De verdwenen begraafplaatsen van Nederland

Tientallen Joodse begraafplaatsen in Nederland blijken geruisloos te zijn geruimd of zelfs helemaal verdwenen. Dat toont archeologe Caitlyn Göbel aan in haar afstudeeronderzoek.
De Joodse begraafplaats in Lochem
De Joodse begraafplaats in Lochem

Van tientallen voormalige Joodse begraafplaatsen in Nederland is onduidelijk waar de graven lagen en hoe daar na de Tweede Wereldoorlog mee is omgegaan. Die nalatenschap uit met name de jaren 50 en 60 werkt tot vandaag door. En dat heeft implicaties voor de Joodse gemeenschap, maar ook voor gemeentes. In Winschoten werden in 2016 bij rioolwerkzaamheden ten minste elf complete lichamen aangetroffen op een begraafplaats die als ‘geruimd’ gold. In Kampen vonden arbeiders bij werkzaamheden een botfragment dat experts herleidden tot een voormalige Joodse begraafplaats. En in Amersfoort bleek een begraafplaats nooit te zijn geruimd, maar simpelweg uit het zicht verdwenen.

Deze voorbeelden vormden de aanleiding voor het afstudeeronderzoek van archeologe Caitlyn Göbel aan de Hogeschool Saxion. Zij richtte zich op de manier waarop gemeentes in het verleden en nu omgaan met voormalige Joodse begraafplaatsen. Göbels belangstelling begon bij iets persoonlijks. “Mijn opa had mij uitgenodigd in zijn synagoge voor een lezing over een opgraving in Israël,” vertelt ze. “Toen ging er een lampje branden. Ik heb Joodse voorouders, dan voel je toch extra motivatie.” Via haar opleiding kwam ze in contact met Leo Smole, senior archeoloog bij de gemeente Arnhem en archeologisch adviseur voor het Interprovinciaal Opperrabbinaat (Ipor). Smole werd opdrachtgever van het onderzoek. 

Onderbuikgevoel

Göbel besloot landelijk in kaart te brengen waar voormalige Joodse begraafplaatsen lagen binnen gemeentegrenzen. “Zodat gemeentes weten waar ze rekening mee moeten houden,” legt ze uit. Aanvankelijk vond ze zo’n zestig locaties, een aantal dat ook elders wordt genoemd. “Maar ik vertrouwde het niet helemaal. Ik had een onderbuikgevoel.” Na overleg met Leon Bok, die zich al decennia inzet voor historische dodenakkers, kwam ze uit op 82 geruimde of verdwenen Joodse begraafplaatsen.

Opvallend was hoe vaak informatie ontbrak. “Soms stond er alleen: deze begraafplaats is geruimd in dat jaar. Verder niets.” Dat gebrek werkt door in de praktijk: veel locaties staan niet op archeologische kaarten en worden bij bouw- of infrastructurele projecten behandeld als gewone grond.

‘Ik heb Joodse voorouders, dan voel je toch extra motivatie’

Göbel selecteerde negen locaties die zij als risicovol beschouwde en benaderde de betrokken gemeentes. De reacties verschilden. “Soms konden ze me meer vertellen,” zegt ze, “maar andere keren klonk het: we weten net zoveel als jij.” In Lochem werd Göbel verteld dat de gemeente bij een ruiming na de oorlog geen duidelijk beeld had van de omvang van het perceel. “Dan vraag je je af hoe zeker je ervan kunt zijn dat alles is meegenomen.” De archeologe sprak over funeraire regels met rabbijnen uit orthodoxe en liberale kringen, onder wie Binyomin Jacobs, Menno ten Brink en Zwi Spiero. Dat was even wennen voor de studente. “Rabbijnen klinken heel groot, maar ik leerde al snel dat het gewoon leraren zijn.” De regels voor begraven stemmen tussen de stromingen redelijk overeen. Eén afwijkend voorbeeld bleef haar bij: een Shoa-overlevende die bewust voor crematie had gekozen, uit solidariteit met familieleden die tijdens de oorlog onvrijwillig waren verbrand.

Voorzichtig

De meeste ontruimingen van Joodse begraafplaatsen vonden plaats na de Tweede Wereldoorlog, met een duidelijke piek in de jaren zestig. Göbel blijft voorzichtig met conclusies. “Je kunt niet zomaar zeggen dat dit alleen met de Joodse gemeenschap te maken heeft. Het kan ook samenhangen met de wederopbouw.” Opdrachtgever Leo Smole is scherper: “Het lijkt wel alsof toenmalige gemeentes gebruik hebben gemaakt van de getroffen Joodse gemeenschappen om de laatste restjes uit te wissen.” Maar Göbel kan dat niet bewijzen: “Dan moet je voorzichtig zijn.”

Het is geen kwestie van goede wil, maar een wettelijke verplichting

Haar aanbeveling voor de toekomst is nuchter: “Voer archeologisch onderzoek uit, dat is het veiligst.” Göbel ontwikkelde een stappenplan dat zij baseerde op de procedure van archeologische monumentenzorg: opsporen, waarderen en veiligstellen. Het uitgangspunt van die zogeheten AMZ-cyclus is het behoud van graven. Herbegraven zou alleen moeten gebeuren als dat onvermijdelijk is, en dan volgens de Joods riten.

Het in tijd beperkte onderzoek vraagt om een vervolg, maar de bevindingen maken nu al duidelijk dat bestaande regels vaak niet worden nageleefd. De Erfgoedwet verplicht gemeentes archeologische belangen mee te wegen bij bodemingrepen. Joodse begraafplaatsen vallen daaronder als monument, ook wanneer er bovengronds niets meer zichtbaar is. Kennis van voormalige Joodse begraafplaatsen is daarmee geen kwestie van goede wil, maar een wettelijke verplichting. Een verplichting die in de praktijk niet altijd is nagekomen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Binnenland

De verdwenen begraafplaatsen van Nederland