De Transvaalbuurt in Leeuwarden bruiste ooit van het Joods leven. De familie van Tiny (Tineke voor bekenden) Lea Meijers-Benninga, vernoemd naar vrouwelijke familieleden van haar ouders, woonde er bijvoorbeeld. Tinekes broer Robert Simon is vernoemd naar hun opa. De familie Benninga was voor de oorlog vanuit Sneek naar Leeuwarden verhuisd en woonde in de Transvaalstraat 38.
“Onze ouders hebben ons zelden geconfronteerd met hun oorlogsverleden. Als kinderen van de tweede generatie hebben wij feilloos begrepen nooit vragen te stellen over het verleden of te praten over de oorlog. Mondjes-maat is ons nu en dan wat verteld over al onze niet-teruggekeerde familieleden. Men zei dan zachtjes: ‘niet teruggekeerd’. Nooit werd het woord ‘vergast’ of ‘vermoord’ gebruikt. Dat altijd zwijgen en nimmer praten over 40–45, brak mij op en heeft geresulteerd in een lange zoektocht naar het verleden,” vertelde Tineke Meijers-Benninga bij de stolpersteinplaatsing voor het adres aan de Transvaalstraat.
Miraculeus
Tijdens de ceremonie vertelde Meijers dat haar oma, Jenny, MS had. Daarom woonde een verpleegster bij het gezin in, Irma Löwenstein. Irma overleefde de oorlog in de onderduik. Oma Jenny zou in Westerbork overlijden. Het lot van opa Simon was diep tragisch. Hij werd na maanden in Kamp Amersfoort naar Westerbork vervoerd, maar was toen al zo in de war dat de nazi’s hem naar het Joodse psychiatrische ziekenhuis Het Apeldoornsche Bosch overbrachten. “Uiteindelijk vielen de Duitsers in de nacht van 21 januari 1943 het ziekenhuis binnen en gooiden alle 1400 patiënten plus verplegers in vrachtwagens. Ze werden per trein naar Auschwitz gedeporteerd, waar de nog levende en dode zielen in kuilen zijn gegooid en verbrand.”

Tinekes ouders, Leonhard Benninga en Sophie Nopol, hadden zich in 1940 verloofd, doken onder in Brabant maar werden door een collaborateur voor drie rijksdaalders (nu zo’n 55 euro) verraden. Via de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, waar zij nog snel in het huwelijk traden, kwamen ze in Westerbork terecht: “Door miraculeus geluk zijn zij daar 23 maanden in het kamp werkzaam geweest als kok en verpleegster. Na de bevrijding moesten een paar honderd Joden nog maanden in het kamp verblijven, want de Nederlandse staat twijfelde of zij misschien collaborateurs waren. Ironisch genoeg werden in Westerbork in diezelfde tijd honderden opgepakte NSB’ers en foute Nederlanders uit het hele land verzameld en gevangengezet, alleen door prikkeldraad gescheiden van de Joodse gevangenen.”
Frisiakrantje
Na de oorlog probeerde het echtpaar Benninga de draad in Leeuwarden weer op te pakken, maar dat lukte niet. Ze verhuisden naar Amsterdam. “Voor onze vader was het enige aandenken dat uit de oorlog is teruggevonden een kist met een mooie viool,” herinnert dochter Tineke zich. “Nooit wilde hij dit instrument bespelen.” De viool was immers het bezit geweest van zijn zus Lea, die met haar man Abraham Beekman in Sobibor werd vermoord. De viool is nu in Tinekes bezit.
‘Dat voortdurende zwijgen en nimmer praten over de oorlog brak mij op’
“Verdriet over zijn jeugd en verlies van al zijn dierbaren heeft onze vader in volledige stilte met zich meegedragen. Hij heeft zijn kinderen nooit iets over zijn leven in Friesland verteld. Onze vader was een goede voetballer bij Frisia. De enige band met Leeuwarden was na de oorlog het Frisiakrantje, dat elke week op onze deurmat belandde.”
De kinderen en kleinkinderen van Tineke Meijers-Benninga en haar broer Robert legden op 14 april voor hun familie de stolpersteinen. Ook verpleegster Irma Löwenstein kreeg er een. Die werd gelegd door commissaris van de Koning Arno Brok. Een wonderbaarlijk toeval: Brok woonde jaren op hetzelfde adres, maar wist tot voor kort niets van de geschiedenis van het huis. In totaal komen er zeshonderd struikelstenen te liggen in de Friese hoofdstad. Voor ieder adres schrijft Halbe Hageman een boekje met het familieverhaal van de voormalige bewoners.