Weense weemoed

De kehilla in de Oostenrijkse hoofdstad drijft op een glorieuze, maar ook gitzwarte traditie. “Je kunt ook te veel in het verleden leven.”
Stadttempel, synagoge in de Seitenstettengasse
Stadttempel, synagoge in de Seitenstettengasse

Tekst en foto’s: Bart Schut

Een van de belangrijkste plaatsen voor de roemrijke culturele geschiedenis van Joods Wenen heeft niets met het jodendom te maken. Achter de bescheiden façade van een Kapucijnerkerk, bijna onooglijk in de met paleizen bezaaide straten van de Oostenrijkse hoofdstad, vindt de inquisitieve bezoeker de Kaisergruft, de grafkelder van de Habsburgers. In deze kelder, ook bekend als de Kapuzinergruft (tevens de titel van een van de beste romans van Joseph Roth, wel degelijk een Jood), is de ene grafzerk nog uitbundiger bewerkt dan de andere. Hoewel, op het einde van de tour door de gewelven liggen drie veel minder opvallende kisten, waaronder de misschien wel belangrijkste. Zij aan zij liggen daar de grafkisten van keizerin Elisabeth in Beieren, bijgenaamd Sisi – het grote voorbeeld van schoonheid en vrouwelijkheid in de tweede helft van de 19e eeuw, haar zoon Rudolf – de in onmin gevallen kroonprins die in jachtslot Mayerling een einde maakte aan zijn leven en dat van zijn minnares, en zijn vader Franz Joseph I – de keizer onder wie de Joodse gemeenschap in Wenen een gouden eeuw beleefde. Het kwam de oude keizer (bijna zeventig jaar duurde zijn heerschappij, van 1848 tot zijn dood in 1916) op een bijna religieuze verering van de Oostenrijkse Joden te staan. Dat woord is bewust gekozen: zij schreven gebeden en liederen voor de keizer die nog in oude Joodse gebedenboeken te vinden zijn.

Zelden heeft de Joodse cultuur in Europa zo gefloreerd als in het Wenen van Franz Joseph. De lijst van grote namen in cultuur en wetenschap is schier eindeloos: musici (Mahler, Schönberg), schrijvers (Roth, Zweig), filosofen (Popper, Buber), artsen (Freud, Adler) en niet te vergeten Theodor Herzl, de vader van het zionisme [zie kader p. 23]. Franz Joseph was een van de eerste Oostenrijkse koningen en keizers die volledig vrij van antisemitisme leek: hij zag alle bevolkingsgroepen in zijn immense multiculturele rijk als zijn onderdanen, hun religie had daar niets mee te maken. Vanaf de eerste dag van zijn heerschappij zette de keizer zich in voor de emancipatie van de gemeenschap, wat in 1867 uitmondde in volledige burgerrechten.

Het kwam de oude keizer op een bijna religieuze verering van de Oostenrijkse Joden te staan

Zoals gezegd, het kwam hem op de adoratie van de Joden te staan. “Wij waren misschien wel de allerlaatste monarchisten, koningsgezind tot het einde,” vertelt Raimund Fastenbauer, secretaris-generaal voor Joodse Zaken van de Israelitische Kultusgemeinde Wien, terwijl hij mij een gedenkplaat toont voor honderden Weense Joden die voor hun keizer sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. “En dit zijn nog maar de gevallenen uit één district.”

Onbezorgd

Het leven van de Oostenrijkse Joden was niet altijd zo – relatief, maar daarover later meer – onbezorgd als onder Franz Joseph. Zijn betovergrootmoeder keizerin Maria Theresa was een notoire antisemiet, die de rechten en autonomie van Joden in haar nieuw verkregen provincie Galicië (tegenwoordig in Zuid-Polen en West-Oekraïne) resoluut de nek omdraaide. Maar zelfs zij was een heilige vergeleken bij veel van haar middeleeuwse voorgangers. In 1420 verbande koning Albrecht II alle Oostenrijkse Joden, op de tweehonderd rijksten uit Wenen na. Hen liet hij levend verbranden, waarna uiteraard al hun bezittingen de troon toekwamen. Het zullen dan ook niet de Joden zijn geweest die Albrecht zijn bijnaam, ‘de Grootmoedige’, gaven.

Een opeenvolging van keiharde antisemieten en meer tolerante koningen – het is een beeld dat gedurende de Middeleeuwen in de meeste Europese koningshuizen te zien is. Frederik II hief de verbanning in de tweede helft van de 15e eeuw op, wat hem weer een heel andere bijnaam, ‘Koning van de Joden’, opleverde. De 16e en 17e eeuw werden gedomineerd door een reeks anti-Joodse heersers, gesteund door de fel antisemitische Jezuïetenorde, met als dieptepunt een nieuwe golf verbanningen onder keizer Leopold I. Het leek alsof er geen toekomst was voor de Joden van Oostenrijk, een land waar zij zich al in de 3e eeuw hadden gevestigd.

Straatarm

Totdat Franz Joseph een streep zette onder de antisemitische traditie van zijn voorvaderen en Wenen in een centrum van Joodse cultuur veranderde. Nu ja, niet alles was koek en ei in het Wenen van de 19e eeuw. De nazaten van Salomon Mayer von Rotschildt en andere rijke Joden woonden misschien aan de chique Ringstrasse en Sigmund Freud wandelde er elke dag, maar de overgrote meerderheid was straatarm, legt Hannah Landsmann, gids in het Joods Museum van de stad, uit. “Vooral de geschiedenis van de rijke Weense Joden heeft de tand des tijds doorstaan, waardoor het lijkt alsof dat de norm was, maar het tegendeel was waar,” vertelt Landsmann, “het is geen toeval dat zovelen na de Eerste Wereldoorlog socialist werden.”

Niet alleen armoede was een probleem. Ondanks Franz Josephs inspanningen was antisemitisme allesbehalve een vergeten reliek uit het verleden. In 1897 werd Karl Lueger gekozen tot burgemeester van Wenen, zeer tegen de zin van de keizer in die hem tot op het bot verachtte. De extreem christelijke burgemeester zorgde ervoor dat er in de hoofdstedelijke ambtenarij geen plek was voor Joden. Gustav Mahler mocht pas chef-dirigent van het Weens filharmonisch orkest worden nadat hij zich tot het rooms-katholicisme had bekeerd.

‘ Wie Joods is, bepaal ik,’ placht de burgemeester te zeggen

Lueger was een ouderwetse, ‘gezellige’ antisemiet, met een keur aan Joodse vrienden. “Wie Joods is, bepaal ik,” placht de burgemeester te zeggen (een uitspraak die een halve eeuw later ook door Hermann Göring zou worden gebezigd) en de wereldberoemde Joods-Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig was van mening dat Luegers ambtelijke apparaat ‘rechtvaardig en zelfs typisch democratisch was’. Onder hen die zich door Luegers antisemitisme lieten inspireren was ook een jonge kunstschilder, die van 1907 tot 1913 in de Oostenrijkse hoofdstad leefde. Zijn naam was Adolf Hitler.

Herzl

Ongetwijfeld onbedoeld had Lueger ook grote invloed op het denken van een andere Wiener die een enorme rol zou spelen in de toekomst van het Joodse volk. Het rabiate antisemitisme van de Weense burgemeester bracht de Neue Freie Presse-journalist en atheïst Theodor Herzl tot de conclusie dat de Joden beter Europa konden verlaten om een eigen staat te stichten. In 1895, tien jaar na Luegers eerste verkiezing tot parlementslid, schreef Herzl in Der Judenstaat: “Wij zijn een volk – de vijand maakt ons buiten onze wil om daartoe” en “Als hele takken van het jodendom vernietigd moeten worden, is dat het waard, zolang in Palestina een Joodse staat wordt gecreëerd”. Zelfs Herzl zal een halve eeuw voor de voltooiing van de Shoa niet vermoed hebben hoezeer gelijk hij had, maar het is weinig verwonderlijk dat Zweig na het uitkomen van Der Judenstaat het boek ‘onnozel, een hoop onzin’ noemde.

Dat ‘hele takken’ zijn vernietigd, weten de Oostenrijkse Joden als geen ander. Leefden er in 1923 nog meer dan 200.000 Joden in Wenen, ruim 10 procent van de bevolking, na de Tweede Wereldoorlog waren dat er nog slechts een paar duizend. Maar de strijd was nog niet helemaal gestreden: naast de plaquette in de Kultusgemeinde en de kleine namenwand die er is opgericht, hangt nog een andere stenen tafel met vele tientallen namen van Oostenrijkse Joden die in 1948 vielen voor Herzls droom, de begeleidende tekst luidt: “Jouw juwelen, o Israël, liggen op jouw hoogten, afgeslacht, hoe zijn deze helden gevallen!” En bij binnenkomst in het Jüdische Museum toont de eerste vitrine – naast de koffer van een Holocaust-slachtoffer – het geweer waarmee de in Wenen geboren (en vorige maand op 92-jarige leeftijd overleden) fotograaf David Rubinger de jonge Joodse staat verdedigde.

Weense ziekte

Natuurlijk, het is een museum, dus wekt het verwondering dat alles in het teken van het verleden lijkt te staan? De fiets van Theodor Herzl, die in de nok hangt, een tot tranen roerend schriftje met afbeelding van een davidster, waarin de kleine Rosi Hauser in 1939 een opdracht voor een vriendinnetje achterliet (“Ich bin klein, mein Herz ist klein, Elfi du sollst glücklich sein”)… het verleden druipt in dikke druppels emotie van de muren. Maar weemoed is sowieso een Weense ziekte, je voelt het in de Kaisergruft, op het immense Zentralfriedhof, bij de koffie in Hotel Sacher, in de straten met hun paleizen uit de tijd van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Als Oostenrijkers er een handje van hebben deels in hun glorieuze, en Joden in hun verschrikkelijke verleden te leven, hoe moet die nostalgie de Oostenrijkse Joden dan treffen?

“Zeker, we leven met één oog op ons verleden,” vindt ook Raimund Fastenbauer, “maar ooit moet het genoeg zijn. Je kunt ook te veel in het verleden leven.” In zijn kantoor in de Israelitische Kultusgemeinde van de Stadttempel-synagoge aan de Seitenstettengasse pleit Fastenbauer ervoor zelfbewuster op te treden, in het heden te leven en aan de toekomst te bouwen. Maar hij begrijpt wel waarom dat zo moeilijk is: “De Shoa is hier pas heel laat verwerkt. Na de oorlog verklaarden de Oostenrijkers zich tot het eerste slachtoffer van de nazi’s.”

‘ Ik vroeg mij af wat voor zin het had nazi’s voor de Oostenrijkse rechter te brengen’

Fastenbauer zegt dat hij kritisch was over het werk van de in 2005 overleden Joods-Oostenrijkse nazi-jager Simon Wiesenthal (wiens nieuwe museum zo ongeveer tegen de Stadttempel aan ligt). “Ik vroeg mij af wat voor zin het had nazi’s voor de Oostenrijkse rechter te brengen, als deze hen vervolgens net zo snel weer vrijliet. Ik was meer een voorstander van de Israëlische aanpak in de zaak-Eichmann.”

Gebagatelliseerd

“Na de oorlog, leidde de Communistische Partij de Joodse gemeenschap hier. Logisch dat er toen niet veel ruimte was voor traditie en religie,” gaat Fastenbauer verder. “Pas in de jaren 80 kwam er verandering in de zaak en emancipeerde de Joodse gemeenschap. Tot die tijd leefden wij op onze koffers.” In het Joods Museum vertelt Hannah Landsmann wat die verandering teweegbracht, maar pas nadat mijn taxichauffeur op weg ernaartoe onbedoeld de gangbare Oostenrijkse zienswijze op de oorlog heeft bevestigd. Als hij hoort dat het museum mijn bestemming is, kijkt hij peinzend voor zich uit en zegt zachtjes: “De Joden… ja, die hebben ook flink geleden.”

Naast het kanselierschap van Bruno Kreisky in de jaren 70 en vroege jaren 80 heeft niets zoveel gedaan voor de emancipatie van de Oostenrijkse Joden als de affaire rond president Kurt Waldheim, meent Hannah Landsmann net als Fastenbauer. “Opeens was het normaal over het verleden, over de oorlog, ja zelfs het Oostenrijkse aandeel in de Holocaust te spreken,” vertelt de wegens een spierziekte aan haar rolstoel gekluisterde Landsmann. “Natuurlijk werd eerst geprobeerd alles onder het tapijt te vegen, Waldheims rol bij de SA werd gebagatelliseerd. Hij zou geen lid zijn geweest, slechts af en toe met leden van de nazi Sturmabteilung paard hebben gereden. Wat de sociaaldemocratische Bondskanselier Fred Sinowatz de uitspraak ontlokte: “Wij nemen voor kennisgeving aan dat niet Waldheim maar slechts zijn paard lid van de SA was.”

——————–

Een gouden eeuw

Er waren genoeg succesvolle Joodse kunstenaars en wetenschappers tussen 1848 en 1938 in Wenen om een halve editie van het NIW mee te vullen. Hier een kleine greep:

Joseph Roth (1894-1934)

Journalist en schrijver. Verloor liefst tweemaal zijn geliefde vaderland: eerst Oostenrijk-Hongarije na WO I – meesterlijk beschreven in Radetzkymars – en daarna de onafhankelijke republiek Oostenrijk na de Anschluss van 1938. Na zijn vlucht uit respectievelijk Berlijn en Wenen stierf Roth berooid in Parijs. Werken met Joodse thematiek van zijn hand: Hiob, Der Leviathan, Die Legende vom heiligen Trinker en het essay Juden auf Wandertschaft.

Gustav Mahler (1860-1911)

Componist en dirigent, afkomstig uit een arme Joodse familie in Bohemen. Werd in 1897 dirigent van de Hofopera in Wenen en een jaar later van de prestigieuze Wiener Philharmoniker, maar wel pas nadat hij zich tot het katholicisme had bekeerd. Mahler stierf in 1911 aan een hartaandoening, zijn Tiende Symfonie onvoltooid achterlatend. Op zijn grafsteen liet hij schrijven: “Wie mij opzoekt weet wie ik ben, en de rest hoeft dat niet te weten.”

Stefan Zweig (1881-1942)

Telg uit een Joods bankiers-en textielgeslacht was hij mondiaal een van populairste auteurs tussen de twee wereldoorlogen. Nadat Adolf Hitler in Duitsland aan de macht kwam verliet de auteur van het magistrale Schachnovelle Duitsland en Oostenrijk en na het begin van WOII Europa helemaal. Zowel zijn werk als dat van Joseph Roth kwam onder de nazi’s in 1933 op de zwarte lijst van ‘schöne Literatur’ en werd verboden. Op 23 februari pleegden een vertwijfelde Zweig en zijn vrouw Lotte zelfmoord in Rio de Janeiro. Hij was bevriend met Sigmund Freud.

Sigmund Freud (1856-1939)

De neuroloog en vader van de psychoanalyse leefde vanaf zijn prille jeugd in de Oostenrijkse hoofdstad, waar hij ook studeerde en zijn werk als arts begon. In 1886 trouwde Freud de dochter van een Duitse opperrabbijn en begon zijn eigen praktijk, gespecialiseerd in ‘zenuwaandoeningen’. Zijn werk werd beïnvloed door Nietzsche, Shakespeare en sigaren – deze laatsten werden zijn dood: in 1939 stierf Sigmund Freud aan de gevolgen van mond- en kaakkanker. Hij overleed in Londen, waar hij voor de oorlog naartoe vluchtte. Ook zijn geschriften vonden geen genade in de ogen van de nazi’s en werden vanaf 1933 openbaar in Duitsland verbrand.

Theodor Herzl (1860-1904)

De vader van het zionisme werd geboren in Boedapest, maar verhuisde op zijn achttiende naar Wenen, waar hij rechten studeerde. Hoewel aanvankelijk een ‘assimilist’ werd Herzl naar eigen zeggen zionist tijdens de Dreyfus-affaire in Frankrijk. Ervan overtuigd dat de Joden geen toekomst hadden in Europa, schreef hij in 1895 zijn ideeën op in Der Judenstaat: “De Joden die een eigen staat wensen, zullen er een hebben.” Hoewel Herzl migratie naar Palestina ondersteunde en dat land in gedachten had voor de Joodse staat, sprak hij in 1904 zijn steun uit voor het Oeganda-project: een vrijplaats in Oost-Afrika voor vervolgde Europese Joden. Theodor Herzl stierf in 1904 aan een hartkwaal. Conform zijn wensen werd zijn lichaam in 1949 in Wenen opgegraven en opnieuw ter aarde besteld op de naar hem genoemde Har Herzl in Jeruzalem.

——————–

Krabsalade

Hoe dan ook, de hervonden interesse in het Oostenrijkse oorlogsverleden leidde tot een nieuw zelfbewustzijn bij de inmiddels fors gegroeide Joodse gemeenschap. Deze groei kwam overigens voor een groot deel voor rekening van immigranten uit de voormalige Sovjetunie, vooral uit Georgië en sefardische Joden uit Bukhara in Oezbekistan. Er leven op dit moment tussen de tien- en twaalfduizend Joden in Oostenrijk, waarvan er dik achtduizend zijn ingeschreven bij Fastenbauers Kultusgemeinde. Maar het glorieuze culturele verleden in Wenen trekt – misschien verrassend – ook expats aan uit modernere, bloeiende Joodse gemeentes.

Andrew Mezvinsky (35) is geboren in Philadelphia en verdeelt zijn tijd tussen Wenen en New York. De beeldend kunstenaar heeft de ene na de andere tentoonstelling in Oostenrijk, onder andere in het Jüdische Museum, en steeds meer ook in andere Europese landen. “De intellectuele reuzen die hier ooit door de straten zwierven, hadden een sterke aantrekkingskracht op mij,” legt Mezvinsky zijn keuze voor Wenen uit. “De ‘Joodsheid’ van de stad is haar essentie. Natuurlijk is de gemeenschap hier nu wat conservatiever dan voor de oorlog, toen had je hier een Joods kookboek met krabsalade!” De verschillen met het moderne, Joodse New York zijn er natuurlijk in overvloed, maar Wenen heeft een geweldige subcultuur en toekomst, meent de kunstenaar. “Bovendien ligt het heerlijk centraal.” Toch komt ook bij hem onmiddellijk het verleden ter sprake, het positieve én het negatieve. “In New York heb je het eigenlijk nooit over het Joodse verleden van de stad, hier draait toch wel veel om die vlek op de geschiedenis. En ja, Wenen zit daar wel een beetje vast in.” (www.andrewmezvinsky.com)

——————–

Hunderwasser – Hiding in plain sight

De gebouwen van Friedensreich Regentag Dunkelbunt Hundertwasser (geboren in 1928 in Wenen als Friedrich Stowasser) passen qua stijl eerder tussen de modernistische meesterwerken van Gaudí aan de Passeig de Gràcia in Barcelona dan in de wat groezelige straten aan het Donaukanaal, net buiten het centrum van de Oostenrijkse hoofdstad. Maar waar het werk van de in 2000 overleden, tot Nieuw-Zeelander genaturaliseerde architect wereldberoemd is, is het verhaal hoe hij de Shoa overleefde dat een stuk minder.

Direct na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 werd de jonge Friedrich – ‘half­jood’ van moederskant, volgens de Neurenberger rassenwetten – lid van… de Hitlerjugend. Een ‘overlevingsnoodzaak’, zou Hundertwasser later zelf schrijven. Hij en zijn moeder Elsa deden tot van het einde van de oorlogen alsof zij katholiek (het geloof van zijn vader) waren. Het werkte, niemand verdacht de ‘katholieke’ moeder en haar Hitlerjugend-zoon ervan Joods te zijn. Anders dan zijn grootmoeder, tante en tachtig leden van zijn uitgebreide familie overleefden Friedrich en Elsa de oorlog.

In 1979 schreef Hundertwasser: “Ik heb het gevoel alsof alle vermoorde mensen uit mijn moeders familie mij ertoe uitverkoren en de opdracht gegeven hebben iets belangwekkends te doen dat zo groot en sterk zal zijn als alles dat zij allen tezamen hadden kunnen doen, als zij nog geleefd zouden hebben.” Friedensreich Hundertwasser wordt gezien als de grootste Oostenrijkse architect van de 20e eeuw.

——————–

Niet eens als geest

Het is toch ook weer dat verleden dat mij doet besluiten naar de Berggasse te gaan, een straat in een onopvallende wijk aan de noordelijke rand van Wenens centrum. Zelden zullen twee grote figuren uit de geschiedenis zo dicht bij elkaar gewoond hebben zonder elkaar – voor zover bekend – ooit ontmoet te hebben. Op nummer 19 had Sigmund Freud van 1891 tot 1931 zijn praktijk, op nummer 6 woonde Theodor Herzl van 1896 tot 1898. Van grote afstand is te zien dat in Freuds oude praktijk nu het aan hem gewijde museum zit, maar als ik bij Berggasse 6 kom… niets. Niet eens een bescheiden metalen plaat herinnert eraan dat de Oostenrijkse ‘Vader van Israël’ hier ooit vertoefde. Bewust? Als een bewoner het pand verlaat, glip ik naar binnen. Het gebouw is niet in opperbeste staat, op het binnenplaatsje groeit onkruid ongestoord tussen de tegels en bladdert de verf van de muren. Freud, de man wiens psychoanalyse vandaag de dag door velen lacherig van de hand wordt gewezen, heeft een eigen museum; Herzl, voor een groot deel verantwoordelijk voor de stichting van de staat Israël en dus voor heden en toekomst van het Midden-Oosten, lijkt in Wenen niet eens als geest te bestaan. Misschien moet de Joodse gemeenschap van de stad, als zij echt niet langer in weemoed wil leven, daar eens verandering in aanbrengen.

Deze Wenenspecial werd mede mogelijk gemaakt door Maror en verscheen eerder in het NIW24 van 7 april 2017

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Buitenland special

‘Waarom zou ik hier weggaan?’