Dossiers

Antisemitische mythes 2: van het bloed en de matses

Er is geen enkele historische basis voor te vinden en alle onderdelen ervan zijn streng verboden bij de Joodse wet. Toch blijft het geniepige bloedsprookje, dat talloze onschuldige Joodse levens heeft gekost, bestaan.

Redactie 05 mei 2019, 11:17
Antisemitische mythes 2: van het bloed en de matses

In 1255 werd het lichaam van de achtjarige Hugh gevonden in een put in het Engelse Lincoln. Al snel wees men met de beschuldigende vinger richting de Joodse gemeenschap. ‘Ze’ zouden hem hebben opgesloten, gemarteld en gekruisigd en toen de aarde het lichaampje bij een poging tot begraven ‘uitspoog’, dat in een put hebben gegooid. De Joodse Coppin (of Kopin) uit Lincoln bekende de moord, waarschijnlijk onder druk van marteling. Coppin werd op last van koning Hendrik III geëxecuteerd. Ook werden op Henrdriks bevel negentig Joden gearresteerd en vastgehouden in de Tower of London, van wie er achttien werden opgehangen. Dat Hendrik III net had ingesteld dat bezittingen van veroordeelde Joden hem ten deel zouden vallen, kan daar goed een rol in hebben gespeeld. Het dode jongetje wordt herinnerd als Little Saint Hugh. De zogenaamde marteldood van Hugh was een van de eerste voorbeelden van het bloedsprookje, een in de Middeleeuwen ontstaan antisemitisch gerucht dat Joden vals beschuldigt van de rituele moord op christelijke kinderen. Er zijn wereldwijd ongeveer 150 gevallen gedocumenteerd. Vaak werd het gebruikt wanneer er een onopgeloste moord of verdwijning was. Al wordt met het woord ‘sprookje’ bedoeld dat het een verzinsel is, het is een te vriendelijk woord voor deze kwaadaardige beschuldiging, die door de eeuwen heen gruwelijke gevolgen heeft gehad. Het Engelse blood libel (bloedsmaad) dekt de lading beter. Omdat ‘bloedsprookje’ de gangbare omschrijving is, houden we het in dit artikel aan.

‘Jaarlijks ritueel’ 

Zoals in het vorige deel van deze serie beschreven, zijn Joden door de eeuwen heen gezien als de moordenaars van Jezus, gebaseerd op teksten uit het Nieuwe Testament. In eerste instantie werd het bloedsprookje uitgelegd als een manier van de Joden om Jezus opnieuw te kruisigen door een christelijk kind te vermoorden. Vandaar dat er soms aan het (verzonnen) gerucht werd toegevoegd dat het dode kind gekruisigd was, om de associatie met de kruisiging van Jezus te versterken. In een later stadium werd eraan toegevoegd dat het kinderbloed nodig zou zijn om te vermengen met het deeg voor matses, het ongerezen brood dat bij het Pesachfeest hoort. Daarom zou het een jaarlijks terugkerend ritueel zijn. Ook werd soms gezegd dat Joden het bloed met wijn vermengden. Een derde variant stelt dat Joden het bloed nodig hadden om magie mee te bedrijven of voor medische doeleinden. Het pure, maagdelijke bloed van kinderen zou het krachtigste zijn en daarom erg geschikt voor de zogenaamde rituelen. Meer nog dan het ontheiligen van de hostie en het vergiftigen van bronnen is het bloedsprookje een van de ernstigste beschuldigingen die de Joden in de loop der eeuwen ten deel vielen. De christelijke doden werden als martelaren gezien en soms heilig verklaard. De term is soms ‘geleend’ binnen een andere setting, zoals door de Amerikaanse politica Sarah Palin in 2011. Na een moordaanslag waarbij politica Gabriele Giff ords gewond raakte en zes mensen omkwamen, werd door diverse politici en journalisten gesuggereerd dat conservatieve figuren als zij verantwoordelijk waren voor de aanval op de Democratische Giffords. Palin serveerde de kritiek af als ‘een ‘een bloedsprookje’. Amerikaanse Joden waren not amused – de referentie aan het valse gerucht dat tot vele pogroms heeft geleid vonden ze bijzonder ongepast.

Tegen de Joodse wet

Een bevolkingsgroep van dit soort kwaadaardige praktijken beschuldigen is per definitie ernstig discriminerend. Wie de Joodse wet enigszins kent weet ook dat alle onderdelen waaruit de beschuldiging bestaat voor Joden absoluut niet toegestaan zijn. “Gij zult niet doden” staat er duidelijk in de Tien Geboden. Ook mensen offeren, een ritueel dat nog tot in de Romeinse tijd in Engeland voorkwam, is ten strengste verboden. Offers doen was onder heidenen een manier om hun goden gunstig te stemmen, bijvoorbeeld wanneer de oogst dreigde te mislukken.

 Het pure, maagdelijke bloed van kinderen zou het krachtigste zijn en daarom erg geschikt voor de zogenaamde rituelen 

Oorzaken

Voor het ontstaan van het bloedsprookje is een aantal mogelijke oorzaken aan te wijzen. Joden waren in de middeleeuwse maatschappij een bekende groep vreemdelingen en een gemakkelijke zondebok bij rampen als de pestepidemie, die vooral in het Europa van de veertiende eeuw miljoenen levens kostte, of mindere rampen als een verdwenen kind of de moord op een volwassene. Omdat Joden ervan beschuldigd werden de moordenaars van Jezus te zijn, die vaak als onschuldige baby werd afgebeeld, was de stap naar ‘kindermoordenaars’ klein. Een andere mogelijke factor wordt gesuggereerd door professor Israel Jacob Yuval van de Hebrew University in Jeruzalem, een historicus die gespecialiseerd is in de Joodse wereld in de Middeleeuwen. Hij wijst er in een artikel uit 1993 op dat tijdens de Eerste Kruistocht (1096-1099) sommige Joodse families gezamenlijk zelfmoord pleegden om te ontkomen aan marteling, lynchen of gedwongen bekering door de razende meute die door Europa trok om Jeruzalem te ‘bevrijden’, en daarbij tienduizenden Joodse slachtoffers maakte. De ouders namen daarbij eerst het leven van de kinderen en daarna dat van zichzelf, in de overtuiging dat dat door de Joodse wet geoorloofd was. Yuval haalt verslagen uit christelijke hoek aan waarin gesteld wordt dat als Joden in staat waren hun eigen kroost te doden, ze dat ook konden doen bij christelijke kinderen.

Startpunt Engeland

Een voorloper van het bloedsprookje vinden we bij de Griekse filosoof Democritus, (circa 460-370 voor de gebruikelijke jaartelling). Hij stelde dat Joden elke zeven jaar een vreemdeling offerden in de tempel in Jeruzalem, waarbij ze ‘zijn vlees aan stukken sneden’. Ook volgens de Egyptisch-Griekse Homeruscommentator Apion (20 voor de jaartelling – 45 na) offerden Joden Grieken in hun tempel. 

Dierenoffers kwamen in het vroege Jodendom voor, de heidense mensenoffers waren uit den boze. Dat Abraham door God werd opgedragen zijn zoon Isaak te offeren (Beresjiet 22:1-13), maar dat God hem stopte en zijn zoon verving door een ram, zou je kunnen zien als het symbolische afwijzen van mensenoffers en aannemen van dierenoffers. Verder verbiedt het kasjroet, het geheel van Joodse spijswetten, ten strengste het innemen van bloed. Zoals in Wajikra 17:12-13 staat moet een Israëliet of een vreemdeling die onder de Israëlieten verkeert, het bloed uit een dier laten lopen en dat met ‘stof’ (in de praktijk meestal aarde) bedekken, omdat in het bloed van een levend wezen zijn ziel zit. Koosjer vlees wordt in water en zout gelegd om het bloed eruit te laten trekken, pas daarna mag het gebruikt worden in de keuken. Zelfs bloed van een wondje aflikken is niet toegestaan. Bloed verwerken in matses is dus ondenkbaar als Joods gebruik.

Maar het bloedsprookje zoals wij dat kennen heeft zijn wortels in Engeland. De geruchten over rituele moord door Joden werden gestimuleerd door geestelijken. Ze hoopten dat lokale cultvorming pelgrims aan zou trekken, en daarmee donaties. Bijna een eeuw voor de dood van Little Saint Hugh, in 1144, werd de twaalfjarige William of Norwich doodgestoken gevonden in een bos. Volgens de monnik Thomas of Monmouth (1149-1172), die de hagiografie van William schreef, zou een internationale raad van Joden jaarlijks een land uitkiezen waar een kind vermoord zou worden.

 Christelijke geestelijken hoopten dat lokale cultvorming pelgrims aan zou trekken, en daarmee donaties 

Een Joodse voorspelling zou bepalen dat het jaarlijks vermoorden van een christelijk kind de Joden van terugkeer naar het Heilige Land zou verzekeren, een bewering die op geen enkele manier gestaafd kan worden. William zou volgens het verhaal ontvoerd en gekruisigd zijn. Hij werd een martelaar, de lokale kerk een bedevaartsoord. De Joden van Norwich werden van de moord beschuldigd, maar omdat er geen bewijs was werd niemand veroordeeld. Nieuwe beschuldigingen aan het adres van de Joden volgden en leidden tot antisemitische uitbarstingen. De Joodse delegatie die de kroning van Richard Leeuwenhart in 1189 bijwoonde, werd aangevallen. In York werden 150 Joden in 1190 gelyncht, nadat ze zich in het koninklijk kasteel hadden verscholen voor een woedende menigte. Nadat het verhaal van Thomas van Monmouth de ronde begon te doen, ging het bloedsprookje ook op het vasteland van Europa een rol spelen. In de Bonum universalede apibus van theoloog Thomas van Cantimpré (1201-1272) werden soortgelijke theorieën geuit, zoals over de kwestie uit welke stad jaarlijks ‘het christelijke bloed’ gehaald moest worden.

Hele gemeenschappen vermoord

Beschuldigingen van rituele moord leidden soms tot executies van de hele Joodse gemeenschap van een dorp of stad. De eerste beschuldiging op het vasteland vond plaats in 1171 in het Franse Blois. Meer dan dertig Joden werden levend verbrand, een kinderlijk werd nooit gevonden. In 1267 werd in het Duitse Pforzheim een aantal Joden beschuldigd van het vermoorden van een christelijk meisje en in 1287 van het ritueel vermoorden van de zestienjarige Werner van Oberwesel in Bacharach. Na de Middeleeuwen zette de trend zich voort. Toen in 1475 in het Italiaanse Trente de tweejarige Simon verdween, werden vijftien Joden ter dood veroordeeld. In 1491 werd in Spanje twee Joden en drie conversos (tot het christendom bekeerde Joden) de dood van de vierjarige Christopher van Toledo in de schoenen geschoven, waarna ze werden geëxecuteerd. Volgens historici zat de Spaanse Inquisitie achter de zaak om het verdrijven van de Joden uit Spanje – dat uiteindelijk een jaar later gebeurde – te vergemakkelijken. In Bösing (het tegenwoordige Pezinok in Slowakije) zou een negenjarig jongetje na marteling doodgebloed zijn, dertig Joden bekenden na foltering schuld en werden verbrand, maar het kind werd later levend teruggevonden in Wenen. De aanklager, graaf Wolf van Bazin, bleek met de zaak van zijn Joodse crediteurs af te zijn gekomen.

Tot in New York

In de negentiende eeuw verspreidde het bloedsprookje zich over de rest van Europa. Er was een voorval in 1823 in een Russisch dorp, één in 1840 op het Griekse eiland Rhodos en ook uit Georgië en Hongarije zijn gevallen bekend. In recentere tijden was er in 1903 de pogrom in Kishiniev, waarbij bijna vijftig Joden de dood vonden. Ook in de Nieuwe Wereld was het raak: in 1928 werd de Joden van Massena, New York valselijk beschuldigd van het vermoorden van een christelijk meisje. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog werd het bloedsprookje geregeld opgevoerd in het nazistische tijdschrift Der Stürmer.

Afbeelding 8 Artikel 2

In Polen werden kort na de oorlog nog zo’n duizend tot tweeduizend Joden, net teruggekomen uit de kampen, dodelijk slachtoffer van pogroms waarin het bloedsprookje een rol speelde. Nog in 2007 werd de Joodse gemeenschap beschuldigd van betrokkenheid bij de dood van vijf Russische jongens en werd geëist dat synagogen en doorzocht werden. In 2008 bewees een Pools team van antropologen en sociologen, naar aanleiding van een fresco met de afbeelding van het bloedsprookje in de kathedraal van Sandomierz, Polen (waar het nog steeds te zien is), dat het geloof in het sprookje onder de bevolking nog steeds alive and kicking was.

Arabische wereld

De houding vanuit de katholieke kerk wisselde door de eeuwen heen. In de Franse katholieke encyclopedie Dictionnaire apologétique de la foicatholique (1889) wordt gesteld dat de verschillende pausen het ‘sprookje’ niet onderschreven maar ook niet uitsloten dat er individuele gevallen van rituele moord door Joden hadden plaatsgevonden. Vandaag de dag wordt het sprookje door de kerkelijke autoriteiten naar het rijk der fabelen verwezen – Simon van Trent werd in 1965 van de heiligenkalender verwijderd. In de islamitische wereld ligt dat anders. De eerste keer dat het bloedsprookje die contreien bereikte was tijdens de Damascusaffaire in 1840, waarbij Syrische Joden werden beschuldigd van het laten verdwijnen van een katholieke monnik en zijn bediende. In 1910 werden de Joden van het Perzische Shiraz beschuldigd van moord op een moslimmeisje. Het boek The Matzah of Zion (1983) van de Syrische minister van Defensie Mustafa Tlass onderschrijft het bloedsprookje. Het kwam voor in de Syrische tv-serie Ash-Shatat (De Diaspora) uit 2003 en in een toespraak in 2007 van Raed Salah, de leider van de Islamitische Beweging in Israël. In 2010 werd het genoemd op het door Hamas gerunde radiostation Al Aqsa, in 2012 op het internationale Arabische tv-station Rotana Khalijiya TV en in 2014 op de Jordaanse televisie door oud-minister Sheik Bassam Ammoush.

Geen dader maar slachtoffer

Duidelijk is dat het sprookje wordt ingezet naar gelang het degene die er gebruik van maakt uitkomt. Het was en is een manier om Joden tot zondebok te maken of te ‘bewijzen’ dat ze slecht zijn. In het verleden werd het vaak misbruikt om geld van ze los te krijgen of om ze te verdrijven, tegenwoordig is het zelfs een machtsmiddel binnen het Israëlisch-Palestijns conflict: ‘als Joden zó slecht zijn, hoef je niet met ze in zee te gaan’.

 Helaas is het sprookje nog altijd actueel. Wie het internet afspeurt krijgt bizarre samenzweringstheorieën te zien 

Dat Joden in de Middeleeuwen schuld bekenden aan wat hen ten laste was gelegd is goed voorstelbaar. De bekentenissen werden onder zware marteling verkregen. Bekennen betekende een snelle dood – liever dat dan nog meer gruwelijkheden ondergaan. Maar de waarheid is omgekeerd: van het martelen en moorden waar ze van beschuldigd werden zijn Joden door de eeuwen heen zelf in groten getale slachtoffer geworden, tijdens pogroms en de Shoa. Helaas is het sprookje nog altijd actueel. Wie het internet afspeurt krijgt recente, bizarre samenzweringtheorieën te zien. In de Arabische wereld wordt niet algemeen afstand genomen van de mythe. De Syrische minister Tlass heeft altijd vastgehouden aan de inhoud van The Matzah of Zion en stelde dat Joden een geloof vol ‘zwarte haat tegen de mensheid’ belijden en dat daarom ‘geen enkel Arabisch land ooit vrede met Israël moet sluiten’, waarschijnlijk het ware motief voor het schrijven van het boek. Aan de andere kant legde Osama El-Baz, adviseur van de toenmalige Egyptische president Hosni Mubarak in 2003 in de krant Al-Ahram de racistische achtergrond van het bloedsprookje uit en drong er bij de lezer op aan er niet in te geloven. In 2013 bood de Palestijnse ngo MIFTAH excuses aan voor het plaatsen van een artikel waarin gevraagd werd – naar aanleiding van een seideravond in het Witte Huis – of Obama wel van het ‘Joodse ritueel’ op de hoogte was. MIFTAH verwijderde het artikel van zijn website. In een tekst op een plaquette in de kathedraal van Lincoln, die de anglicaanse kerk er in 1955 plaatste, wordt om vergeving gevraagd voor het beschuldigen van Joden van rituele moord op Little Hugh en voor de vele onschuldige Joodse levens die dat heeft gekost. Een klein maar terecht gebaar. Of het zal helpen het sprookje de wereld uit te krijgen is de vraag. 

Waarom deze serie?

Er bestaan veel fabels over Joden, mythes als het bloedsprookje, Joden die Jezus zouden hebben vermoord en de vervalsing die de wereld kent als de Protocollen van de Wijzen van Sion. Het NIW onderzoekt in deze serie een aantal van deze antisemitische uitingen. Hoe zijn ze ontstaan? Wanneer is zo’n mythe de wereld in geholpen, door wie en waarom? Hoe hardnekkig is deze historische onjuistheid? De serie wordt ook op internet gedeeld, als tegengif tegen de rabiate Jodenhaat die men er te vaak tegenkomt.

Dit artikel is het tweede deel van de antisemitische mythes. Deel drie is hierte vinden.

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij Maror.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *