Nieuws

Overwinning met een nare bijsmaak

Redactie 28 november 2018, 00:00

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen die de regering oproept het gebruik van de IHRAwerkdefinitie van antisemitisme te stimuleren. Tot zover het goede nieuws.

H et is er dan toch van gekomen, er is een motie over de antisemitismedefinitie van de Internatioenal Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) aangenomen in de Tweede Kamer. Toegegeven, de motie stelt in praktijk weinig voor, het is niet zo dat de ‘werkdefinitie’ voortaan in ons land gehanteerd gaat worden door regering, rechter of politie. Wat dat betreft moeten Nederlandse Joden het met minder bescherming doen dan hun geloofsgenoten in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Oostenrijk, Bulgarije, Roemenië, Litouwen of Macedonië. En Israël natuurlijk.

Toch is het aannemen van de door SGP-voorman Kees van der Staaij voorgestelde motie een stap vooruit. Vorige week sneuvelde een eerdere poging omdat deze niet op de steun van de PVV kon rekenen. Verrassend, gezien de pro-Joodse houding van Geert Wilders’ fractie? Niet echt, de eerste motie-Van der Staaij riep ertoe op de werkdefinitie binnen de EU te promoten. Een viezer woord dan die twee samengevoegde letters kent men bijna niet bij de rechtspopulisten, dus volgt op elke motie die zelfs maar zijdelings met de Unie van doen heeft, steevast een njet. De PVV-afkeer van de EU is groter dan haar liefde voor het jodendom, dus werd bij de eerste motie zonder pardon het kind met het badwater weggegooid.

Paradoxale situatie
De tweede haalde het dus wel, elke verwijzing naar Brussel was eruit gesloopt. Reden voor de PVV om vóór te stemmen, het CDA deed vorige week al mee, dus de meerderheid was gegarandeerd. De motie luidde: “…overwegende dat de strijd tegen het veelkoppige monster van het antisemitisme grote inzet en goede afstemming vraagt; verzoekt de regering, steun te verlenen aan het hanteren van de internationale IHRA-werkdefinitie van antisemitisme.” Let wel, de Kamer wil dus blijkbaar niet dat de Nederlandse regering de definitie zelf hanteert, slechts dat zij internationaal steun verleent. Een nogal paradoxale situatie – je zou kunnen redeneren dat het onzinnig is een definitie te promoten die je zelf niet wenst te hanteren. Toch blijft er een nare smaak in de mond achter wanneer je het stemgedrag van de partijen bij de motie-Van der Staaij nader analyseert. Want waar rechts Nederland zich en bloc achter de strijd tegen antisemitisme schaart, laten alle linkse partijen Joods Nederland in de kou staan. Vanaf D66 tot aan de SP is het oordeel van ‘progressief’ Nederland unaniem: deze definitie moeten we niet. Een bizarre situatie, zelfs het Britse, hardlinkse Labour van Jeremy Corbyn heeft de definitie aanvaard. D66, PvdA, GroenLinks, Partij voor de Dieren, SP en uiteraard Denk halen Jodenhater Corbyn links in als het om antisemitisme gaat.

Erger nog, hierover lijkt binnen de betreffende partijen niet eens discussie meer te bestaan. Geen enkele waarnemer verwachtte dat het linkse blok de IHRA-definitie zou omarmen. Het staat inmiddels in Den Haag bijna in steen gebeiteld dat pro-Joodse, laat staan pro-Israëlische maatregelen en zelfs de bestrijding van antisemitisme op een nee van alle partijen links van het CDA kunnen rekenen. Behalve Denk hebben al deze partijen zich wel achter het Amsterdam Joods Akkoord geschaard, waarbij de IHRA-definitie een centrale rol speelde, maar landelijk weigeren zij een vergelijkbaar standpunt in te nemen.

Volkomen legitiem
D66, de meest pro-Europese partij van ons land, gaat zelfs in tegen de oproep van het Europees Parlement de werkdefinitie wél te gebruiken. Ironisch genoeg spiegelen de sociaalliberalen daarmee de PVV-afkeer: D66 is zo fel tegen de bestrijding van antisemitisme dat zelfs de wil van het Parlement in Brussel genegeerd wordt.

De drogreden die de linkse partijen hierbij gebruiken is dat de IHRA-definitie kritiek op Israël onmogelijk zou maken, maar dat is een leugen uit de koker van BDS-organisaties als The Rights Forum, het Palestina Komitee en Een Ander Joods Geluid. Sommige anti-Israëlische uitingen zijn uiteraard antisemitisch, bijvoorbeeld de vergelijking tussen de Joodse staat en het naziregime, maar elke uiting van normale kritiek op de staat Israël en zijn regering zijn volkomen legitiem. Niets in de werkdefinitie suggereert het tegendeel.

Het is bizar dat de progressieve partijen in de Kamer hun stemgedrag laten afhangen van een bewust verzonnen interpretatie van de definitie, iets waar zoals gezegd de Amsterdamse afdelingen van die partijen niet intrapten. Nog vreemder is dat er binnen die partijen geen enkele discussie meer over bestaat. Spelen electorale overwegingen hierbij wellicht een rol? Is racismebestrijding wél, maar antisemitismebestrijding niet langer een linkse prioriteit?

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *