Dossiers

De ondergang van het Ierse zionisme

Ooit was Ierland uitgesproken pro-zionistisch. Andersom sloten veel Joden zich als rebellen aan bij de Ierse republikeinse opstand. Tegenwoordig is Ierland een van de grootste criticasters van de Joodse staat, met een grote BDS-aanhang. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Alan van Rijn 17 maart 2021, 10:00
De ondergang van  het Ierse zionisme

Dit artikel verscheen eerder in NIW 14, 5779/ 2019.

Hoogstwaarschijnlijk zal de import van producten uit ‘door Israël bezet Palestijns gebied’ binnenkort strafbaar zijn in Ierland. Het wetsvoorstel betekent een overwinning voor Boycot, Desinvesteringen en Sancties (BDS) en heeft nog maar een van drie stemronden nodig om door de Ierse senaat te komen. Overtreders riskeren een gevangenisstraf van vijf jaar. Ondanks terughoudendheid van de grootste Ierse partij, Fine Gael, en premier Leo Varadkar, die eerder het voorstel om de Israëlische ambassade in Dublin te sluiten afwezen, zal het aannemen van het wetsvoorstel geen verrassing zijn. Ierland geldt als een van de grootste anti-Israëllanden van Europa, waar de BDS-beweging mainstream is geworden. Het stadsbestuur van Dublin steunt de boycotorganisatie openlijk en sommige politici roepen op tot een boycot van het Eurovisie Songfestival, dat dit jaar in Tel Aviv wordt georganiseerd. De meeste Ieren identificeren zich duidelijk met de Palestijnen. 

Ooit was dat anders. Juist de Joden werden gezien als een broedervolk, dat net als de Ieren eeuwenlang onderdrukt werd. Rond 1900 ontstond bij beide volkeren een sterk nationalisme. Er was wederzijdse steun en waardering: zionisten haalden inspiratie uit de idealen van de Ierse onafhankelijkheidstrijd, Joden waren oververtegenwoordigd in de gelederen van de rebellenorganisaties. Ieren steunden actief de strijd voor de stichting van Israël.

Joods-Ierse rebellen
Op een koude ochtend in april 1916 bestormden Ierse rebellen tijdens de Paasopstand het hoofdpostkantoor van Dublin. Het doel was de hoofdstad in te nemen en de Engelse machthebbers van het eiland te verdrijven. Pádraig Pearse, de leider van de opstandelingen, riep met de socialist James Connolly aan zijn zijde de republiek uit. Maar na een hevige strijd met het Engelse leger moesten de rebellen zich gewonnen geven. Pearse, Connolly en de andere leiders van de opstand werden afgevoerd en gefusilleerd. De eerste rebel die tijdens deze gevechten sneuvelde, was de Joodse Abraham Weeks, een soldaat in Connolly’s citizen army. Hij ontvluchtte de Engelse dienstplicht om te vechten voor een Ierse staat, waarin Joden vrijheid en bescherming werd beloofd.

Pádraig Pearse

Weeks was niet de enige Joodse rebel. Zo was er ook Robert Emmet Briscoe, die opgroeide in een fanatiek republikeins Joods gezin. Hij werd vernoemd naar de achttiende-eeuwse Iers-republikeinse volksheld Robert Emmet. Briscoe sloot zich aan bij de nationalisten en werkte voor The First Dáil, het schaduwparlement van de republikeinen dat de soevereiniteit over Ierland claimde boven Westminster. Robert organiseerde de huisvesting van de Dáil, adviseerde de politiek leider van de rebellen en toekomstige premier van Ierland Éamon de Valera, en de leider van de gewapende milities, Michael Collins. De Valera en Collins hadden de leiding overgenomen van Pearse en Connolly in de onafhankelijkheidsstrijd. Robert Briscoe werd een belangrijke vertrouweling van Collins, die hem naar Duitsland stuurde om wapens voor de strijd naar Ierland te exporteren. Ook beraamden Briscoe en Collins samen de moord op de Engelse informant Alan Bell.

Michael Collins

Briscoe bleef lang actief in de politiek; hij werd in 1927 het eerste Joodse parlementslid van Ierland, hij vertegenwoordigde decennialang Zuid- en West-Dublin en werd in 1956 de eerste Joodse burgemeester van de stad.

Wapens in de groentetuin
Dan was er de kunstschilder Estella Solomons, in 1882 geboren in een Dublins-Joodse bourgeoisfamilie. Ze verwierf met haar patriottische werk faam in de Ierse kunstwereld en onafhankelijkheidsbewegingen. Onderwerp van haar schilderijen was vaak de armoede in de sloppenwijken van Dublin, waar de situatie van de armen weinig was verbeterd sinds de hongersnood als gevolg van de aardappelziekte halverwege de negentiende eeuw. Andere schilderijen tonen heldhaftige vrijheidsstrijders. Omdat haar kunst kon worden gezien als een aanklacht tegen het Britse bestuur en zo een staatsgevaarlijk karakter begon aan te nemen, verboden de Engelsen haar in het openbaar te schetsen. Uit woede om deze maatregel sloot zij zich aan bij de ‘Vrouwenraad’, een feministische beweging die zich hard maakte voor de onafhankelijkheidsstrijd. Ze verborg wapens in haar groentetuin; als rebellen bewapend moesten worden verstopte ze tijdens het tuinieren revolvers en ander wapentuig onder haar jurk en bracht die naar de strijders. Het is niet verwonderlijk dat deze jonge Joodse vrouw zich aangetrokken voelde tot de onafhankelijkheidsbeweging. De egalitaire grondslag van het Ierse republicanisme betekende meer gelijkheid voor iedereen, in het bijzonder voor vrouwen, maar zeker ook voor Joden.

Éamon de Valera

Bloody Sunday
Ierse republikeinen steunden ook het Joodse nationalisme. Een vroege steunbetuiging kwam van journalist Michael Davitt: “In mijn reis naar het Russische keizerrijk zag ik de onderdrukking van Joden, die zo vergelijkbaar is met die van de Ieren. Toen ik terugkwam was ik overtuigd van de remedie voor dit leed: het zionisme.” Dit schreef Davitt in de New-York American Newspaper in zijn verslag van de Kishinevpogrom van 1903, waarbij in de stad Chisinau (tegenwoordig in Moldavië) tientallen Joden werden vermoord. De solidariteit tussen Joden en Ieren werd in Ierland breed gedragen. De gedeelde historie van gewelddadige onderdrukking, diaspora en de strijd voor een eigen land zorgde voor algehele steun. De beeldvorming werd in de jaren dertig versterkt door de aanwezigheid van de ‘Black and Tans’, voor veel Ieren een oude vijand, die tijdens de Arabisch-Palestijnse opstand de zionisten bevochten. Deze paramilitaire organisatie, genoemd naar hun politiezwarte en legergroene uniformen, was door Winston Churchill in het leven geroepen om de Ierse opstand de kop in te drukken. Haar leden vermoordden onschuldige burgers, hanteerden marteltechnieken en staken willekeurig huizen en zelfs het grootste deel van de stad Cork in brand. Ook richtten zij in 1920 het Croke Park Bloedbad (Bloody Sunday) aan, toen zij tientallen burgers tijdens een Gaelic voetbalwedstrijd doodschoten. De ‘Tans’ stonden symbool voor de buitenproportionele reactie van de Britten tijdens de Ierse onafhankelijkheidsoorlog. De periode van hun aanwezigheid in het toekomstige Israël werd al snel ‘Ireland in Palestine’ genoemd, waarbij de ‘Tans’, wederom met harde hand, tegen de Joodse onafhankelijkheidsstrijders vochten. De Ierse steun voor de zionisten groeide alleen maar meer, versterkt door het principe ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’.

Een Black and Tan in Dublin

‘The big fella’
In de jaren dertig en veertig gaf de Ierse staat concrete steun aan de zionisten in het mandaatgebied Palestina. Ze leverden wapens en leidden strijders op. Joodse militaire bewegingen lieten zich in deze periode inspireren door de bewapende strijd van de Ierse opstandelingen. Bijvoorbeeld de latere Israëlische premier Yitzhak Shamir, die de naam van Michael Collins als nom de guerre gebruikte ter ere van de rebellenleider. Collins droeg zelf de bijnaam ‘The big fella’ (grote vent), maar omdat Shamir die bijnaam moeilijk kon gebruiken – hij was zeer klein van stuk – koos hij als alias ‘Michael’.

De gedeelde historie van onderdrukking, diaspora en de strijd voor een eigen land zorgde voor algehele steun

Met deze gedeelde geschiedenis in gedachte is het misschien verrassend dat de verhouding tussen de Ierse Republiek en het zionisme nu zo is bekoeld. Toch is deze verandering historisch te verklaren.

Pauselijk decreet
Gesprekken tussen premier Éamon de Valera en zijn oude kameraad Robert Briscoe wijzen uit dat De Valera uiterst sceptisch was over de opdeling van Israël in 1948. Zoals veel Ieren had hij een déjà vu bij de gang van zaken in het Heilige Land.

In 1922 was Ierland namelijk ook opgedeeld, waarbij een grens werd getrokken tussen twee religieuze groeperingen. De afscheiding van de provincie Ulster betekende het begin van Noord-Ierland en het einde van de eenheid op het eiland. De Valera, die al decennialang de internationale gemeenschap bewust wilde maken van de problemen van de afscheiding, leek zich steeds meer te bekommeren om de Palestijnen, wellicht meer uit politiek opportunisme dan uit sympathie. Een andere belangrijke factor die bijdroeg aan het opdrogen van De Valera’s politieke steun was de invloed van het Vaticaan. Ierland, in de decennia na de oorlog nog een zeer paaps land, schaarde zich achter paus Pius XII en zijn decreet In multiplicibus curis, dat bepaalde dat Jeruzalem een internationaal karakter moest krijgen. Daarom bleef Ierse erkenning van de Joodse staat tot 1963 uit.

Veel Ieren hadden een déjà vu bij de gang van zaken in het Heilige Land in 1948

Sinn Féin en IRA
Gedurende de jaren zestig veranderde Iers-nationalistische ideologie enorm. Deze concentreerde zich steeds meer in Noord-Ierland. Er ontstond een radicaal-linkse beweging, die een verharde antikoloniale toon voerde. Deze beweging vernoemde zich naar een oude republikeinse parlementaire beweging: Sinn Féin (‘Wijzelf’), die in 1919 de eerdergenoemde Dáil oprichtte. Deze partij werd tot 2017 geleid door Gerry Adams, een controversieel figuur die zijn steun voor de Palestijnen niet onder stoelen of banken stak. De Palestijnse strijd sloot naadloos aan op de ideeën van Sinn Féin, dat Noord-Ierland wilde loswrikken van het Britse bestuur. Sinn Féin identificeerde zich sterk met onafhankelijkheidsbewegingen in Catalonië en Zuid-Afrika en zeker ook met de Palestijnen.

De organisatie werd tot de jaren negentig geleid door de Irish Republican Army (IRA), een terroristische beweging voor een verenigd Ierland die zich aan bloedige misdaden schuldig maakte. De organisatie kwam tegelijkertijd op met de Palestine Liberation Organization (PLO), ook een terreurbeweging die de wapens op onschuldige burgers richtte. De IRA steunde de PLO door Palestijnse troepen op te leiden en vocht zelfs mee tegen de Joodse staat. Waar Ierse milities voorheen bondgenoten van de zionisten in de strijd voor Israël waren geweest, werden zij nu kameraden van de PLO om diezelfde staat te ondermijnen. 

De IRA is officieel ontbonden en speelt geen rol meer in de Ierse politiek. Sinn Féin nog wel, en die partij zet de anti-Israëlische toon voort. Gerry Adams noemde in 2002 tijdens de Tweede Intifada het beleid van de Israëliërs ‘van hetzelfde soort als de Britse onderdrukking in Ierland.’ In 2009 bracht hij een bezoek aan Hamas. Mary Lou McDonald, die in 2017 het stokje van Adams overnam, sprak zich na de gevechten in Gaza van maart vorig jaar uit in steun voor de Palestijnen, “De Taoiseach [premier] moet zich uitspreken tegen deze verschrikkelijke gruweldaden [van Israël],” zei McDonald. De partij die dezelfde naam draagt als een partij die een eeuw geleden het zionisme steunde, is nu een van de grootste criticasters van de Joodse staat.

Slechte associaties
Sinn Féin vertegenwoordigt zeker niet het grootste deel van het Ierse volk; met 23 van de 166 zetels in het Ierse parlement en 27 van de 90 in de Northern Irish Assembly staat het vooral voor de extreemlinkse flank. Maar de steun van de meeste Ieren voor de Palestijnen is evident. Kijk bijvoorbeeld naar het parlementaire draagvlak voor het importverbod en de brede steun voor BDS in het land. Dit wordt versterkt door de parallellen tussen (Noord-) Ierland en de Palestijnse gebieden. De Israëlische kolonisten lijken in de ogen van veel Ieren op de Schotse protestanten die in de zeventiende eeuw het bezit en land van katholieken inpikten in het noorden van Ierland. De afscheidingswand in Israel verergert deze associaties. De Noord-Ierse stad Belfast kent immers een vergelijkbare opdeling, waarbij twee (quasi-)etnisch-religieuze groepen met hoge muren uit elkaar worden gehouden. Het anti-Israëlsentiment lijkt voort te komen uit deze beeldvorming, niet zozeer uit Jodenhaat. Dat wil niet zeggen dat de links-nationalistische groepen niet antisemitisch zijn; Adams en Sinn Féin zijn daar vaak genoeg van beticht, of ze werden vergeleken met Palestijnse terreurorganisaties. 

De ‘vredesmuur’ in het Alexandra Park in Belfast

Er is overigens wel een en ander af te dingen op deze vergelijkingen. Ierse republikeinen zijn er nooit op gebrand geweest Groot-Brittannië of Ulster te vernietigen, zoals Hamas dat wel met Israel wil. Hamas erkent de positie van Joden in Israël niet, terwijl vrijwel niemand in Ierland bestrijdt dat protestanten in (Noord-)Ierland thuishoren. De leiders van de Iers-nationalisten namen na de vredeovereenkomst in Noord-Ierland in 1998, het zogeheten Goede Vrijdagakkoord, deel aan het Noord-Ierse bestuur, ze stonden op voor God Save the Queen en accepteerden het Britse bestuur in Noord-Ierland. Een toekomstbeeld waarin ex-Hamasleden en Palestijnse nationalisten in de Knesset plaatsnemen en netjes voor Hatikva salueren, is naïef.

Dat zionisme en Iers republicanisme ooit weer naar elkaar toe zullen groeien is onwaarschijnlijk, maar misschien lijkt het allemaal erger dan het is. Lang niet alle Ieren zijn niet antisemitisch, reisbureaus bevelen Ierland aan Joden als vakantieland aan, waarbij het traditionele ontbijt met varkensworstjes en bloedworst vaak als het enige grote Jood-onvriendelijke onderdeel van het land wordt genoemd. Gelukkig maar dat Guinness tenminste koosjer is.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *