Dossiers

Toneelspelen om kinderen te redden

Lang wilde Betty Goudsmit-Oudkerk niet spreken over wat zij in de oorlog heeft meegemaakt, als kinderverzorgster in de Joodse crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Nu is er een boek over haar verschenen: Betty – Een joodse kinderverzorgster in verzet. Max Arian, die als jongetje van drie door de crèche gered werd, ging samen met Betty’s kleindochter Simcha Goudsmit met haar praten. “Ik wilde nooit zo op de voorgrond treden, maar als ik het nu toch vertel is dat vanwege mijn kinderen.”

Max Arian 28 oktober 2020, 10:00
Toneelspelen om kinderen te redden

Met lef, humor en charme heeft Betty Goudsmit-Oudkerk, naar eigen zeggen, als Joods meisje de oorlog weten te overleven. En doordat zij zo’n knap uiterlijk had. “Maar, ja, dat krijg je er gratis bij,” zegt zij direct. Zij heeft daarmee niet alleen haar eigen leven weten te redden. Als achttienjarige verzorgster in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam heeft zij ook tientallen Joodse kinderen helpen onderduiken. Ik (auteur Max Arian) was er daar, als driejarig jongetje, zelf een van in augustus 1943. Vandaar dat ik, met Betty’s kleindochter Simcha, nu bij haar kom praten, in haar ruime appartement in Buitenveldert. De kamers zijn gevuld met tientallen foto’s in fraaie lijstjes, gemaakt van verknipte AH-foldertjes, en letterlijk honderden glazen en plastic potten waar zij kunstig jasjes omheen gehaakt heeft, met draad gemaakt van oude plastic tassen. “Ik ben al vanaf vier uur ’s ochtends aan het haken, als je wakker wordt moet je iets doen.”

Betty (92) vertelt heel levendig en met veel humor. Natuurlijk weet zij data niet meer precies en kan zij soms moeilijk op namen komen. Ze rijgt de verhalen ook weleens op een wonderlijke manier aan elkaar, maar anekdotes over wat er in oorlogstijd gebeurde vertelt zij vol smaak en details.

“Ik zat in die tijd op de Amsterdamse Huishoudschool, een school voor meisjes uit rijke gezinnen, aan het Zandpad bij het Vondelpark. We waren met zo’n dertig meisjes en leerden alles wat met de huishouding te maken heeft: koken, strijken, wassen, de hele reutemeteut. Op een dag worden de zeven Joodse meisjes op de school bij de directrice geroepen en die zegt: ‘Dames, jullie krijgen vandaag je diploma, ook al zijn jullie nog niet klaar met je opleiding. Het is een bevel van hogerhand.’ En toen stonden we dus op straat. Toen ik thuiskwam vroeg mijn moeder wat er was gebeurd. Op dat moment kwam mijn oudste broer Gerrit binnen met een donkere jongen, Nico Pimentel, en die zei: ‘O, dat is helemaal geen probleem, ik heb een tante die directrice is van de crèche en die zal misschien wel heel blij zijn met jullie.’ Dus zijn we met z’n zevenen op een dag naar de crèche in de Plantage Middenlaan gewandeld. Daar was mevrouw Henriëtte Pimentel de directrice en we konden er meteen terecht, want op dat moment mochten de niet-Joodse meisjes niet meer in een Joodse crèche werken.”

Kinderen en verzorgsters in de crèche, 1941-1943. Helemaal rechts staat Ruth Katz. Foto: privébezit Ruth Katz

Niets is vies
In de ogen van Betty was het een crèche voor kinderen van arme, soms heel arme mensen, kinderen van werkende moeders. Zelf kwam zij uit een familie in goeden doen. Haar vader zat in de textiel en had een grote zaak in de Van Woustraat, waar ze met het gezin boven woonden. Maar Betty wist wel van aanpakken: “Mijn eerste taak in de crèche was luizen tellen, daar moest je een hele administratie van bijhouden. De andere meisjes zeiden: ‘Hè bah, wat vies…’ Maar ik vond het echt leuk werk, want niets is vies.”

De crèche was in 1906 opgericht in de Jodenbuurt en verhuisde in 1924 naar een groter, monumentaal pand: Talmoed Tora aan de Plantage Middenlaan 31, dat helaas in de jaren 70 van de vorige eeuw is afgebroken. Het was een moderne, vooruitstrevende crèche, streng, maar liefdevol geleid door Henriëtte Pimentel.

In 1942 veranderde de functie van de crèche. Niet alleen moesten niet-Joodse kinderen en verzorgsters verdwijnen, in de loop van dat jaar werden kinderen van ouders die in de Hollandsche Schouwburg wachtten op transport naar Westerbork in de crèche daartegenover ondergebracht om vandaaruit te worden gedeporteerd. Betty was een van de verzorgsters die als taak kregen de huilende kinderen naar de crèche te brengen en daar tot rust te brengen. Zij haalde ook de moeders als het tijd was om de baby’s te voeden. Maar zij herinnert zich niet dat zij, zoals haar vriendinnen Fanny Philips en Sieny Kattenburg deden, aan ouders in de schouwburg moest vragen of ze toestemming gaven om hun kinderen elders onder te brengen, om ze op die manier voor deportatie te behoeden.

‘Mijn eerste taak was luizen tellen, daar moest je een hele administratie van bijhouden’

Op een dag vroeg directrice Pimentel haar wel voortaan met de grotere jongens, van veertien, vijftien jaar, op te trekken. Betty: “Nou ja, ik kan zingen en ik kan gek doen, ik heb van alles en nog wat bedacht. Die jongens waren bij de ouders weggehaald en ze waren in een heel nare toestand van angst. Ik heb piano met ze gespeeld en met ze gedanst om ze vrolijk te maken en op een dag heb ik iets heel geks bedacht. Ik liet me vastbinden op een stoel en vijf hoog omhoog hijsen en daarna lieten ze me weer neerkomen. Ik moest toch iets doen om die jongens stil te krijgen! Gelukkig was ik voor God noch gebod bang. Dat is omdat ik dol ben op toneelspelen, dat heeft mijn leven gered, en dat doe ik nog steeds, soms denk ik dat ik mezelf speel. Mijn moeder was actrice en pianiste, zij heeft piano gespeeld onder Willem Mengelberg in het Concertgebouw tot zij er genoeg van had dat hij haar die Jodin of zelfs die rot-Jodin noemde, want hij was een grote antisemiet.”

Frisse lucht
Mevrouw Pimentel had nog iets anders voor haar in petto. Zij moest met de kinderen gaan wandelen, die hadden toch frisse lucht nodig, werd tegen de Duitse bewakers gezegd. In het Portugees-Joodse ziekenhuis daar vlakbij zaten mensen van het verzet en die namen de kinderen van haar over. Soms ging het om een baby in een tas met een ritssluiting, ‘maar wel zo dat het nog adem kon halen’.

Zij hield ervan nachtdienst te hebben: “Dan had je contact met de hele groep.” Op een nacht stond een man voor de deur met een baby. “Hij zei dat hij in Aerdenhout woonde en dat het kindje, nog een echte zuigeling, bij hen ondergedoken was, maar hij vertrouwde de buren niet. Waar moest ik met zo’n kindje naartoe? Ik heb een kistje bekleed en het in een overdekt stukje van de tuin gezet. Diezelfde dag kwam een Duitser controleren. ‘Wo ist das schöne Weib?’ riep hij. Nou, die was er niet meer, want ik was via de nooduitgang naar boven gelopen. Ja, ik heb heel wat meegemaakt, maar omdat ik alles toch met een lach benader, heb ik het allemaal, tja, kunnen inslikken.”

Betty Goudsmit-Oudkerk en Sieny Cohen-Kattenburg ontvingen op 28 september beiden een B’nai B’rith-oorkonde voor het redden van honderden Joodse kinderen uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Deze oorkonde, met de titel ‘Jews rescued Jews’, wordt uitgereikt aan Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet hebben gezeten. Aanwezig bij de uitreiking in het Nationaal Holocaust Museum was burgemeester Eberhard van der Laan, die een toespraak hield en het eerste exemplaar van het boek Betty in ontvangst nam. Foto: Dirk P.H. Spits/DPHOTO

Betty’s vader was ‘gelukkig’ aan het begin van de oorlog al gestorven, aan een hersenbloeding, maar ze moest wel meemaken dat haar moeder, grootmoeder en de huishoudster in de Van Woustraat werden opgehaald. Zij en haar jongere broertje hoefden niet mee, ze stonden niet op de lijst. Haar zusje was al ondergedoken, door hulp van een Duitse vriend van haar ouders, oom Karel, die ook zorgde dat haar broertje Jaap naar een gezin in het zuiden van het land kwam. Haar oudere broers waren getrouwd, in de hoop dat ze dan niet zouden worden opgeroepen, tevergeefs.

Koffiegeur
Toen zij geen huis meer had, mocht zij op een kamertje boven in de crèche wonen. Ze draaide toen wekenlang nachtdiensten. Op een nacht stond er een NSB’er aan de deur van de crèche. Hij wilde de kinderen tellen. Maar daar kwam niet veel van terecht, want hij rook een koffiegeur die uit de keuken kwam. “Ik vroeg hem of hij koffie wilde, maar het was wel surrogaat. Hij ging mee naar de keuken en is drie avonden teruggekomen. De derde avond zei hij dat hij het er met z’n vrouw over had gehad en dat ik als ik in de problemen zou zitten bij hen terecht kon. Ik moet er nog om lachen als ik er weer aan denk.” Toch was deze ontmoeting later van belang, bij de laatste razzia, toen de hele crèche al leeg was en de laatste Joden in een lange rij over straat gingen. “Ik zag honderden mensen lopen, oudjes, kinderen, invaliden, de laatste Joden uit Amsterdam, die uit hun huizen werden gehaald. Ik wilde daar niet bij lopen, maar ik heb het toch gedaan, mee naar het Amstelstation. Daar zaten twaalf NSB’ers aan een lange tafel, die moesten de sleutels van de huizen incasseren. De man die koffie was komen drinken op de crèche zat er ook tussen en die schudde met z’n hoofd naar me, alsof het wel goed zou komen. Hoofd Jodenvervolging Lages stond bij de deur. ‘Wohin geht das junge Weib?’ vroeg hij. De man van de koffie zei: ‘Sie ist gemischt verheiratet.’ Onzin natuurlijk, maar ik mocht de deur uit en ben toen naar een broer van oom Karel gegaan, die kachelsmid was. Zijn zoon heeft me naar de boer gebracht, waar mijn zusje door hulp van oom Karel, al ondergedoken was. Toch vond ik na verloop van tijd dat ik daar weg moest. Een meisje op school had gezegd, dat zij ‘ook Joodse kinderen in huis hadden’. Mijn zusje vond het moeilijk dat gezin met zes kinderen in de steek te laten, de moeder had tuberculose en moest kuren. Maar ik voelde dat het niet goed was dat we daar bleven, dus we zijn er toch maar weggegaan.”

‘Ik zag honderden mensen lopen, de laatste Joden uit Amsterdam. Ik wilde daar niet bij lopen, maar ik heb het toch gedaan’

Makkes
“Ik ben niet gelovig Joods, mijn grootmoeder was wel fanatiek godsdienstig en zij heeft voor veel geld een wonderrebbe uit Parijs laten komen toen ik een gevaarlijke kinderziekte had. Mijn ouders waren alleen behoudend Joods, maar mijn vader subsidieerde het sjoeltje in de Gerard Doustraat.”

“Ik ben met de helm geboren, zo’n vlies over m’n hoofd, en ik heb een extra gave, dat ik dingen van tevoren weet. Dat heeft vaak mijn nesjomme gered, dat is Joods voor ziel. Mijn ouders kwamen veel in Duitsland, in een kuuroord, en daar hebben ze het antisemitisme ondervonden, ze wilden daar nooit meer naartoe. Mijn moeder wilde Nederland wel verlaten, maar mijn vader voelde zich verantwoordelijk voor het personeel van zijn zaak. Oom Karel, de vader van een vriendinnetje van school, was in Duitsland geboren en werkte voor de Nederlandsche Handelsmaatschappij, hij sprak heel goed Duits. Maar daardoor wist hij ook wat er daar gebeurde en heeft hij voor onderduikadressen voor mijn zusje, mijn broertje en mij kunnen zorgen. Hij heeft heel veel goeds gedaan.”

“Mijn man Bram kwam uit Groningen, wij kenden de familie Goudsmit uit een pension in Putten. Bram was naar Palestina gegaan om een stuk grond voor zijn ouders te kopen en hij nam in de oorlog dienst in het Engelse leger. Vanuit Engeland kwam hij naar Nederland en gaf mij een fiets. Nou, dan word je wel verliefd, als een man zo aardig is en je ook nog een fiets geeft.”

Henriëtte Pimentel (links) in de Hervormde Kweekschool, 1941-1942. Foto: privébezit Ruth Katz

“Ik heb na de oorlog in de Bergstichting gewerkt, waar Joodse kinderen werden ondergebracht die geen ouders meer hadden. Ik had zo drie van die kinderen willen adopteren. Maar ik heb uiteindelijk vijf kinderen met Bram gekregen. De twee eerste zijn in Israël geboren, maar omdat een van hen een slecht gezichtsvermogen had zijn we weer naar Nederland gegaan, om daar iets aan te laten doen. Hoeveel kleinkinderen ik heb? Achttien geloof ik. En achterkleinkinderen… ik weet niet eens hoeveel.”

“Nu heb ik zoveel makkes dat ik het liefste niet meer wakker zou worden. Maar dat laat ik niet zien, dat hoort bij mijn toneelspel. Ik laat mijn verdriet niet zien aan andere mensen. Daardoor had ik wel vaak krampen en heb ik veel darmoperaties moeten ondergaan. Professor Wiebenga zei tegen mij: ‘Je moet eruit gooien wat je dwarszit.’ Dat is wel een leuk verhaal. We woonden in de Diepenbrockstraat en toen ik thuiskwam zei mijn man iets dat me niet beviel. Toen heb ik een grote fles chocolademelk door de keuken gegooid en ik riep: ‘Professor Wiebenga!’ Mijn man wist niet wat hem overkwam. De keuken was net helemaal witgeschilderd. Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik zo’n gek mens ben.”

Esther Göbel en Henk Meulenbeld, Betty – Een joodse kinderverzorgster in verzet, Gibbon Publishing Agency, € 19,90.

Dit artikel verscheen eerder in NIW 4, 5777.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *