Column

Stamgast bij de charediem

Rivka Hellendall 24 oktober 2021, 11:00
Stamgast bij de charediem

Zelfs mijn ruimdenkende vrienden zetten grote ogen op als ik vertel dat ik op donderdagavond (hier het begin van het weekend) regelmatig voor mijn plezier naar Mea Sjeariem ga. Die wijk (letterlijk ‘honderd poorten’) is een van de oudste en vroomste van Jeruzalem. In tegenstelling tot de meeste buurten zijn alle winkels hier gericht op de wijkbewoners: muziek-, boek- en kledingwinkels verkopen alleen producten die aan alle religieuze eisen voldoen. Hoewel het een kenner vergt om alle subgroepen uit elkaar te houden op basis van het soort jas, hoed, of pruik, is iedereen hier charedisch: men houdt zich in principe zo streng mogelijk aan de halacha, de Joodse wet.

Ik was er niet op gekomen naar Mea Sjeariem te gaan, als ik een tijd geleden niet ontzettend veel zin in Asjkenazisch eten had gehad. Choemoes, kubbeh, sabich, chreime: Jeruzalem zet gemakkelijk de hele Noord-Afrikaanse en Midden-Oosterse keuken voor je op tafel. Ik vind het allemaal heerlijk, maar zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens, en ik ben nu eenmaal zo Asjkenazisch als een matsebal. Nu wil mijn ongeluk dat Asjkenazisch eten in mainstream Israël momenteel zo hip is als een nieuwe heup en je dus al snel op chassidische plekken bent aangewezen om hieraan te komen.

Lange rok
Via Facebook hoorde ik over een populair restaurant annex cateringbedrijf in Mea Sjeariem. Ik dacht na. De wijk heeft een ingewikkelde reputatie onder buitenstaanders, hoe reikhalzend die ook naar het volgende seizoen van Shtisel uitkijken. Iedereen kent wel een verhaal over een soldaat die per ongeluk Mea Sjeariem binnenloopt en vervolgens door een antizionist een steen naar zijn hoofd krijgt geslingerd. De wijk heeft de naam niet vrouwvriendelijk te zijn, met name als vrouwen zich niet aan de allesbedekkende charedische kledingvoorschriften houden. Maar als er eenmaal goede cholent kan worden vergaard, deins ik nergens voor terug. Ik trok een iets langere rok aan dan normaal en vertrok, me alvast voorbereidend op mogelijke religieuze spanningen. Mijn relatief korte mouwen en sandalen, beide eigenlijk not done in deze contreien, had ik namelijk niet verwisseld voor conservatievere opties. Moet kunnen, dacht ik, al was ik daar eigenlijk niet zeker van.

Tot mijn grote opluchting ben ik tot nu toe nooit vervelend behandeld in dit bastion van zeer orthodox jodendom. Wat ik niet had durven verwachten, is dat ik aanvankelijk met nieuwsgierigheid en, naarmate ik vaker kwam, met hartelijkheid als enige niet-charedische klant in het restaurant zou worden ontvangen. Wat mogelijk helpt, is dat ik me verstaanbaar kan maken in het Jiddisj: een vaardigheid die onder niet-charediem overweldigend verloren is gegaan. Ik heb iets met Jiddisj: het is en blijft de moedertaal van mijn in Warschau geboren oma. Dankzij mijn Nederlandse achtergrond, mijn beheersing van het Duits en kennis van Hebreeuwse letters ben ik er met behulp van een Zoomcursus tijdens de coronaperiode aardig ingekomen.

Manager
Inmiddels kent een aantal medewerkers mij van gezicht en ik hen. Hoewel ik ook heb meegemaakt dat charedische mannen mijn blik op straat vermijden, kan ik hier tot mijn verrassing prima met hen in gesprek gaan. Met eentje, een oudere man en mogelijk de manager, heb ik goed contact. Vlak voor de feestdagen nodigde hij mij uit bij zijn familie te komen eten. Ik had toen jammer genoeg al afspraken, anders had dat ook een mooie column kunnen opleveren. Daarna was ik er een paar weken niet, tot afgelopen week. Hij kwam bij mijn tafel langs en vroeg mij in het Jiddisj hoe ik me voelde. “Eh, prima hoor, Baroech Hasjeem. Hoezo?” “Ja, ach, we hadden je een tijd niet gezien. Was je weer in Nederland?” Zonder dat ik het doorhad, was ik een nieuwe stamgast geworden.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *