Achtergrond

Opkomst en ondergang van de Nagrella’s

Als veldheer, politicus en dichter geniet Samuel Nagrella ongekend aanzien in het Granada van de elfde eeuw. Een Jood die een islamitisch koninkrijk bestuurt: is een bloedig einde nog afwendbaar?

Bart Schut 26 december 2021, 12:00
Opkomst en ondergang van de Nagrella’s

Dit artikel verscheen eerder in NIW 43– 5779 /

“Ik liep door een soek waar de slagers / ossen ophingen en schapen aan hun zijde / er was gevogelte en kuddes mestvee vet als inktvissen / hun angst luid / toen bloed over bloed stolde / en de slachters’ messen de aderen openden”


De regels lezend is het alsof je over de markt van Marrakech loopt. Nu, honderd jaar geleden, of tweehonderd. Maar de woorden van deze dichter zijn bijna duizend jaar oud en in plaats van Arabisch zijn zij in het Hebreeuws geschreven. De locatie is Granada, de parel van Al-Andalus, tijdens de gloriedagen van de islamitische cultuur in Spanje. De dichter is Samuel Nagrella, met Maimonides misschien wel de meest fascinerende en invloedrijke figuur die de driehoeksrelatie tussen de Arabisch-islamitische, de Spaanse en de Joodse cultuur heeft voortgebracht.

Dat terwijl de geschiedenis van Nagrella, één van vele namen onder welke hij nu bekend is, begon met rampspoed. Geboren in Córdoba in 993, volgens sommige bronnen in het westelijker gelegen Mérida, ontvluchtte Shmuel HaLevi ben Josef (Nagrella lijkt een Arabische verbastering van zijn latere Joodse titel en bijnaam HaNagid, de vorst) de hoofdstad van het Westelijke Kalifaat in 1013. De kalief van Córdoba had Noord-Afrikaanse Berbertroepen in dienst genomen als huurlingen in een bloedige burgeroorlog om de macht in islamitisch Spanje. Maar dezen keerden zich tegen de stad, belegerden en plunderden haar. “Next time, pay the Berbers” – betaal de Berbers volgende keer – schrijft historicus Simon Schama droogjes in zijn paragraaf over Nagrella in History of the Jews (deel 1).

Constante worsteling
De Berbers verschilden weinig van de kruisvaarderlegers die vanaf het einde van diezelfde eeuw dood en verderf zaaiden op hun weg naar het Heilige Land; tijdens de verwoesting van Córdoba moest vooral de Joodse minderheid eraan geloven. Het is niet zeker of Nagrella toen nog in de stad was of dat hij op tijd de benen had genomen. Wel weten we dat hij niet veel later opduikt in Malaga, waar hij een specerijenwinkel bestiert. Samuel heeft een opvallend talent: hij beheerst de Arabische kalligrafie tot in de puntjes. Zo wordt hij ontdekt door de vizier, adviseur van de koning in Granada. Die stad is een eigen machtscentrum aan het worden, nu het Córdobaanse kalifaat uiteenvalt in talloze taifas, onafhankelijke moslimstaatjes die in een constante worsteling met elkaar zijn verwikkeld om de macht in moslim-Spanje.

Nagrella werkt zich op tot belastingontvanger, secretaris en uiteindelijk vizier aan het hof van Habboes, de berberkoning van Granada. Wanneer deze in 1038 overlijdt, kiest Samuel de zijde van zijn jongere zoon Badoes. Als deze de strijd om het koningschap wint van zijn oudere broer, toont hij zijn dank door Nagrella tot grootvizier en bevelhebber van zijn leger te benoemen. Velen zijn geschokt – een dhimmi, een ongelovige, als belangrijkste ambtenaar, adviseur en legerleider van de emir? Nooit eerder rees een Jood tot zo’n hoge positie in Spanje, en nooit zou dat wapenfeit herhaald worden.

Samuel neemt de titel HaNagid, de vorst, aan. Decennialang beheerst hij het politieke en militaire leven in Granada. De stad floreert als hij de infrastructuur verbetert en talloze badhuizen laat bouwen. Nagrella heeft een visie van een ongeëvenaard paleis op de heuvel in het hart van de stad, waar anderhalve eeuw eerder uit rode klei een fort was opgetrokken. Onder zijn bewind zal het er niet meer van komen, maar zijn idee van al-hamra, de rode, zal drie eeuwen later onder een andere islamitische dynastie, de Nasriden, gerealiseerd worden. Vandaag de dag kennen we het als het Alhambra, de misschien wel mooiste plek van ons continent.

Nooit eerder rees een Jood tot zo’n hoge positie in Spanje, en nooit zou dat wapenfeit herhaald worden

Homo universalis
Als veldheer is hij bijna onverslaanbaar, maar ook als talmoedgeleerde staat Nagrella zijn mannetje. Zijn grootste roem echter vergaart deze pre-renaissance homo universalis, die ook nog eens expert is op het gebied van wiskunde en astronomie, als dichter. Of het nu gaat om een wandeling door de soek, een beschrijving van het bloedigste moment uit een veldslag, “we maakten aarden heuvels, gekleurd met hun bloed, een straatweg van de gedroogde lijken van hun heren”, of een homo-erotische ode aan een jonge bediende die hem zijn wijn inschenkt, “hier, drink het bloed van de druiven van mijn lippen”, Samuel legt het vast in regels die bijna duizend jaar later nog niets van hun kracht hebben verloren.

Homo-erotisch, in de islamitische wereld van de elfde eeuw? Jazeker, in de zuidelijke taifas zijn de heersers zo tolerant tegenover homo- en biseksualiteit dat christenen vanuit het heroverde noorden van Spanje ernaartoe vluchten. Nagrella in ieder geval maakt geen enkel geheim van zijn voorkeuren: “De jongen zei tegen mij: geef mij / wat honing van je bijenkorf / Ik antwoordde: geef mij dan wat ervan terug / op je tong / en hij werd kwaad en riep / zullen wij dan zondigen tegen de levende God? / Ik antwoordde: laat jouw zonde, / zoete meester, met mij zijn.”

El Bañuelo, badhuis uit de elfde eeuw. Samuel Nagrella liet er talloze bouwen

Zelfverzekerd jodendom
Nagrella’s positie is inmiddels onomstreden en onbedreigd. Hij wordt blindelings vertrouwd door zijn meester, Baboes, uit dank en loyaliteit, maar wellicht vooral omdat hij geen bedreiging vormt voor dat allerhoogste ambt. Een Joodse koning van Granada is ondenkbaar. Samuel heeft er schijnbaar geen probleem mee de ware macht achter de troon te zijn, zonder zelf naar het koningschap te kunnen dingen. Zijn positie is de hoogst haalbare, verdere ambities zijn zinloos. De Joodse gemeenschap floreert in zijn schaduw, het is een Gouden Eeuw voor de Joden van Granada. Nagrella zelf arabiseert, is nauwelijks te onderscheiden van de islamitische bovenlaag, maar zonder ooit zijn jodendom, afkomst én religie, te vergeten of verloochenen. Schama schrijft: “Zijn Arabisch was elegant, zijn manieren verfijnd, zijn hoffelijkheden exquis, zijn vermogen tot genadeloos optreden wanneer dat nodig was, bewezen. Als iemand de personificatie was van een verbinding van islamitische cultuur en macht met een zelfverzekerd jodendom, was het Nagrella.”

Toch sluimert er rancune onder de oppervlakte. Jaloezie, en antisemitisme. Samuel Nagrella trekt zich er weinig van aan, overtuigd als hij is van zijn eigen intellectuele, politieke en militaire capaciteiten – een bescheiden man is hij niet. Al als jongeling, bij zijn vlucht uit Córdoba, verwoordt hij zijn grote ambities: “Ik zal rotsen beklimmen / en afdalen in de diepste afgrond, / en woestijn aan woestijn rijgen, / en de zee splijten, / en elk ravijn, / en bergen hoog opstijgen, / totdat het woord ‘voorgoed’ mij zijn betekenis verraadt / en mijn vijanden mij vrezen / en mijn vrienden in die vrees / troost vinden.” Hier laat de toekomstige vizier, net twintig jaar oud, al weten dat hij niet met zich zal laten spotten.

Wat doet een door eerzucht en ambitie gedreven man die het hoogst haalbare in zijn carrière heeft bereikt? Hij sticht een dynastie, opdat wat hij heeft bereikt ook na zijn dood zal voortleven. In 1035 wordt zijn zoon Josef geboren en Samuel stoomt hem klaar om zijn positie over te nemen wanneer de zoons tijd rijp en de vaders tijd ten einde is. Uit de poëtische brieven aan zijn zoon blijkt een beeld van een vader die zijn zoon verwent én onderwijst: “Opdat wijsheid jou ten deel mag vallen, want dat is belangrijker voor mij dan mijn vijanden verslagen te zien worden. (…) Weet dat een verstandig man als een boom met zoete vruchten is wiens bladeren genezende kracht hebben. Maar de dwaas is als de boom in het bos wiens takken uiteindelijk door vuur verteerd zullen worden.”

Het einde nadert. De gedichten van Nagrella worden fi losofi scher, wanhopig bijna

Afkeer of jaloezie?
Terwijl Josef opgroeit, voelt Smuel het einde naderen. De gedichten van vader Nagrella worden filosofi scher, wanhopig bijna, gespeend van de vurige ambitie uit zijn jonge jaren: “Voor mij is er slechts het uur dat ik op deze aarde aanwezig ben / Het blijft er slechts een moment en trekt dan verder als een wolk.” En: Zij zei: Wees blij dat God je heeft geholpen / de leeftijd van vijftig jaar te bereiken in deze wereld.” Tijdens zijn zoveelste militaire campagne schrijft hij vol warmte en liefde aan zijn zoon, doorspekt met vaderlijk advies voor de rol die Josef op zich zal moeten nemen. “Ik dacht aan Josef, / mijn getrouwe, / in mijn hart een aanhoudende wond, / want het hart begrijpt / wat er met zijn liefde gebeurt over afstand.”

. Detail uit het Alhambra

In of omstreeks 1056 sterft Samuel Nagrella. Josef volgt hem op als vizier, net twintig jaar oud. Zoals historicus Simon Sebag Montefi ore in zijn tv-documentaireserie The Making if Spain constateert, was het niet ongebruikelijk dat zonen hun vaders opvolgden in die functie en dat vizieren – het woord is afkomstig van het Arabische wazir, wat ‘een last dragen’ betekent, of uit het Perzisch waar vizir zoiets als ‘beslissing’ betekent – ‘minidynastieën’ stichtten, zoals Montefiore het omschrijft. “Josef was geen dwaas”, vindt de historicus, “maar er was een probleem: de Nagrella’s waren Joden.”

Het is de vraag of Montefiores suggestie dat islamitisch antisemitisme de oorzaak van de val van de Nagrella’s was, wel klopt. Het lijkt er op het eerste gezicht op, zoals we zullen zien, want hun tegenstanders gebruiken anti-Joodse retoriek waar de honden geen brood van lusten. Maar was hun afkeer van de Joden wel de echte reden? Onder Samuel moet die toch ook hebben bestaan, maar weinigen beklaagden zich er tijdens zijn leven over. Of vreesden zij de toorn van de eerzuchtige oude Nagrella? Was het erven van de grootviziertitel een brug te ver als het om de tolerantie voor Joden onder de moslims van Granada ging? Of werd anti-Joods sentiment slechts opportunistisch opgeklopt uit machtspolitiek oogpunt of jaloezie?

Verwaand, corrupt en boosaardig Hoe dan ook, ondanks Montefiores overtuigende stelling dat Josef Nagrella ‘geen dwaas’ was, hij behoudt zijn functie immers tien jaar, gaat het mis. Daarbij krijgt Josef een bijzonder slechte pers van zijn islamitische tijds- en stadsgenoten. “De kronieken schetsen het portret van een arrogante, hooghartige jongeman, verwaand, corrupt en zelfs boosaardig, die de emir aan zich onderwerpt door hem stomdronken te voeren en misschien de wijn aan te lengen met een mysterieus Joods vergif dat bedoeld was om hem tam en afhankelijk te maken”, schrijft Simon Schama, om er snel aan toe te voegen dat de enige verhalen over het ‘wanbestuur’ van Josef uit ‘verbitterde Arabische bronnen komen’.

Hoe succesvol deze anti-Nagrellapropaganda ook na bijna een millennium nog was, blijkt uit de tekst van nota bene de Jewish Encyclopedia, die in 1906 praktisch dezelfde bewoordingen gebruikte als Schama, maar dan zonder de kanttekening dat de bronnen ervan op zijn zachtst gezegd suspect zijn. Josef wordt door de twaalfde-eeuwse rabbijn Abraham ben David juist bewonderd: hij zou geen van zijn vaders positieve karaktertrekken gemist hebben, behalve dat hij minder bescheiden was (blijkbaar had Abraham nooit Nagrella seniors gedichten gelezen). Hoe dan ook, in 1066, tien jaar na Samuels dood en Josefs aantreden als vizier, slaat de vlam in de pan.

Een woedende moslimmenigte valt Josefs stadspaleis aan de voet van de heuvel waarop nu het Alhambra staat aan en jaagt de vizier door de straten. Hij ontkomt niet. Zijn belagers vermoorden hem en kruisigen hem – gelukkig in die volgorde – bij de Elvirapoort. Daar blijft het niet bij. Een pogrom van voor islamitisch Spanje tot dan toe ongekende proporties breekt uit. Het is 30 december 1066 en het bloedbad betekent voorlopig het einde van Garnata al-Yahud. De schattingen over het dodental van de pogrom lopen uiteen van enkele honderden tot vierduizend, waarbij dat laatste aan historische overdrijving onderhevig lijkt. Feit is wel dat de Joodse invloed in Granada pas eeuwen later onder de Nasriden weer significant is en nooit meer die van de Nagrella’s zal benaderen.

Tien jaar na Samuels dood en Josefs aantreden als vizier, slaat de vlam in de pan

‘Het volk van God’
En dan is er de eeuwige ironie van de geschiedenis. Samuel Nagrella, misschien wel de belangrijkste Hebreeuwse dichter van de middeleeuwen, ziet zijn poging een dynastie van Joodse vizieren te stichten gedwarsboomd door… een gedicht. De woede van de menigte wordt onder meer gewekt door een vers van Abu Ishaq, een van Josefs verbitterde vijanden. Hij roept in dat fatale jaar 1066 koning Badoes op de oude wetten te respecteren die bepalen dat Joden niet boven de aanhangers van de ‘ware religie’ gesteld mogen worden. En Abu Ishaq doet dat op de meest weerzinwekkende antisemitische wijze, in woorden die door duizenden European eeuwenlang op hun eigen wijze zullen worden herhaald.

“Zet hen (de Joden, red.) op hun plaats / en reduceer hen tot het laagste van het laagste, (…) / Hoe kunt u van dit bastaardgebroed houden? (…) / Hoe kunt u stijgen naar grootheid / terwijl zij vernietigen wat u bouwt? (…) / Laat hen aan de meest vervloekten onder de vervloekten / Want de aarde schreeuwt hun kwaadaardigheid uit (…) / Richt uw oog op andere landen / En u zult zien dat Joden verstoten honden zijn …” Zo gaat Abu Ishaq nog even door om te besluiten met een appèl de ongelovigen niet te sparen. Josef zou immers ‘lachen’ om de islam – een beschuldiging waaraan door historici ernstig wordt getwijfeld – ‘en zijn volk heeft elke kostbare zaak vergaard’. Het cliché blijkt van alle tijden.

Een Jood en een moslim schaken. Spaans-christelijke afbeelding uit de dertiende eeuw

Er is volgens Abu Ishaq geen sprake van een vertrouwensbreuk als de Joden van Granada worden gedood, “de ware vertrouwensbreuk zou zijn hen door te laten gaan”. Want “God ziet Zijn volk en het volk van God zal zegevieren”. Toen al die stereotypes over graaiende, onbetrouwbare en onmenselijke Joden, in combinatie met een oproep aan de volgers van de ware God in Zijn naam de ongelovigen te bestraffen… en te doden. Zoveel lijkt er niet veranderd in de afgelopen duizend jaar.

Een aantal vertalingen van Samuel Nagrella’s gedichten komt uit Simon Schama’s De geschiedenis van de Joden, deel 1. Andere versregels heb ik zelf vertaald vanuit de Engelse vertalingen van Nagrella’s werk door Peter Cole (Selected Poems of Shmuel HaNagid) en Leon J. Weinberger, Jewish Prince in Moslem Spain: Selected Poems of Samuel ibn Nagrela.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *