevallen werd bij Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart geprotesteerd, in andere gevallen bij de secretarissen-generaal en ook verschillende keren werd voor een herderlijk schrijven richting de eigen achterban gekozen. Het betrof de volgende interventies:

• 24 oktober 1940: brief aan Seyss-Inquart in protest tegen het verbod op Joden in de ambtenarij;
• 5 maart 1941: protestbrief aan de secretarissengeneraal in de context van de Februaristaking;
• 17 februari 1942: delegatie op audiëntie bij SeyssInquart, waarbij ook gesproken wordt over het lot van de Joden;
• 19 april 1942: voorlezing van een ‘Getuigenis’ in de kerkdiensten, met daarin ook een passage waarin de Jodenvervolging wordt afgewezen;
• 11 juli 1942: telegram aan Seyss-Inquart in protest tegen de aangevangen deportaties van Joden uit Nederland, met daarin speciaal aandacht voor het lot van de christen-Joden;
• 21 februari 1943: kanselboodschap met daarin een zin in protest tegen de Jodenvervolging;
• 19 mei 1943, 14 oktober 1943, 17 maart 1944 en 1 april 1944: brieven en telegram aan Seyss-Inquart over het lot van de gemengd-gehuwden.

Veel van deze protesten kwamen moeizaam op gang, en bovendien was er vaak geen sprake van gezamenlijke uitvoering. Zo deden de lutherse kerken in 1940 niet mee met het protest omdat het in zou gaan tegen de lutherse tweerijkenleer; een herderlijk schrijven naar aanleiding van de protestbrief van 5 maart 1941 werd in gereformeerde kerken wel, maar in veel hervormde kerken niet voorgelezen, terwijl de kanselboodschap van 21 februari 1943 weer niet door de gereformeerden werd afgekondigd, want ‘een publiek getuigenis dient om principiële redenen slechts in zeer bijzondere gevallen te geschieden’. De Nederlandse Hervormde Kerk had in maart 1941 een uitgesproken brochure voorbereid tegen het antisemitisme, Israël als teken, maar durfde dat uiteindelijk toch niet te publiceren. Wel werd op 25 oktober 1943 de herderlijke brief ‘Christelijk geloof en nationaal-socialisme’ naar de lokale hervormde gemeenten verzonden met daarin een afwijzende passage over antisemitisme. Die brief werd echter niet voorgelezen in kerkdiensten en kreeg daardoor weinig bekendheid.

Een belangrijke motivatie van de voorlopers van de Protestantse Kerk in Nederland om in voorkomende gevallen af te zien van protest was de angst voor het lot van de eigen gedoopte Joden. De rooms-katholieke kerkprovincie maakte in dezen een andere keuze, met als gevolg de deportatie van de katholieke Joden. De protestantse Jodenbleven in de speciale barak in Westerbork. Pogingen van Joden om uit lijfsbehoud al dan niet valse dooppapieren te krijgen om zo als protestantsgedoopte Joden te gelden, werden door sommige predikanten en kerkenraden gesteund. Het officiële beleid van de kerken was echter dat haastdoop niet was toegestaan.

Met name op lokaal niveau waren delen van de kerken zeer actief in het verzet en het verzorgen van onderduikadressen. Maar er waren ook velen die zwegen over de positie van de Joden uit angst voor hun eigen lot of vanuit het idee dat het overheidsgezag gerespecteerd moest worden.

Conclusie
De kerken in Nederland protesteerden vaker en duidelijker tegen de Jodenvervolging dan de Nederlandse overheid in Londen en de burgemeesters en overheidsdiensten in bezet Nederland. Dat protest kwam echter moeizaam op gang en werd in veel gevallen ontsierd doordat niet alle kerken meewerkten. Bovendien stond de zorg voor de gedoopte Joden, en in het verlengde daarvan de gemengd-gehuwde Joden, voorop. Angst voor de consequenties voor het eigen kerkelijke leven, voor het oppakken van predikanten en christenJoden, zorgde ervoor dat de kerkelijke stem met ambivalentie was omgeven. Zwijgen, wegkijken of protesteren vormden een voortdurend spanningsveld, waarbij al te vaak de eerste twee prevaleerden.

Na de oorlog
Na de oorlog zagen de kerken zich als het kloppende, geestelijke hart van de Nederlandse ‘verzetsnatie’. Er was grote dankbaarheid voor de bevrijding en er waren ambitieuze plannen voor een herkerstening van de Nederlandse samenleving. Zelfkritiek over eventuele nalatigheid ontbrak goeddeels, en er was geen contact met de Joodse gemeenschap over de voorbije oorlogsjaren. De Nederlandse Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk sloten zich beide aan bij de Wereldraad van Kerken, die zich in 1948 duidelijk uitsprak tegen antisemitisme. Dat beide kerken zich hierbij voegden werd gezien als logisch voortvloeisel uit de eigen verzetsidentiteit, waardoor een zelfkritische kijk op eigen handelen tijdens oorlogstijd en mogelijke sporen van christelijk anti-Joods denken werd vermeden. Mede tegen deze achtergrond gingen de vooroorlogse zendingsactiviteiten onder de Joodse gemeenschap weer gewoon door. Dit werd in Joodse kring als bijzonder pijnlijk ervaren.

In de samenleving woedde een pijnlijk debat over het lot van ruim tweeduizend onderduikpleegkinderen van wie geen van beide ouders de oorlog overleefde. Het voormalig verzet, waaronder veel prominente kerkleden, wilde deze kinderen in de christelijke pleeggezinnen houden, om zo niet alleen hun lichaam maar ook hun ziel te redden. De Joodse gemeenschap vocht met hart en ziel om deze kinderen terug te krijgen. In dit streven werd ze door slechts enkelen uit de kerken gesteund.

De Holocaust en even later de stichting van de staat Israël zorgden ondertussen voor diep ingrijpende theologische vragen die gaandeweg aan de oppervlakte kwamen en mede de basis legden voor de opkomende joods-christelijke dialoog.

Conclusie
In de directe naoorlogse periode namen de kerken, evenals in de vooroorlogse periode, opnieuw een positie in van een hoge mate van identificatie met het nationale zelfbeeld: was dat in de jaren 1930 het beeld van een neutrale natie, na de oorlog was het de mythe van een verzetsnatie. Specifieke aandacht voor het lot van de Joodse gemeenschap ontbrak, wel werd in algemene termen het antisemitisme duidelijk afgewezen. Jodenzending en de poging om Joodse oorlogspleegkinderen in christelijke gezinnen te behouden, kende een breed draagvlak binnen de kerken.

dr. Bart Wallet is universitair docent politieke en religiegeschiedenis bij de faculteit der geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Tevens doceert hij Hebreeuws, Joodse studies en Midden-Oostenstudies aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel is hij ook docent aan de liberale rabbijnenopleiding het Levisson Instituut en bij het Joods Educatief Centrum Crescas

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *