Dossiers

De Oranjes en de Joden: Een avontuurlijke prinses in het Joodse land

De eeuwenlange relatie tussen Joden en de Oranjes was vol dynamiek en kende hoogte en dieptepunten. Vanaf de negentiende eeuw voegde zich bij die relatie een heel nieuw element: de gezamenlijke fascinatie voor het Land Israël. Oranjes die zich voor het Heilige Land interesseerden, konden niet om de Joden heen.

Bart Wallet 02 november 2020, 10:00
De Oranjes en de Joden: Een avontuurlijke prinses in het Joodse land

De Oranjes en het Land Israël 1

Vanaf Willem van Oranje in de zestiende eeuw kende Nederland een traditie waarbij een analogie werd gemaakt tussen het land Israël en Nederland. Het zouden beide bijzondere volken en bijzondere landen zijn, met een speciale van God gekregen missie in de wereld. De ‘Neêrlands Israël’-gedachte werd dat genoemd: Nederland spiegelde zich aan het oude, bijbelse Israël om de eigen identiteit vorm te geven. Tal van parallellen tussen bijbelverhalen en de Nederlandse geschiedenis werden opgezocht en via brochures, preken, schilderijen en prenten wijd verbreid.

In die mythe kregen de Oranjes een eigen plaats toebedeeld. Zij werden vaak vergeleken met de koningen uit het Huis van David, vooral met David en Shlomo. Het succesvolle militaire en politieke beleid van David en de wijsheid en rijkdom van Shlomo zouden weerspiegeld worden in de karakters van de Oranjes. Hoe sterk die parallel ook werd getrokken, toch betoogden de Oranjes nooit – zoals onder meer het Engelse koningshuis deed – dat zij eigenlijk afstammelingen van David waren.

In de ‘Neêrlands Israël’-gedachte was Nederland de locatie van het beloofde land geworden. Er was wellicht wel een intuïtieve betrokkenheid bij het toenmalige Palestina, maar die vertaalde zich niet in een bijzondere belangstelling voor de strook grond tussen Middellandse Zee en Jordaan. Pas in de negentiende eeuw zou dat veranderen, te beginnen bij een van de kleurrijkste figuren uit de geschiedenis van het Oranjehuis.

Gezicht op Jaffa vanaf zee, ca. 1895. Foto: Rijksmuseum

Intocht in Jeruzalem
Op 19 januari 1850 nadert een groot gezelschap de stad Jeruzalem. Voorop zit fier te paard Marianne, prinses van Oranje-Nassau, omringd door haar gevolg uit Nederland en door een vijftigtal ruiters die de Ottomaanse pasja van Jeruzalem haar ter begeleiding heeft aangeboden. Als het reisgezelschap de laatste heuvel overkomt en in één oogopslag Jeruzalem, de berg Zion en de zing. Het uitzicht betovert hen, maar veel tijd is daarvoor niet. Het ziet rond de Jaffapoort zwart van het volk. Eén van de begeleiders van de pasja weet te vertellen: ‘half Jeruzalem is uitgekomen, wetende dat Uwe Prinses in aantogt is; christenen zijn het, die hier wonen en pelgrims van alle volken, die hier vertoeven. Ook zijn er Joden bij en enkele Muhammedanen!’

Het was inderdaad een bijzonder gebeuren. Marianne was de eerste Europese royal die sinds de Middeleeuwen de tocht naar het Heilige Land aandurfde. De moderne vervoersmiddelen, zoals de stoomboten die de Middellandse Zee door kliefden, maakten dat nu stukken gemakkelijker. Toch was het ook voor Marianne nog een lange reis en een waagstuk. Zij had dan ook goede redenen om de pelgrimage te ondernemen.

Eigenzinnige prinses
Marianne werd in 1810 in Berlijn geboren als jongste dochter in het gezin van koning Willem I. Qua karakter moet zij sterk op haar vader hebben geleken: ondernemend, met een sterke eigen wil en visionair. Waren dat eigenschappen die in een man zeer gewaardeerd werden, voor een vrouw was dat een stuk lastiger. Dat bleek wel in haar levensverloop: zij trouwde met haar neef Albrecht van Pruisen, maar het huwelijk liep als vrij snel averij op. Marianne weigerde zich neer te leggen bij de schuinsmarcheerderij van haar man en sprak hem regelmatig tegen. Uit frustratie ging ze lange reizen maken, totdat ze tot de slotsom kwam dat een scheiding de enige oplossing was. Beide koningshuizen zagen dat als een grote belediging en probeerden het zo lang mogelijk tegen te houden.

Voor vertrek werd op de slavenmarkt van Alexandrië nog een zwarte jongen gekocht

Marianne, ondertussen, weigerde nog langer bij haar man te wonen en vestigde zich in Voorhout. Zij hoopte zo de banden met haar familie aan te halen, maar haar broer, koning Willem II, hield koeltjes afstand. Het hielp bepaald niet dat Marianne een relatie begon met een getrouwde lakei, Johannes van Rossum. Toen dat bekend werd, wilden de Pruisen opeens wel en liefst zo snel mogelijk de scheiding. De rekening voor het mislukte huwelijk werd aan de Oranjes gepresenteerd.

De prinses was zich ondertussen onder invloed van haar minnaar sterk voor religieuze zaken gaan interesseren. Samen deden ze aan bijbelstudie en Marianne onderhield contacten met tal van dominees. Uit die studie kwam het verlangen op zelf eens het land van de Bijbel in ogenschouw te nemen. Ondernemend als ze was, organiseerde ze zelf binnen korte tijd de reis en vertrok met een bescheiden gezelschap, waarin waren opgenomen haar minnaar, een lijfwacht en een dominee, Gerhard van Senden. De laatste moest optreden als geestelijke en als reisleider.

Geheime bevalling
Wellicht dat Van Senden dacht dat hij alleen vanwege zijn wetenschappelijk werk mee was gevraagd. Hij had namelijk furore gemaakt op het terrein van de ‘gewijde aardrijkskunde’, zoals de studie van het Land Israël wat belegen werd genoemd. In 1837 had hij een Aardrijkskundige beschrijving van Palestina gepubliceerd, met een wandkaart die in scholen gebruikt kon worden. De Leidse hoogleraar J.H. van der Palm was daarvan zo onder de indruk dat hij Van Senden vroeg om een volwaardige Bijbel-Atlas te vervaardigen. Die verscheen 1840-1844 en werd een groot succes. De Zwolse dominee liet het daar niet bij en begon een Bijbel-Geographisch Woordenboek waarin hij een alfabetisch overzicht gaf van alle plaatsen in het Heilige Land, met daarbij een uitvoerige beschrijving.

Portret van Marianne, prinses der Nederlanden anoniem, 1827. Foto: Rijksmuseum

Het bijzondere was dat Van Senden wijd en zijd als een Palestina-expert werd gezien, maar zelf nooit een stap in het land had gezet. Daarin was hij bepaald niet de enige, veel van zijn collega-aardrijkskundigen hadden eveneens hun kennis uit boeken en reisverslagen van anderen. Toen prinses Marianne Van Senden uitnodigde haar als reisgids te vergezellen, had hij niet lang geaarzeld en zich haar ter beschikking gesteld.

Illegitiem kind
Marianne had Van Senden echter niet alleen nodig als reisleider. Ze wilde ook een dominee mee, want de lange reis naar Palestina was ook een vakkundige cover-up voor het feit dat ze zwanger was. Het Nederlandse en Duitse publiek mocht dat niet weten en de reis was een uitstekend excuus. Op de heenreis werd een aparte onderbreking ingepland op het eiland Sicilië, zodat de prinses daar haar illegitieme kind kon baren en Van Senden het meteen kon dopen.

De eigenlijke reis begon in Egypte, daar werden de piramiden bezocht en onderging het gezelschap een eerste kennismaking met de ‘Oosterse cultuur’. Van de reis zijn verschillende reisbeschrijvingen bewaard gebleven en die laten allen een oriëntalistisch beeld zien: het Midden-Oosten heeft in feite sinds de tijd van de Bijbel stilgestaan, daardoor was het heel authentiek en voor de pelgrim fantastisch, maar daarnaast was het een achtergebleven gebied en een cultuur met grote problemen. Met name de islam was voor de prinses en haar reisgenoten een bron van verbazing: ze werden getroffen door het sterke fatalisme en spraken hun afkeer uit over de onderdrukking van de vrouwen. Volgens de reisgenoten werd in de harems van de Egyptische leiders met jaloezie gesproken over de zelfstandige Nederlandse prinses.

Portret van Gerhard Heinrich van Senden naar Wilhelmus Cornelis Chimaer van Oudendorp (1852). Foto: Rijksmuseum

Het einddoel van de reis was echter niet Egypte, maar de Ottomaanse provincie Palestina. Voor vertrek werd op de slavenmarkt van Alexandrië nog een zwarte jongen gekocht, die volgens de medereizigers van Marianne maar wat blij was dat hij zo’n goede meesteres had getroffen. Na veel soebatten kreeg Marianne de beschikking over een Egyptische stoomboot die haar naar Jaffa bracht. Omdat een Nederlandse consul ontbrak, zorgde de Engelse diplomatieke dienst voor een goed verloop van het vorstelijke bezoek. Een bezoek aan het Heilige Land was gevaarlijk: reizigers werden geregeld overvallen door bendes. Marianne kreeg daarom steeds een escorte mee van de Ottomaanse gouverneur tot aan de grenzen van diens territorium; daar stonden de vervangers dan al te wachten. Het gerucht van de komst van een echte prinses verspreidde zich snel, zodat op de hele route van Jaffa naar Jeruzalem steeds de Arabische dorpen uitliepen, de sjeiks zich uitputten in mooie wensen en de reizigers uitnodigden te overnachten. In Abu Gosh besloot Marianne op dat aanbod in te gaan en werd de nacht doorgebracht. Van Senden verbaasde zich over de inrichting van de huizen, met veel kussens en divans. Wapens en kostbaarheden zag hij niet, maar hij vermoedde dat die op een geheime plek in het huis verborgen waren.

Prinses en Joden
In Jeruzalem verbleef de prinses in de straat die uitmondde bij de Damascuspoort in het hotel van Mutsallam, een Tunesische Jood die zich tot het protestantisme had bekeerd. Dat zal zeker een rol hebben gespeeld bij de keuze voor een hotel, maar niet minder de verzekering van de gastheer dat hij hen een ‘Europesche disch’ zou voorzetten. Van het oosterse voedsel had Marianne inmiddels wel weer genoeg. Niet minder dan zeven weken verbleef ze vervolgens in Jeruzalem.

De stad en omgeving werden nauwgezet verkend, maar ook met de mensen van Palestina werd kennisgemaakt. Marianne zag het land vooral als Heilig Land, als het land van de Bijbel en zocht overal naar sporen daarvan. Met de christelijke bevolking had zij het meest direct contact, maar als protestant voelde ze de nodige afstand tot de orthodoxe en katholieke Arabieren. De islamitische bevolking werd gezien als hardvochtige heersers die christenen en joden onderdrukten en de bloei en ontwikkeling van het land tegenhielden. De islam was een koud en koelbloedig geloof en ‘hun huiselijk leven is voor ons westersch oog en gevoel diep beklagenswaardig’.

Kaart van Palestina, gebaseerd op de beschrijvingen van G.H. van Senden

Wie het Land Israël bezocht, kon niet om de Joodse bevolking heen. Ook Marianne en haar gevolg merkten de Joden op. Dat was toch opmerkelijk omdat veel christelijke pelgrims deden alsof de Joden helemaal niet bestonden en zij het land voor eens en altijd hadden verlaten. De toon van de Nederlanders was er een van medelijden, maar in hun beschrijvingen krijgen we een aardig beeld van het Joodse leven in Jeruzalem.

Van Senden was ervan overtuigd dat de Joden met een aantal van zo’n 10.000 de grootste bevolkingsgroep uitmaakten. Omdat de Joden echter bang waren voor een Ottomaanse vervolging als duidelijk zou zijn dat zij het omvangrijkste waren, saboteerden ze elke poging tot een volkstelling. Daarnaast waren er 8.000 moslims en 4.500 christenen. 

De Joodse wijk in de Oude Stad was ‘vol stank en morsigheid’, het armoedigste deel van de hele stad. ‘Hun maatschappelijke toestand is ook een diep ellendige; hij verschilt meer dan dien hunner voorvaderen in het heldentijdperk van Israël, dan de zwartste nacht van den meest helderen dag.’ De reden daarvoor was, volgens het reisgezelschap, ‘[d]e dwingelandij en geldafpersingen der geldgierige overheerschers’, maar ook de haat van de christelijke en islamitische bevolking tegen hen. In tegenstelling tot de andere groepen, hadden zij geen buitenlandse macht die hen in bescherming kon nemen.

Dat de heiligste Joodse plek, de Kotel of Klaagmuur, in een achterafsteegje was te vinden, sprak voor de Nederlanders boekdelen. Het tekende de achtergestelde positie van de Joden, temeer omdat de Turken er ook nog voor betaald wilden worden. Met name op vrijdagavond was het er druk, zowel aan de mannenkant als bij de vrouwen.

De Joodse wijk in de Oude Stad was ‘vol stank en morsigheid het armoedigste deel van de hele stad

De interne situatie onder de Joden, zo werd Marianne uitgelegd, was weinig beter. De Engelse filantroop Sir Moses Montefiore had hen willen helpen, maar de Jeruzalemse Joden wezen hem af, want ze waren ‘wars van alle nieuwigheden’. Slechts enkelen werkten in de kleinhandel en het vervaardigen van gesneden voorwerpen. Maar voor de meesten gold: ‘Zij brengen dan ook in den volsten zin des woords den tijd door met niets doen.’ Torastudie, wat de meeste vrome Jeruzalemse Joden deden, telde kennelijk niet voor vol mee.

Dat er ook Nederlandse Joden in Jeruzalem waren, ontging Marianne niet. Het is niet duidelijk of er contact met hen is geweest. Enige trots klonk echter wel door in het werk van de ‘Pekidiem en Amarcaliem’, de in Amsterdam gevestigde liefdadigheidsinstelling die in heel Europa geld inzamelde voor de Joodse heilige steden (Jeruzalem, Hebron, Tiberias, Safed). Voordat de Pekidiem zich ermee bemoeiden, verdween veel geld, maar nu was het goed georganiseerd. In Jeruzalem was zelfs een arts en een Joods ziekenhuis gekomen. Per jaar werd dertig tot veertigduizend gulden overgemaakt en verdeeld. 

Toekomst van het land
Over hoe het verder moest met het Land Israël liepen de meningen uiteen. Marianne werd overal door de Ottomaanse heersers met alle egards onthaald. Het reisgezelschap interpreteerde dat niet alleen als een teken van respect voor de Nederlandse royal, maar ook als uiting van angst. De Ottomanen zouden aanvoelen dat zij de greep op dit deel van hun uitgestrekte rijk aan het verliezen waren en dat een nieuwe toekomst voor het gebied voor de deur stond. Door goede relaties met de Nederlandse prinses konden zij wellicht de Europese grootmachten nog enigszins voor zich inwinnen.

De moslims hadden hun kans gehad met het land, zo was de overtuiging van het Nederlandse reisgezelschap. Daar was weinig van terecht gekomen. Het ontging de Nederlanders niet dat de Joden gedreven werden door grootste toekomstplannen: ‘De hoop, dat Palestina, het erfdeel hunner vaderen, eens weder de ongestoorde bezitting zal zijn van hen en hunnen nakomelingen, en dat hunne geloofsgenooten in de verstrooijing nog eens wedervergaderd zullen worden onder Kanaäns wijnstokken en vijgeboomen, bezielt hun bij voortduring.’ Met modern zionisme had dat nog niets van doen, wel met de aloude Joodse religieuze verwachting van een messiaanse toekomst in het Land Israël.

De klaagmuur, ca. 1895 

Toch verwachtte reisleider Van Senden veeleer dat de Europese machten een einde zouden maken aan de Turkse overheersing. Dat zou een nieuwe periode van bloei inluiden voor het land, met een ongekende modernisering. Hij zag het al voor zich: ‘de schatplichtigheid en vernedering van Jeruzalem hield op!’ Net zoals het oude Griekenland recent na eeuwen absentie weer teruggekomen was als onafhankelijke natie, zo zou ook Palestina terugkeren. Onder Europees, christelijk gezag, maar met ruimte voor de huidige inwoners.

Herinneringen
Via het noorden van Palestina, Syrië en Libanon keerde Marianne weer terug naar Europa. Zij had als eerste koninklijke gast het Heilige Land weer betreden, na haar zouden anderen volgen. In 1898 bezocht haar verre familielid de Duitse keizer Wilhelm II met zijn vrouw Augusta Victoria het land opnieuw, met vergelijkbare Europese toekomstdromen maar in een context van een nieuwe Joodse beweging: het opkomende zionisme.

Bij Marianne en haar reisgezelschap resteerden de herinneringen. Zij hadden tal van souvenirs en historische oudheden gekocht en verzonden naar het moederland. Dat liep uiteen van Egyptische mummies tot een tijgervel, gedroogde bloemen, beeldjes, aardewerk en gebruiksvoorwerpen. Een deel daarvan zou na de nodige omzwervingen terechtkomen in de collectie van Paleis Het Loo. Voor een vervolgbezoek van een Oranje aan het Land Israël zou vervolgens meer dan een eeuw gewacht moeten worden. De omstandigheden werden als te gevaarlijk gezien en de politieke gevolgen van een bezoek aan Israël werden negatief ingeschat. Pas prinses Beatrix en prins Claus zouden dat verbod doorbreken. 

Dit artikel verscheen eerder in NIW 03, 5778.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *