Luka Rosenstiel, de muze van Sobibór
Achtergrond

Luka Rosenstiel, de muze van Sobibór

In 1990 overleed Alexander Pechersky, de leider van de opstand in Sobibór op 14 oktober 1943. Zijn inspiratiebron in het kamp was ‘Luka’, een jonge vrouw van een jaar of 19. Wie zij was, is nooit met zekerheid vastgesteld. Maar na gedegen onderzoek lijkt haar identiteit nu eindelijk bevestigd.

Aline Pennewaard 25 januari 2023, 15:33
Luka Rosenstiel, de muze van Sobibór

Wie was Luka, de jonge vrouw die in een omgeving vol dood en verderf het hart van opstandeling Alexander Pechersky in Sobibór wist te raken? Haar persoon heeft altijd mijn interesse gehad en haar aanvankelijke identificatie als Gertrud Poppert-Schönborn heeft voor mij – zoals voor veel anderen – nooit bevredigend gevoeld. Er waren te veel losse eindjes, te veel zaken die niet kloppend voelden. De laatste die zich over de identificatie boog, journaliste Rosanne Kropman, kon evenmin zekerheid verschaffen.

Haar artikel somt de aanwijzingen op uit naoorlogse getuigenissen van ‘Sasha’ Pechersky: een kettingrokende jonge vrouw met roodbruin haar, ongeveer negentien jaar oud, geboren in Duitsland. Ze was samen met haar moeder in Sobibór. Waar haar vader, die in de jaren dertig als communist al vroeg in het vizier van de nazi’s kwam, was gebleven, was onduidelijk. Er zou sprake zijn van twee broers, die waren vergast. Als aan het einde van het artikel blijkt dat Luka’s identiteit nog niet kan worden vastgesteld, kan ik de verleiding niet weerstaan erin te duiken.

Overhemd Kropman
gaat ervan uit dat Luka’s vader niet in Sobibór zou zijn geweest, maar daar heb ik mijn twijfels bij. Hoe kwam zijn overhemd, dat Luka net voor de opstand aan Pechersky gaf en dat hij zijn leven lang heeft bewaard, anders in haar bezit? Bij het verlaten van de trein kreeg iedereen de instructie koffers en bezittingen achter te laten. De bagage werd later opgehaald door Joden die in het kamp waren tewerkgesteld opgehaald en naar de sorteerbarakken gebracht.

Pasfoto van Liselotte Rosenstiel in haar dossier

De enkele nieuw aangekomenen die waren geselecteerd om te werken mochten hun eigen kleren aanhouden. Dat waren de enige bezittingen waarmee ze het kamp binnenkwamen. Tenzij Luka die dag haar vaders overhemd zelf droeg – wat uiteraard niet onmogelijk is, maar ook weer niet heel waarschijnlijk lijkt – moet ze het dus later pas in haar bezit hebben gekregen: denkelijk in de barakken waar ze de kleding en bezittingen van het zojuist aangekomen en al vrijwel geheel vergaste transport heeft moeten sorteren. Het is voor mij dus zeker niet uitgesloten dat de vader van Luka wel degelijk in Sobibór was: dat hij, eventueel samen met Luka’s broers, na aankomst naar de gaskamers werd gestuurd, terwijl Luka en haar moeder mochten blijven leven.

Ik besluit daarom de zoektocht uit te breiden naar gezinnen die in hun geheel naar Sobibór werden gedeporteerd en sla mijn eigen transportlijstendatabase erop na. Divese jonge vrouwen geboren in Duitsland tussen 1921 en 1926 passeren de revue, maar ze hebben allemaal een naam waar ik met de beste wil ter wereld geen Luka als roepnaam, bijnaam of koosnaampje van kan maken. Ruth, Fanny, Irmgard, Gerda … waarom zou iemand hen ooit Luka hebben willen noemen? Het is te willekeurig, ik voel geen raakvlak. Bovendien vallen de vrouwen bij nader onderzoek allemaal af: de overige factoren kloppen niet. Sommige meisjes zijn zonder ouders in Nederland, van anderen was de moeder in 1942 al in Auschwitz, weer anderen zijn enigst kind of komen juist uit een gezin met alleen maar meisjes.

Ik moet even denken aan de waarschuwing die Rosanne Kropman kreeg van Michael Edelstein, die in Rusland onderzoek deed naar het leven van Alexander Pechersky: wellicht waren de herinneringen van Pechersky niet geheel betrouwbaar. Maar toch moet ik die als uitgangspunt meenemen, het voelt niet goed ze geheel terzijde te schuiven. Zonder die herinneringen is er immers helemaal geen enkel houvast – plus dat er allicht iets van zal kloppen. Over de jonge leeftijd en de communistische vader van Luka lijkt Pechersky namelijk behoorlijk zeker.

Wijnhandel
En dan ineens, als ik met mijn zoekfunctie de vrouwen met geboortejaar 1923 naloop, is ze er, op de transportlijst van 17 maart 1943: Liselotte Karoline Rosenstiel, exact twintig jaar eerder geboren in het Duitse Neustadt. Ze wordt op haar verjaardag gedeporteerd naar Sobibór, samen met haar vader Wilhelm, haar moeder Irma Rosenstiel-Oppenheimer en haar twee jaar jongere broer Albert. Mijn oog valt op de samenstelling van haar twee voornamen. Liselotte Karoline. Li-Ka. Lika. Kan dat tot Luka zijn verbasterd in de fonetische accentenbrij van Sobibór? Ik sluit het niet uit. Maar belangrijker: was haar vader een communist?

Ik typ de woorden ‘Rosenstiel Neustadt’ in op Google. Het eerste zoekresultaat geeft meteen al uitsluitsel: een Duitse website vertelt over de broers Julius en Wilhelm Rosenstiel, die na de dood van hun vader de wijnhandel van de familie overnamen. Niet iedereen droeg hen echter een warm hart toe: al in 1926 noemde de nazikrant Der Eisenhammer een van de broers – waarschijnlijk Wilhelm, volgens het artikel – een ‘verrader’, ‘tegenstander van Hitler’, ‘Jood en separatist’, die ‘al sinds zeer lange tijd aan een lantaarnpaal had moeten hangen’. Na 1933 werd het echt penibel voor de broers. Hun wijnhandel stortte in als gevolg van de boycot en er volgde een strafzaak tegen hen: ze werden in april beiden schuldig bevonden aan valutamisdrijven. In tweede aanleg werd alleen Julius veroordeeld tot vijf dagen cel en een boete van 300 mark. Wilhelm werd vrijgesproken, maar besefte hierna wel dat zijn dagen in Duitsland waren geteld. Hij begon zijn bezittingen te verkopen met het doel naar het buitenland te vertrekken. Eind december 1935 volgde nogmaals een arrestatie. Ten slotte vertrok hij in de herfst van 1937 naar Nederland, waar hij zich met zijn gezin in Rotterdam vestigde.

Een hoovol gevoel maakt zich van mij meester. Zou het dan toch?

Een hoopvol gevoel maakt zich van mij meester. Zou het dan toch? Het enige wat niet helemaal overeenkomt, is de broer: volgens de verhalen van Pechersky moeten er twee broers zijn geweest. Kan dat misschien in de taalbarrière zijn misgegaan? Is ‘een twee jaar jongere broer’ in zijn beperkte begrip van de Duitse taal ‘twee broers’ geworden? Het zou kunnen.

Liselotte Karoline Rosenstiel in 1939

Dossier
De smoking gun heb ik nog niet. Ik besluit wel verder te gaan zoeken naar archiefinformatie over de Rosenstiels. Bij het Nationaal Archief informeer ik of zich in hun vreemdelingendienstarchief een dossier bevindt van de gezinsleden. Twee weken later heb ik antwoord: alleen van Liselotte Karoline is een dossier aangetroffen. Een paar dagen later kan ik al in het archief terecht. Ik hoop vurig dat zich in het dossier een foto bevindt. Nu zal dat waarschijnlijk een zwart-witfoto zijn, maar evengoed kan het helpen: als op die foto immers een hoogblonde dame zou staan, kan ik gerust concluderen dat Liselotte niet de mysterieuze muze van Pechersky is geweest.

Het vreemdelingendossier is niet erg dik: de familie Rosenstiel kwam pas in 1937 naar Nederland en behalve wat standaardformulieren is er niet veel vastgelegd. Wel verbaast het mij dat Liselotte een eigen dossier heeft. Doorgaans zitten minderjarige kinderen bij de vader in het dossier, maar in dit geval is er wonderbaarlijk genoeg noch van vader, noch van moeder of broer Albert een dossier te vinden. Liselotte heeft een zelfstandig dossier, waarin zich tot mijn vreugde maar liefst twee pasfoto’s blijken te bevinden. De eerste, vastgeniet aan haar verblijfsvergunning, is genomen in 1939. Liselotte, zestien jaar oud, kijkt met een nette baret en een bloemencorsage op haar geruite blazer een beetje verlegen de camera in. Een echt kindergezicht heeft ze nog. Heel anders dan de tweede pasfoto, die en profil is genomen en waarop ze duidelijk volwassener oogt. Het sprieterige meisjesachtige is ervan af, we zien een donkerharige, jonge vrouw die ontspannen in de verte kijkt, haar gebloemde jurk nog net zichtbaar.

Bruinrood
Het is altijd lastig een inschatting te maken aan de hand van zwart-witfoto’s, maar het haar lijkt net te licht om pikzwart te kunnen zijn. De lichtinval van de zijkant wekt de indruk dat het een bruinige kleur moet hebben gehad. Opnieuw een bevestiging dat dit de Luka zou kunnen zijn aan wie Pechersky zijn leven lang bleef denken. Helaas kunnen we het hem zelf niet meer vragen, want hij overleed in 1990.

Het dossier is openbaar omdat de persoon in kwestie niet meer in leven is. De privacywet is niet langer van toepassing en ik mag van beide foto’s scans maken. Dolblij loop ik even later het Nationaal Archief weer uit. De foto’s geven me nog geen honderd procent uitsluitsel, maar in elk geval kunnen we met een gerust hart concluderen dat Liselotte een donkerharige jonge vrouw was – net als Luka. Als ik de foto’s later online in laat kleuren, lijkt het inderdaad alsof er een bruinrode gloed over haar haren ligt … maar of het algoritme het bij het rechte eind heeft, blijft natuurlijk de vraag.

Ik hoop op een extra bevestiging. Die wil ik vinden bij iemand die haar in levenden lijve heeft gekend. Ik stuit online op een artikel in Bussums Nieuws van 10 april 2019, over de verzetsfamilie Leenders die in 1940 na het bombardement van Rotterdam naar het Gooi verhuisde. Aanleiding van het artikel is het boek Mus: ware verhalen van een gewoon gezin in de Tweede Wereldoorlog, dat kleindochter Annemieke Schaap schreef over haar familie. Ook het gezin Rosenstiel wordt erin genoemd: vader Toon Leenders werkte als bedrijfsleider in de wijnfabriek die Wilhelm Rosenstiel na zijn vlucht naar Nederland aan de Jufferstraat in Rotterdam opnieuw begon. Het bombardement legde alles in de as. Rosenstiel was gelukkig verzekerd en kreeg zelfs toestemming van de Duitsers een nieuwe fabriek op te starten, op voorwaarde dat die op minimaal 25 kilometer afstand van de kust zou liggen. Daarom liet hij zijn oog op Hilversum vallen. Daar begon Rosenstiel voor de tweede keer, in twee grote loodsen aan de Noorderweg. Toon Leenders werd wederom zijn bedrijfsleider. De arrestatie van de Rosenstiels zou voor hem later de aanleiding worden zich aan te sluiten bij het lokale verzet.

Hij herkent Liselotte onmiddellijk als ik hem de twee foto’s laat zien

Helder
Het kost me een middag, maar uiteindelijk weet ik Annemieke Schaap, de schrijfster van het boek, te achterhalen. Ik leg uit wie ik ben en wat mijn doel is. Een van de kinderen van Toon Leenders blijkt nog in leven: “Mijn oom Ton is 92 jaar oud,” zegt Moeder Irma Rosenstiel met haar twee zussen in Parijs, 1920 Annemieke tot mijn vreugde. “Hij heeft het gezin Rosenstiel goed gekend.” Ik spreek met haar af elkaar twee weken later bij haar oom Ton thuis in Valkenswaard te treffen. Hij zal hoogstwaarschijnlijk uitsluitsel kunnen geven over Liselottes haarkleur, maar misschien ook over haar roepnaam: was dat inderdaad Lika of Luka? Of gebruikten haar ouders zo’n koosnaampje alleen in de intieme kring van het gezin?

“Hij is een beetje in de war vandaag,” zegt de nicht van oom Ton, als ik die ochtend rond elven bij het verzorgingshuis aankom. De moed zinkt me al lichtjes in de schoenen. Wat als ik vandaag zonder enig aanknopingspunt naar huis moet vertrekken? Dan zullen we nooit uitsluitsel hebben of Liselotte inderdaad de Luka is geweest die Alexander Pechersky wist te inspireren in een oord van enkel wanhoop en vernietiging. Ik hoop vurig dat dat niet het geval zal zijn, al durf ik bijna nergens meer op te rekenen.

Moeder Irma Rosenstiel met haar twee zussen in Parijs, 1920

Maar als ik binnenkom en we in gesprek raken over de oorlogstijd, slaat de oude Ton Leenders om als een blad aan een boom en blijkt hij plotseling verrassend scherp en helder. Veel herinneringen passeren de revue: aan Rotterdam, Hilversum, zijn eigen familie, de bomscherf die hij als tienjarige jongen in zijn voorhoofd kreeg en waar nog altijd een litteken van zichtbaar is. En aan de Rosenstiels. “Rosenstiel kwam vaak bij ons in de vroege ochtend, als hij weer eens gewaarschuwd was voor een razzia,” vertelt Leenders. Hij spreekt ook over Liselotte en haar jongere broer Albert. De gezinnen, nieuw in het Gooi, kwamen veel bij elkaar over de vloer. Hij herkent Liselotte onmiddellijk als ik hem de twee foto’s laat zien. “Ja hoor, dat is ze,” zegt hij meteen. Het lijkt hem even een paar seconden te ontroeren dat hij na zoveel jaar haar gezicht weer ziet.

Stellig
‘Rookte ze?’ vraag ik hem later, als hij verder over Liselotte spreekt. Ton Leenders knikt. “Ja, stiekem,” zegt hij met twinkelende oogjes. “Dat mocht niemand weten natuurlijk.” Maar hij wist het wel. We praten verder en dan gooi ik uiteindelijk de vraag eruit: “Heeft u ooit gehoord dat zij nog anders werd genoemd dan enkel Liselotte? Dat ze een bijnaam had die klonk als Lika, Luka, Loeka …?” Bij de laatste uitspraak lichten zijn ogen direct op van herkenning. “Ja, Loeka. Loeka. Zo werd ze thuis genoemd.” Hij knikt met een stellig gezicht. Annemieke en ik kijken elkaar verbijsterd aan. Zomaar ineens, plompverloren op een regenachtige donderdagochtend, is de cirkel rond. Liselotte Karoline Rosenstiel is de mysterieuze Luka aan wie Alexander Pechersky zijn leven lang bleef denken. Dit was de laatste bevestiging die we nodig hadden en waar ik al niet meer op durfde te hopen. Nu weten we het zeker.

In juni 1942 werden de meeste Joodse bewoners van Naarden gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. De Rosenstiels mochten nog in hun woning aan de Van Ostadelaan 3 blijven, waarschijnlijk vanwege de wijnhandel. Bedrijfsleider Toon Leenders adviseerde het gezin onder te duiken, maar Wilhelm weigerde dit. Hij wilde maar één ding: zijn nieuwe bedrijf verder opbouwen. Hij zag het niet erg somber in voor de Joden, droeg keurig zijn ster en liet in april 1942 zijn huisraad inventariseren: zeer opmerkelijk voor iemand die toch al sinds halverwege de jaren twintig een fervent tegenstander van Hitler was geweest en die in Duitsland al de nodige ervaring met het naziregime had opgedaan.

De verblijfsvergunning uit 1940 voor Liselotte Rosenstiel

Kleermaker
Half oktober 1942 moet het gezin zich melden op het station van Bussum, om van daaruit naar het overbevolkte kamp Westerbork te worden gebracht. Midden in de transportenchaos van die maand, kort na de ontruiming van de werkkampen. Het gezin slaagt erin voorlopig uitstel te krijgen: er wordt geprobeerd een plek te regelen op de zogeheten Puttkammerlijst voor het op dat moment nog zeer veilige ‘120.000-stempel’, een tijdelijke vrijstelling waarvoor grote sommen geld moeten worden neergeteld. De wijnhandel in Hilversum wordt intussen onteigend. Om hiervoor een aantal zaken te kunnen afhandelen, vraagt Wilhelm Rosenstiel in februari 1943 twee weken verlof aan, wat hij half maart krijgt. Samen met zijn zoon Albert reist hij naar Amsterdam. Liselotte en moeder Irma blijven in Westerbork achter.

Tijdens het verlof brengen Wilhelm en Albert Rosenstiel een bezoek aan een hun bekende Joodse kleermaker, bij wie Wilhelm nog voor zijn vertrek naar Westerbork enkele rollen stof in bewaring heeft gegeven. Hij geeft hem de opdracht daar twee nieuwe pakken van te maken. Maar als hij een paar dagen later teruggaat om de pakken op te halen, zitten er Duitsers in de kleermakerij. Rosenstiel wordt beschuldigd van het achterhouden van kapitaal en onmiddellijk gearresteerd. Op 17 maart is hij met zijn zoon weer terug in Westerbork. Enkele uren later vertrekt de trein naar Sobibór van die dag, met het hele gezin Rosenstiel aan boord.

Zijn ogen lichten op van herkenning: ‘Ja, Loeka. Zo werd ze genoemd’

Geselecteerd
Tot nu toe werd altijd aangenomen dat ze alle vier direct na aankomst drie dagen later naar de gaskamers werden gestuurd: er waren immers geen getuigenissen die op een ander scenario wezen. Nu weten we dat Liselotte en haar moeder Irma er op de een of andere manier in slaagden bij de kleine groep gedeporteerden te komen die die dag werd geselecteerd voor werk. We weten niet precies hoeveel vrouwen werden geselecteerd. Alex Cohen, de enige overlevende van het transport, vertelt in zijn naoorlogse verklaring dat mannen en vrouwen na aankomst werden gescheiden. Hij heeft dus niet kunnen zien wat er bij de vrouwen gebeurde.

De geselecteerde mannen, volgens Cohen ongeveer 35 in totaal, werden terug de trein in gestuurd en kwamen de volgende ochtend in Majdanek aan, een kamp op zo’n vier kilometer afstand van Lublin. Zij zijn dus nooit in Sobibór geweest. Dat de groep geselecteerde vrouwen in elk geval deels wel in het kamp bleef, lijkt een veilige conclusie: toen Alexander Pechersky daar ruim een halfjaar later, op 23 september 1943, aankwam, waren Luka en haar moeder nog altijd in Sobibór.

Volgens Pechersky slaagde in elk geval Luka erin bij de opstand te ontsnappen: van haar moeder weten we niets. De laatste informatie die Pechersky over Luka ontving, is dat ze nog werd gezien te midden van een groep gevangenen die in de richting liep van Chełm, een stad op ongeveer 50 kilometer afstand van het kamp. Daarna ontbreekt elk spoor van haar, maar aangezien na de oorlog nooit meer iets van Luka Rosenstiel werd vernomen, kunnen we aannemen dat zij de bevrijding niet heeft gehaald. Hoe en waar ze stierf, zal wel altijd een onbeantwoorde vraag blijven. Maar in elk geval heeft ze nu, 79 jaar na haar ontsnapping uit Sobibór, haar naam en haar gezicht terug.

De identiteit van ‘Luka’, de muze van opstandleider Alexander ‘Sascha’ Pechersky in Sobibór, intrigeert onderzoekers, hobbyisten en filmmakers al decennialang. De meeste gegevens over haar zijn afkomstig van een interview dat Sobibórkenner Jules Schelvis met de verzetsheld had in 1984. Schelvis identificeerde Luka in 1993 als Gertrude Poppert, een getrouwde medegevangene. Die aanname bleek al snel niet waarschijnlijk. Het laatste serieuze onderzoek werd verricht door journaliste Rosanne Kropman. Over haar research schreef zij een stuk in De Volkskrant van 14 oktober 2022. Zij noemt daarin Ruth Eva Asch als kandidate, maar aan het eind van haar artikel concludeert zij zelf dat die toeschrijving op drijfzand berust.

Aline Pennewaard (1978) is historica, schrijfster en onderzoekster. Ze studeerde in Nederland en Israël en werkt momenteel aan haar promotieonderzoek over de deportaties van Nederlandse Joden naar de concentratiekampen. Samen met Guus Luijters maakte ze het monumentale werk In Memoriam (2012), waarin meer dan 3000 foto’s van gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma- en Sinti kinderen uit Nederland werden opgenomen.

Tags dit artikel heeft geen tags
Plaats opmerking