Dossiers

Circusjoden: Hooggeëerd publiek

Het was Salomon Strassburger, die, aan het eind van de 19e eeuw, aan de wieg stond van het legendarische circus Strassburger. Een circus dat zou uitgroeien tot een van de grootste van Duitsland, maar in 1935 als ‘Judenzirkus’, door de nazi’s gedwongen, moest worden verkocht. In het boek Circus Strassburger 1892-1963 beschrijven auteurs Dick Vrieling en Henk van den Berg hoe het circus buiten de nazi-grenzen herrees, de oorlogsjaren overleefde en zou uitgroeien tot Nederlands meest populaire circusondernemingen.

Corrie Verkerk 11 november 2020, 10:00
Circusjoden: Hooggeëerd publiek

Het is 1933 als een groep leden van de SA zich voor de tentingang van Circus Strassburger verzamelt. Ze schreeuwen leuzen als: ‘Deutsche geht nicht in den Juden-Zirkus’. In de kranten laten recensenten zich laatdunkend uit over de inhoud van het programma. Zo werd met afschuw geschreven over de artiesten Joseph en Josephine, die een komische pas de deux te paard uitvoeren. Hoelang moest het publiek nog genoegen nemen met ‘ein krummnasiger Judenlümmel und seine geschmachlos karikierten Nordische Frau’?

Tot dat moment was het Duitse circus nauwelijks tot niet in aanraking gekomen met antisemitische aanvallen in de pers. En directeur Carl Strassburger maakte zich, nadat de nazi’s in dat jaar aan de macht waren gekomen, nog altijd geen grote zorgen. “Zijn moeder was katholiek en hij dacht dat hij als ‘Judische Mischling’ niet veel te vrezen had,” aldus auteur Dick Vrieling. Het zou allemaal zo’n vaart niet lopen. Maar dat liep het wel. Kennelijk had iemand ‘gelekt’ dat hij wel in náám directeur was, maar dat de echte bazen nog altijd zijn vader Adolf en diens broer Leopold waren.

Vrieling: “De mannen hadden Carl tot hun opvolger benoemd, maar die overdracht was bij handslag geregeld. Er stond niets op papier. Strassburger was een succesvol bedrijf en er waren concurrenten genoeg die er vermoedelijk niet voor hadden teruggedeinsd om de autoriteiten fijntjes te wijzen op de Joodse origine van het circus.”

Amsterdam, 1928. Foto: H.H.J Linssen

Judenzirkus
De Joodse achtergrond van het circus gaat terug tot voorvader Adolph Strassburger die, halverwege de 19e eeuw, als vuurspuwer en goochelaar op Duitse kermissen optrad. Diens zoon Salomon zou in 1892 het eerste echte circus Strassburger oprichten. Het bedrijf ontwikkelde zich tot een van de grootste Duitse circussen, met drie maneges en twee bühnes. “Tot de nazi’s er een eind aan maakten.”

De familie werd gedwongen hun ‘Judenzirkus’ te verkopen aan circusdirectrice Paula Busch. Busch moest haar vaste circusgebouw in Berlijn opgeven voor de megalomane architectonische plannen van Hitlers architect Albert Speer. Als genoegdoening kreeg zij haar concurrent Strassburger in de schoot geworpen, ver onder de prijs. “Over het exacte bedrag bestaan,” aldus Vrielink, “vele verhalen. Het is in elk geval niet te veel geweest.”

Malmö, 1927

Eerdere, discutabele, pogingen van zakelijk leider Emil Wacker om het bedrijf zo veel mogelijk uit de problemen te houden waren op niets uitgelopen. Wacker was een omstreden figuur die zich al vroeg had aangesloten bij de NSDAP en het circus zou aanmelden bij de Nazionalsozialistischen Betriebsorganisation. “Met als gevolg,” aldus Vrieling, “dat al spoedig vlaggen met hakenkruisen in en rondom het circus hingen.”

Nadat bekend werd dat Strassburger officieel onder een ‘Judendirektion’ stond was het snel gedaan. Bij de overname van het circus juichte de pers: “Der Circus befindet sich nunmehr rein in arischen Händen.

Vluchtbelasting
De jonge generatie van de circusdynastie besefte dat er voor hen geen toekomst meer was in Duitsland. Sommigen weken uit naar België, en Carls neef Hugo Strassburger reisde in 1934 met circus Sarrasani naar Zuid-Amerika, waar hij als stalmeester aan de slag ging en zijn kinderen optraden als acrobaten te paard. Vrieling: “Maar aan het begin van de oorlog keerde hij toch terug naar Duitsland, ondanks dat familie en vrienden hem dat fel afraadden. Hij voelde zich op en top Duitser en kon de verhalen die hij over de Joden in zijn land hoorde niet geloven. Hij zou samen met zijn vrouw en een van zijn dochters worden opgepakt. In 1942 werden ze vergast in Auschwitz.” Hugo’s zoon Adolf was ondertussen ondergedoken in Frankrijk en overleefde de oorlog, evenals zijn zus Bella, die zich bekeerde tot het katholicisme en in België trouwde met een telg uit een clownsgeslacht.

Karel Strassburger in de Burowagen, 1940. Foto: Stichting Circuscollectie Jaap Best (Teylers Museum Haarlem)

Terwijl een groot deel van de familie Duitsland had verlaten bleven de oude directeuren Adolph en Leopold nog enige tijd achter in Krefeld. Maar na de Kristallnacht in 1938 zagen ook zij zich gedwongen om te vertrekken. “Adolphs vrouw Irma wist met een deel van het geld dat het circus van Paula Busch had gekregen de nodige papieren te verkrijgen,” schrijven de auteurs. “Ze betaalde een hoge vluchtbelasting, zodat haar man en zwager Duitsland konden verlaten.” Met de trein vertrokken de mannen naar Brussel, waar ze na de Duitse bezetting onderdoken en de oorlog zouden overleven. Zelf bleef Irma achter in Duitsland.

Carl Strassburger was ondertussen, met de schamele circusbezittingen die hij had weten te redden, ook in België aangekomen. Samen met broer Hans richtte hij opnieuw een eigen circusbedrijf op en ging op tournee. In Nederland kocht hij in 1936 zijn eerste Friese hengsten. Een opmerkelijke aanschaf, want volgens het bijgeloof in de circuswereld konden zwarte paarden, die dikwijls voor lijkkoetsen werden gespannen, alleen maar ongeluk en verderf brengen.

Maastricht, 1950

Gelegenheidshuwelijk
Voorlopig was er voor Strassburger geen sprake van ongeluk of verderf. Hij reisde met succes door Nederland en Zweden en dacht erover zich blijvend in dat laatste land te vestigen, nu terugkeer naar Duitsland tot de onmogelijkheden behoorde. Tot schrik van de Nederlandse impresario Frans Mikkenie, die al een Nederlandse tournee voor het jaar 1939 had ingepland.

Mikkenie reisde per omgaande naar Zweden, waar hij Strassburger alsnog wist over te halen terug te keren naar Nederland. “Hij was een handige prater, een sluwe vos,” aldus Vrieling, “Ze lagen elkaar niet, die Maastrichtenaar met zijn bravoure die kon leven met halve waarheden, en de serieuzere, introverte Strassburger.” Toch zou hun samenwerking uitmondden in een jarenlang ‘gelegenheidshuwelijk’.

Ondertussen werd de Duitse oorlogsdreiging steeds voelbaarder. Strassburger reisde door Nederland onder Franse vlag. ‘Mikkenie presenteert: de Strassburger Frères’. Carl noemde zich inmiddels Charles en zijn broer Hans werd Jean. Tijdens een gastoptreden in Gent, in mei 1940, keerde het gunstige tij voor het circus. Het Duitse leger viel Nederland en België binnen en de woedende Belgen namen de Strassburgers en hun Duitse medewerkers gevangen. De roofdieren en veel van de exoten werden door de gendarmerie doodgeschoten. De paarden gingen naar boeren in de omgeving. Toen de strijd gestreden was en de Duitsers België hadden bezet werden de Strassburgers weer vrijgelaten.

Theater Carré, Amsterdam, 1943. Foto: H.H.J Linssen

Vrieling: “Frans Mikkenie bood Carl en zijn broer Hans aan hen heelhuids de oorlogsjaren door te loodsen. Maar dan moest het circus wel blijven reizen onder zíjn naam. Bij de Duitse autoriteiten meldde hij het circus van Carl Strassburger te hebben gehuurd.” Onder de naam Mikkenie Strassburger kon de onderneming de oorlogsjaren zonder noemenswaardige problemen doorkomen. “Mikkenie onderhield met iedereen goede relaties, ook met de Duitse bezetter. Hij was een echte gladjakker, een type dat je het best kon plaatsen in het kamp van, indertijd, de Nederlandse Unie.”

Arbeitseinsatz
Terwijl Carl Strassburger officieel niet door Duitsland mocht reizen wist de impresario/ directeur toch te bewerkstelligen dat het circus tijdens de oorlog per trein over Duits grondgebied kon, op weg naar een optreden in Denemarken. “Hoe hij dat flikte is nooit helemaal duidelijk geworden. Zo nu en dan doken er verhalen op over het ‘Joodse karakter’ van het circus en haar verbanning uit Duitsland, en zette Mikkenie alle zeilen bij om de bezetter met stroop te smeren. Misschien wel met geld, maar ook door bijvoorbeeld het populaire radio-orkest The Ramblers als ‘cadeautje’ in Berlijn te laten optreden. Muzikanten die dat niet wilden dreigde hij met de Arbeitseinsatz.”

Diezelfde Arbeitseinsatz waarvoor jonge Amsterdammers in Carré, waar Mikkenie-Strassburger een vaste bespeler was, konden onderduiken. “Als de Duitsers er binnenvielen, vluchtten ze door het gordijn naar achteren, waar ze een circusuniform kregen en ineens staljongens waren. In de oorlogsjaren zouden een aantal van hen bij het circus blijven.”

De Strassburgers in hun winterkwartier in Hilversum, Elly en Leopold (l) en Regina en Karel (r), 1947

Tijdens de hongerwinter van 1944 bracht het circus de dieren onder in een Rotterdams abattoir en werd de tent verstopt onder een berg aardappelen van een gaarkeuken. Zo werden ook de laatste oorlogsmaanden overleefd. Na de bevrijding verhuisden de dieren naar de Hollandsche Manege in de Kralinger Hout, die leegstond omdat de bezetter de paarden had gevorderd.

Vertier
In Strassburger 1892-1963 besteden de schrijvers veel aandacht aan de ins en outs van het circus, de artiesten, hun familieverbanden en vele tournees. “Maar we wilden ook de geschiedenis beschrijven van een van oorsprong Joodse circusonderneming die op opmerkelijke wijze wist te overleven,” aldus Vrieling. “Daarnaast is het ook fascinerend om te zien hoe een toch Duits circus, kort na de Tweede Wereldoorlog, weer vrijwel direct door het publiek in het hart werd gesloten. Natuurlijk was er een hang naar vertier en amusement, maar de familie was door de jaren heen ook een oude bekende geworden.”

In de jaren na de oorlog zou circus Strassburger uitgroeien tot hét Nederlands Nationaal Circus, onder leiding van Carl en zijn echtgenote Regina. De dood van Strassburger, die in 1953 tijdens een tournee in Zweden verdronk, zette de geleidelijke neergang in. Zijn dochters Regina en Elly probeerden de traditie nog voort te zetten, maar in 1963 viel het circusdoek voorgoed. Vrieling: “Ook op het terrein aan de Jonkerweg in Hilversum, waar ooit het trotse circus Strassburger overwinterde, herinnert niets meer aan dat roemruchte verleden. Er staat nu al heel wat jaren een grote scholengemeenschap.” Maar dat boek, dát is er.

Circus Strassburger 1892-1963 Henk van den Berg en Dick H. Vrieling, Stichting Historische Circusuitgaven Oss, e-mail: hj.berg@tiscali.nl

Dit artikel verscheen eerder in NIW 35, 5776.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *