Meesters van magie
Achtergrond

Meesters van magie

De goochelkunst zoals wij die nu kennen, is vormgegeven door een lange lijst Joodse artiesten, van Philadelphus Philadelphia tot David Copperfield en van Harry Houdini tot David Blaine. Wie waren de pioniers van het illusionisme en waarom speelden Joden zo’n belangrijke rol bij de ontwikkeling van deze kunstvorm tussen entertainment en – al dan niet goedbedoeld – bedrog?

Bart Schut 03 augustus 2022, 10:00
Meesters van magie

Dit artikel verscheen eerder in NIW 16 5781/2021

Stierf Harry Houdini, de grootste goochelaar aller tijden, aan een gebroken enkel? Op 22 oktober 1926 bezocht een drietal studenten de illusionist na zijn optreden in diens kleedkamer van het Princess Theatre in Montreal. Een van de drie, J. Gordon Whitehead, vroeg Houdini of het waar was dat zijn buikspieren elke slag konden opvangen. Houdini antwoordde nonchalant dat zijn buik veel kon hebben, waarop Whitehead hem een serie keiharde slagen toebracht. Normaal gesproken zou Houdini die hebben verwerkt door zijn spieren aan te spannen, maar hij werd verrast door de felheid en het aantal slagen van de student. Bovendien had de artiest enkele dagen eerder tijdens zijn befaamde watermartelcel-truc zijn enkel gebroken. Toen Whitehead hem sloeg, lag Houdini achterover op een sofa, wat het veel moeilijker maakte zijn buikspieren te spannen dan wanneer hij had gestaan.

Getroffen door de pijn van de slagen, vroeg hij Whitehead te stoppen. De volgende avond trad hij op met koorts en pijn in zijn buik. Een dag later was de koorts gestegen tot meer dan 40 graden, maar werkte hij toch nog twee fysiek zware optredens af. “Ik doe deze show nog wel, al wordt het mijn laatste,” zou Houdini gezegd hebben. Het bleken profetische woorden. Er werd een blindedarmontsteking vastgesteld en toen de appendix werd weggehaald, bleek de goochelaar buikvliesontsteking te hebben opgelopen – een doodvonnis in een wereld zonder antibiotica. Harry Houdini stierf op 31 oktober in een ziekenhuis in Detroit. Zijn laatste woorden waren: “Ik wil niet meer vechten.”

Houdini laat zich door de politie opsluiten in een met water gevulde melkbus, 1908

Waren het de slagen van Whitehead die de dood van de pas 52-jarige goochellegende hadden veroorzaakt? Het werd al snel het gangbare verhaal, maar er zijn weinig voorbeelden in de medische wetenschap van door fysiek trauma veroorzaakte blindedarmontstekingen. Wel is het mogelijk dat Houdini de pijn in de dagen na het incident afdeed als het gevolg van de klappen en daardoor te lang wachtte de ontsteking te laten behandelen. Hoe dan ook, het einde van de grootste goochelaar uit de geschiedenis is bij het grote publiek bekender dan het feit dat Harry Houdini 1874 in Boedapest geboren werd als Erik Weisz. Hij was de zoon van een Hongaarse rabbijn die in 1878 met zijn familie naar Amerika emigreerde.

Intellectuele belangstelling
Wie de beroemdste goochelaars moet opnoemen, komt al snel uit bij ten minste twee Joden: de Israëli Uri Geller, hoewel misschien meer berucht dan beroemd, en David Copperfield, de meester van de grootse illusie en commercieel succesvolste goochelaar ooit. Wie zich verdiept in de geschiedenis van het vak stuit op een indrukwekkende traditie van Joodse illusionisten die tot op heden voortduurt. Is het toeval dat door de jaren, decennia en zelfs eeuwen heen zoveel Joden deze kunst hebben vormgegeven?

Nee, vindt Max Maven (eigenlijk: Philip Goldstein), een succesvolle Amerikaanse mentalist en amateurhistoricus op het gebied van Joodse goochelaars. Magie en zeker mentalisme, waarbij de artiest gedachten lijkt te kunnen lezen of zijn publiek mentaal lijkt te kunnen beïnvloeden, vereisen naast lichaamsbeheersing en vingervlugheid vooral intellectuele belangstelling, geduld en studie. Van oudsher Joodse deugden, vindt Maven in een interview met maandblad The Forward in 2013. In datzelfde artikel zegt de als natuurkundige opgeleide goochelaar Peter Samelson: “In het illusionisme is studeren belangrijk en dat appelleert aan de interesse van intellectuelen die van boeken en geschiedenis houden. Zelfs nu de wereld wordt bestuurd via het internet, bestaat er een enorme bibliotheek van boeken over het vak en [de beginnende goochelaar] heeft nog steeds een meester nodig die [hem] helpt de juiste boeken en teksten te vinden. Dat is erg Joods.”

David Blaine doet alsof hij dreigt te verdrinken in New York, 2006

Maar, voegt Maven daar aan toe, naast de traditioneel voor veel Joden intellectuele aantrekkingskracht, die ook het grote aantal Joodse stand-upkomieken verklaart, was de belangrijkste factor – zeker in de begintijd – dat Joden simpelweg minder andere economische mogelijkheden hadden. Goochelen uit nood geboren, dus. Anders dan hun niet-Joodse tijdgenoten in de achttiende, negentiende en vroege twintigste eeuw, brachten de Joodse goochelaars een nieuw element in de vooral ‘zwijgende’, om niet te zeggen ‘stomme’ shows van hun tijd. Maven: “Zij bewonderden spraakkunst en verwerkten spitsvondigheid en humor in hun optredens, die je nu nog steeds ziet.”

Joodse artiesten verwerkten spitsvondigheid en humor in hun optredens

Philadelphus Philadelphia
Als vader van de Joodse goochelkunst wordt – althans in Amerika – Philadelphus Philadelphia gezien. De 1735 in Philadelphia geboren illusionist, die eigenlijk Jacob Meyer heette, opereerde op het snijvlak van de oude toverkunst en het nieuwe goochelen. Net als Jasper Bamberg, de stamvader van een grote Nederlandse goocheldynastie, was Meyer alchemist, kabbalist en astroloog. Vanaf het midden van de achttiende eeuw trok hij als Philadelphus Philadelphia met zijn show door Europa, van hof tot hof. Hij trad op voor keizerin Catherina de Grote, de Turkse sultan Mustafa II en de Pruisische koning Frederik de Grote, die hem uit zijn land verbande nadat Philadelphia zijn gedachten had gelezen.

Philadelphia was zijn tijd ver vooruit. Na zijn dood in 1795 duurde het een halve eeuw voordat een Franse, ditmaal niet-Joodse goochelaar erin slaagde de illusoire kunst te verheffen van volksvermaak op kermissen tot een modieus avondje uit voor de gegoede burgerij en de aristocratie. Jean-Eugène Robert-Houdin ontwikkelde de goochelaarsshow die wij nu nog kennen: de ene na de andere truc op het theaterpodium, waarbij het belangrijk is dat in die truc nog een tweede effect – spectaculairder dan het oorspronkelijke – optreedt om het publiek te blijven boeien. Zwevende assistentes, gedachtelezen, een sinaasappelboom die vanuit het niets opbloeit… een hele generatie artiesten keek het vak af van Robert-Houdin. Moderne speelfilms als The illusionist en The prestige zijn gebaseerd op zijn werk. Hoe groot zijn invloed was, blijkt alleen al uit het feit dat Harry Houdini zijn artiestennaam van de zijne afleidde.

Onder de goochelaars die de shows van Robert-Houdin bezochten was Compars Herrmann (1816- 1887), een Frans-Duitse Jood die op zijn beurt het vak leerde aan zijn 27 jaar jongere broer Alexander. De laatste zou uitgroeien tot de grootste illusionist van de tweede helft van de negentiende eeuw. De broers Herrmann hadden het half komische, half duivelse uiterlijk dat je je voorstelt bij goochelaars uit die tijd: de intense blik, de sardonische glimlach, een verfijnde, aan de punten gedraaide snor met een puntbaardje en een tiptop verzorgde garderobe – meestal traden de Herrmanns op in rokkostuum. Alexander Herrmann triomfeerde in de Europese hoofdsteden, waarna hij naar de Verenigde Staten trok. Op de boot naar Amerika ontmoette hij de danseres Adelaide Scarcez, die hij kende uit Londen. Al na een jaar trouwden de twee. Het huwelijk werd voltrokken door de burgemeester van New York, waarbij Alexander een rol bankbiljetten uit de baard van de burgervader toverde.

Herrmann was zo populair in de VS dat hij besloot te blijven en zich tot Amerikaan te naturaliseren. De Herrmanns bezaten een landgoed in New York, een jacht en een eigen treinwagon. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw ondernam Alexander een wereldtournee, waarin hij onder meer optrad voor de keizer van Brazilië, de Britse kroonprins en de tsaar. Het was in Rusland dat men Alexander kroonde tot Herrmann de Grote, een titel die hij daarna zou gebruiken in zijn optredens. Maar hij was niet alleen een getalenteerde grootverdiener, Herrmann was de eerste goochelaar die zonder gage optrad in de Sing Sing-gevangenis van New York. Een van zijn talenten was het over grote afstand en met verbluffende precisie werpen van speelkaarten. Ook voerde hij de beruchte kogelvangerstruc uit, maar ondanks dergelijke riskante trucs stierf Alexander Herrmann in 1896 op 52-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Horace Goldins truc waarbij een assistente doormidden wordt gezaagd

Gouden generatie
Rond het jaar waarin Herrmann zijn Adelaide ontmoette, werd de gouden generatie Joodse goochelaars geboren: Max Malini (geboren in Polen als Max Katz Breit in 1873) was een minimalist die geen grote shows hield, maar het puur moest hebben van zijn fenomenale vingervlugheid. Hetzelfde gold voor de in hetzelfde jaar in Zweden geboren Nate Leipzig (eigenlijk Nathan Leipziger), een virtuoos in kaarttrucs en handgoochelen (waarbij de toeschouwer de truc van dichtbij bekijkt), die door veel moderne goochelaars als de grootste op dat gebied wordt beschouwd. Horace Goldin (Hyman Goldstein, Vilnius 1874) perfectioneerde de truc van het doorgezaagde weesmeisje en werd uiteindelijk net zo berucht door zijn processen tegen imitators als door de illusie zelf. En de 1876 in Pruisen geboren Emil Jarrow (Emil Javorzynski) werd befaamd door zijn truc waarin hij een bankbiljet liet verdwijnen, om het daarna uit een verse citroen tevoorschijn te toveren. Al deze magiërs waren Joods, werden binnen enkele jaren van elkaar in Europa geboren en vierden hun successen in de VS.

Die criteria gelden natuurlijk ook voor de grootste van allen: Harry Houdini. De zoon van rabbijn Mayer Samuel Weisz, op 24 maart 1874 geboren in Boedapest, emigreerde op vierjarige leeftijd met zijn familie naar de VS en groeide op in Wisconsin. Armoede verdreef het gezin naar New York. Gemakkelijk had Harry, zoals hij zich professioneel noemde, het niet aan het begin van zijn carrière. Hij noemde zich dan wel de kaartenkoning, maar in vergelijking met zijn tijdgenoten was hij niet bijzonder vingervlug en als gevolg daarvan weinig succesvol. Waar Houdini wel goed in was, was zich bevrijden uit handboeien. Zijn Joodse manager Martin Beck raadde hem aan zich daarop te concentreren. Met succes. Al snel leek niets Harry Houdini gevangen te kunnen houden: handboeien, met water gevulde melkbussen, dwangbuizen terwijl hij aan een wolkenkrabber hing, dwangbuizen onder water… hij liet zich zelfs verschillende malen levend begraven.

De kaartenkoning werd boeienkoning. In het begin van de twintigste eeuw trok hij van stad naar stad in Europa, waar hij steevast de lokale politiemacht vroeg hem zo grondig mogelijk te boeien en op te sluiten. In Keulen beschuldigde een politieman hem ervan dat zijn truc uit niet meer dan omkoping bestond, dus klaagde Houdini de agent aan en won de zaak door de kluis van de rechter te openen. Zijn bekendste truc was de Chinese watermartelcel, een soort glazen aquarium waarin hij ondersteboven en vastgebonden minutenlang zijn adem inhield terwijl hij zich bevrijdde.

Paranormale gaven
Anders dan veel van zijn tijdgenoten beweerde Houdini bij zijn verbazingwekkende optredens nooit dat hij over bovennatuurlijke krachten beschikte. Sterker nog, in de jaren twintig legde hij zich toe op het ontmaskeren van spiritualisten en mediums. Houdini bezocht vermomd séances, begeleid door een undercover politieman. Hij loofde geldprijzen uit voor iedereen die beweerde over paranormale gaven te beschikken, maar hoefde die nooit uit te betalen omdat hij altijd de trucs van de fraudeurs doorzag. Houdini inspireerde lang na zijn dood een generatie sceptische goochelaars, zoals de vorig jaar overleden James Randi, het duo Penn en Teller (de Joodse Teller is de kleine zwijgzame van het tweetal) en de eveneens Joodse kaarttrucspecialist en ‘eerlijke leugenaar’ Jamie Ian Swiss. In navolging van Harry Houdini verzetten zij zich tegen collega’s die in hun ogen hun vakgebied bezoedelden door te beweren over bovennatuurlijke gaven te bezitten.

‘Keren geesten terug? Houdini zegt nee – en bewijst het’, affiche uit 1909

Het beroemdste of beruchtste voorbeeld in deze categorie is ongetwijfeld Uri Geller. De Israëli uit Tel Aviv raakte in de Zesdaagse Oorlog als parachutist gewond, waarna hij een carrière begon als fotomodel en entertainer in nachtclubs. Geller beweerde te beschikken over gaven op het vlak van telekinese (voorwerpen bewegen zonder ze aan te raken), radiësthesie (straling voelen) en telepathie (gedachtelezen). Zijn bekendste trucs waren lepels buigen en horloges sneller laten lopen, beide ‘met niets dan zijn geest’. Hoewel dit eenvoudige en gemakkelijk te doorziene trucs zijn, bouwde Geller een grote schare fans op die heilig geloofden in zijn bovennatuurlijke gaven. Net als bij veel sekteleiders bleek zijn aanhang alleen maar toe te nemen wanneer hij zijn beweringen niet waar kon maken – meestal doordat derden hem verhinderden de objecten voor te bewerken.

Nog altijd claimt Geller over paranormale gaven te beschikken, al verloor hij talloze rechtszaken tegen sceptici die hem ontmaskerden en moest hij van één rechter zelfs aan bezoekers van zijn optredens het entreegeld terugbetalen. Wel is de Israëli iets minder stellig geworden in de claim dat hij gaven heeft, die hij van buitenaardse wezens zou hebben ontvangen. Hoe gevaarlijk het bedrog van de goochelaar is? In 1992 werd hem gevraagd de verdwijning van het Hongaarse model Helga Farkas te onderzoeken. Geller voorspelde dat zij gezond en wel zou worden aangetroffen. Nu, bijna dertig jaar later – is Farkas nog steeds spoorloos en wordt aangenomen dat zij is vermoord. In 2019 maakte de magiër zich verder belachelijk door aan te kondigen dat hij met zijn geest de Brexit zou tegenhouden. Ondanks het feit dat de Britten zich inmiddels hebben afgescheiden van de EU, wordt Gellers vermogen op een kleine twintig miljoen euro geschat.

Nieuwe generatie
Zeker geen slecht appeltje voor de dorst, maar het is een fooi vergeleken bij wat de commercieel succesvolste goochelaar aller tijden, David Copperfield, met zijn optredens heeft verdiend: tegen de 700 miljoen euro. Copperfield, die zich professioneel tooide met de naam van de hoofdpersoon uit Charles Dickens’ gelijknamige roman, werd op 16 september 1956 in New Jersey geboren als David Seth Kotkin. De eenzame en verlegen Kotkin begon naar eigen zeggen te goochelen om vrouwen te versieren. Dat lukte aardig: in 1994 trouwde hij met topmodel Claudia Schiffer, al duurde dat huwelijk slechts vijf jaar. Copperfield is de ultieme Las Vegas-showman. Zijn verdwijntrucs zijn legendarisch, al zullen velen ze vanwege de bombast als kitsch beschouwen: een privéjet, een wagon van de Oriënt Express, het Vrijheidsbeeld. Ook zweefde de illusionist over de Grand Canyon en liep hij door de Chinese Muur. Het heeft Copperfield geen windeieren gelegd, maar zijn shows vol glitter en glamour zijn lichtjaren verwijderd van de minimalistische optredens van zijn Joodse voorgangers.

Een goochelaar die wel terugkeerde naar die wortels is David Blaine. De controversiële Blaine – hij tatoeëerde het Auschwitznummer van schrijver Primo Levi op zijn huid – maakte in de jaren negentig furore met kaartwerptrucs à la Alexander Herrmann, close-upgoochelen, zoals ooit Malini en Leipzig, en staaltjes van bijna bovennatuurlijke kracht, zoals Houdini en Jarrow. En dat allemaal in een format dat hij straatgoochelen noemt, waarin de reacties van verbijsterde toeschouwers en deelnemers een cruciale rol spelen. De Grieks-Amerikaanse Criss Angel kopieerde deze stijl met zijn Mindfreak, zodat u weet waar onze eigen Viktor Mids (Middelkoop) zijn inspiratie voor Mindf*ck vandaan toverde.

Blaine laat zich net als Houdini graag in watertanks opsluiten of levend begraven; hij houdt daarin verschillende records. Hoewel hij tegen de vijftig loopt, wordt hij gezien als voorbeeld van de nieuwe generatie Joodse goochelaars, mentalisten en illusionisten. Maar hij is zeker niet de enige. Geschat wordt dat een op de vijf professionele goochelaars in de VS Joods is. Allemaal producten van die uit noodzaak geboren magisch-intellectuele traditie. Want zoals Houdini al zei als hij weer eens uit een levensgevaarlijke gevangenschap was ontsnapt: “Mijn geest is de sleutel die mij bevrijdt.

Heeft u dit artikel met plezier gelezen? Met een abonnement op het NIW krijgt u toegang tot columns, opinies, analyses, nieuws – en achtergrondverhalen. Kies hier wat het beste bij u past.

Tags dit artikel heeft geen tags
Plaats opmerking