Zijn naam zal voor Nederlanders altijd verbonden zijn aan het Namenmonument aan de Weesperzijde in Amsterdam. Voor Duitsers aan het Holocaustmuseum in Berlijn en voor Amerikanen aan het masterplan voor het herbouwde World Trade Center in New York. Daniel Libeskind, als vijfjarige al als wonderkind beschouwd, verwierf pas na zijn vijftigste roem als architect.
Het is 1953. Polen likt zijn wonden na de Tweede Wereldoorlog en probeert te wennen aan de communistische overheersing. Alleen een paar hoge partijbonzen kunnen het zich veroorloven privé een tv aan te schaffen, en die zitten aan de buis gekluisterd voor de allereerste uitzending van de Poolse omroep. Er verschijnt een klein jongetje met een accordeon in beeld. Een wonderkind dat op zijn instrument virtuoos Rimsky-Korsakovs Vlucht van de hommel vertolkt. Zijn kleine knuistjes vliegen over de knoppen en toetsen van het instrument dat veel te groot voor het kind lijkt. De kijkers zijn verbluft. Het jongetje heet Daniel Libeskind.
Muziek is de uitlaatklep voor het Joodse jongetje in naoorlogs Polen waar antisemitisme nog even welig tiert als altijd. Als kleinzoon van een analfabetische grootvader verraadt alleen zijn achternaam al zijn identiteit. Hij wordt gepest en met regelmaat in elkaar geslagen door zijn klasgenootjes. “Ik was altijd op de vlucht,” herinnert hij zich later. De kleine Daniel zoekt zijn heil in de muziek. Al op zijn vijfde vraagt hij zijn ouders Dora en Nachman om een piano, maar zijn ouders zijn bang dat zo’n enorm instrument jaloezie zal veroorzaken bij de buren. Daarnaast: komt zo’n gevaarte wel het bescheiden appartementje in? “Oké, hier heb je je piano,” zeggen zijn ouders als ze hem op een dag een koffer aanreiken. Met daarin een accordeon.
Als het gezin Libeskind zes jaar later in New York aankomt, krijgt de kleine virtuoos meteen een beurs toegekend van de America-Israel Cultural Scholarship. Onder de juryleden is niemand minder dan violist Isaac Stern, die zich afvraagt waarom dit muzikale talent in vredesnaam heeft gekozen voor de accordeon: “Je hebt alle technische mogelijkheden van dit instrument al uitgeput,” roept hij uit. Niet veel later hangt de jonge Daniel de accordeon aan de wilgen. Op de vraag waarom kan hij nog altijd geen antwoord geven. Zijn vrouw en kinderen hebben hem later nooit horen spelen. Maar hij heeft inmiddels een nieuwe liefde ontdekt: de architectuur, die hij als volwassen man met muziek zal vergelijken: “Architectuur en muziek lijken heel veel op elkaar. Iedere vibratie, iedere lijn moet perfect en precies zijn. Tegelijkertijd ben je ook afhankelijk van anderen, van je team.”
Goelag
De reden waarom het gezin Libeskind probeert na de oorlog het antisemitische Polen te ontvluchten, laat zich raden. Zijn ouders zijn ternauwernood aan de Shoa ontsnapt. Moeder Dora vlucht na de Duitse invasie van Polen in 1939 naar het oosten en komt terecht in een goelag in Siberië. Daar moet ze zijden overhemden naaien voor de leiders van de communistische partij. Het is er zo koud dat ze oude kranten om haar voeten wikkelt om bevriezing te voorkomen. Jaren later zal Dora verzuchten: “De communisten waren net zo slecht als de nazi’s, ze waren alleen wat minder efficiënt.” Vader Nachman wordt weggevoerd naar een interneringskamp aan de Wolga. Als de twee de twee door de Russen worden vrijgelaten, trekken ze verder oostwaarts.
Beiden komen terecht in een kleine Joodse gemeenschap aan de Tibetaanse grens. Daar ontmoeten Dora en Nachman elkaar, ze worden verliefd, trouwen en krijgen een dochter. Dora is nog maar net zwanger van haar tweede als ze in 1945 besluiten terug te keren naar Polen. Ze kiezen voor Lodz, waar Nachmans voorouders woonden. De reis duurt maanden. Daniel wordt geboren op de dag dat het stel in de Poolse stad aankomt: 12 mei 1946.
In een interview met Newsweek vertelt Libeskind over die eerste jaren. “Ik liep vaak met mijn vader langs de Joodse begraafplaats, de grootste in Europa. Hij probeerde dan contact te leggen met andere Joden door in het Jiddisj de codevraag te stellen: ‘Bent u van het volk?’ Er kwam nooit een bevestigend antwoord. Er was niemand meer over.” Vader en zoon proberen zo goed en zo kwaad als het gaat verwaarloosde grafstenen van vrienden en familie op te knappen. De Libeskinds verloren in de oorlog 85 familieleden.
Israël
Er ligt geen toekomst meer in Polen en zodra ze kunnen, vertrekt het gezin. Naar Israël, waar ze terechtkomen in kibboets Gvat en Daniel gefascineerd wordt door de ‘groene architectuur’ in de jonge, Joodse staat. Nog altijd is Libeskind zowel Israëlisch als Amerikaans staatsburger.
Het korte verblijf in Israël beïnvloedt het latere werk van de architect
Hij is elf jaar oud als zijn ouders de mogelijkheid krijgen naar de ‘Goldene Mediene’ te vertrekken. Zowel in Israël als New York wordt nog vaak Pools gesproken. “Ik kan het nog altijd spreken, lezen en schrijven,” vertelt de architect later. Het korte verblijf in Israël beïnvloedt zijn latere werk wel, zoals hij aangeeft in zijn biografie Breaking ground: an immigrant’s journey from Poland to Ground Zero.
Het gezin komt terecht in de Bronx, vader Nachman vindt een baantje in een drukkerij in Lower Manhattan en als tiener ziet Daniel in de jaren zestig de Twin Towers gebouwd worden. Zijn passie voor architectuur heeft dan al wortel geschoten en in 1970 behaalt Libeskind zijn diploma als bouwmeester. Het jaar daarvoor is hij getrouwd met de Canadese Nina Lewis, die zijn passie voor architectuur deelt en over een groot zakelijk instinct beschikt. Het paar wordt onafscheidelijk.
Daniel werkt bij diverse architectenbureaus, maar zijn talent lijkt meer te liggen in het opleiden dan het daadwerkelijk ontwerpen. Lang ziet het ernaar uit dat zijn naam zal verdwijnen in het vergeetboek van de architectuurgeschiedenis.
Anoniem
In Milaan richt Libeskind een eigen instituut op dat al snel in avant-gardistische kringen hoog staat aangeschreven. De architect legt zich vooral toe op theoretische plannen. Toch lijkt eind jaren tachtig een einde te komen aan het Europese avontuur. Na vier jaar besluit het echtpaar terug te keren naar de VS, waar Libeskind een positie bij het Getty Center in Los Angeles heeft geaccepteerd. De hele inboedel is onderweg als de stad Berlijn – nog maar net verenigd na de val van de Muur eind 1989 –een prijsvraag uitschrijft voor het ontwerp van een Joods Museum. De inschrijving is anoniem. Iedere deelnemer mag zelf een nummer kiezen, de naam zal niet aan de jury openbaard worden. Libeskind kiest voor het getal 6.000.001. De anonimiteit werkt in zijn voordeel, want hij heeft nog geen enkel gerealiseerd ontwerp op zijn naam staan. Tot zijn eigen verbazing wint Libeskind de wedstrijd. Het is Nina die zegt dat als ze dit avontuur willen aangaan, ze in Berlijn moeten gaan wonen. Ze besluiten hun intrek te nemen in een hotel. Als de conciërge vraagt hoe lang ze van plan zijn te blijven, antwoordt het echtpaar: “Tot het museum er staat.” Het is tijd een eigen bureau op te richten. Nog in hetzelfde jaar ziet de inmiddels wereldberoemde Studio Libeskind het levenslicht.

De verhuizing naar Berlijn blijkt geen gemakkelijke opgave. Niet alleen moeten hun drie kinderen Rachel, Noam en Lev wennen, ook de familie in de Verenigde Staten is niet blij. Bij Libeskinds ouders ligt de oorlog nog vers in het geheugen en alle familieleden vragen zich af wat het gezin in vredesnaam in die Duitse stad doet. Daniel moet al zijn overredingskracht gebruiken om zijn vader het vliegtuig naar Berlijn te laten pakken voor een bezoek. De rest van de familie weigert.
Nachman Libeskind zet voor het eerst sinds 1957 voet op Duitse bodem. Daniel neemt hem mee langs de bezienswaardigheden, zoals de Potsdamer Platz. Daar komen bij Nachman de tranen in de ogen. Hij zegt: “Wij zijn hier, we leven, eten en slapen in deze stad, en de botten van de nazi’s liggen onder ons weg te rotten.” Libeskind zelf verklaart dat hem nog altijd de rillingen over de rug lopen als hij in Berlijn langs de gebouwen van Albert Speer loopt.
Lange adem
De bouw van het Berlijns museum verloopt niet zonder slag of stoot. De museumplannen verdwijnen aanvankelijk in de prullenbak en de burgemeester van Berlijn nodigt de architect uit in het stadhuis. Als douceurtje biedt hij hem de bouw van een wolkenkrabber aan. Libeskind weigert:
“Ik ben niet naar Berlijn gekomen om kantoren te bouwen. Ik kwam voor de bouw van het Joods Museum.” De architect beent het kantoor van de burgemeester uit en slaat de deur met een harde klap achter zich dicht.
Maar de opdrachtgever gaat overstag. Na twaalf jaar gesteggel en problemen bij de bouw, kunnen in 2001 deuren van het museum worden geopend. Het is een project van de lange adem geweest. Dat zal Libeskind vaker in zijn loopbaan tegenkomen. Vader Nachman gaat mee naar een diner ter ere van de opening. Kanselier Gerhard Schröder gaat voor de oude man door de knieën en zegt: “Meneer Libeskind, u moet zo trots zijn. Dank voor uw aanwezigheid.” Daniel herinnert zich: “Ik dacht: hier is de Duitse kanselier, op zijn knieën voor mijn bijna 90-jarige vader, in het Joods Museum…”
Als de naam van Libeskind vanwege de toekenning voor de Berlijnse opdracht in de hele wereld bekend wordt, beginnen ook opdrachten binnen te stromen voor Joodse opdrachten elders: Kopenhagen, Vilnius, San Francisco, Columbus, Ottawa en uiteraard Amsterdam.
Minachting
Het is zomer 2014. Locatie: het Wertheimpark in Amsterdam. Er staan enkele journalisten in het gras. Een clubje buurtbewoners staat om een orerende vrouw van middelbare leeftijd heen. Iets verderop Jacques Grishaver en Daniel en Nina Libeskind. Het plan is om de Namenwand, met de namen van alle 102 duizend vermoorde Joden, op deze plek te laten verrijzen.
De tekeningen zijn klaar, nu de omwonenden nog. En de weduwe Wolkers
De tekeningen en de maquette zijn klaar en goedgekeurd door de gemeente. Nu de omwonenden nog. Karina Wolkers is degene die het woord voert met de buurtbewoners aan haar zijde. Zij is de weduwe van de in 2007 overleden schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers die het monument Nooit meer Auschwitz ontwierp dat in het park staat. De weduwe speelt haar rol als hoedster van ’s mans culturele erfgoed met verve. Op hoge toon stapt ze op de kleine Libeskind af. Ze torent hoog boven hem uit. Haar woorden schiet zij als pijlen af: er kan geen sprake van zijn dat hier de Namenwand gaat komen, het monument van haar man zal totaal in de verdrukking raken. Ze krijgt bijval van de aanwezige buurtbewoners, vrouwen in dezelfde leeftijd als Karina. Libeskind probeert rustig met haar in gesprek te gaan, maar de weduwe is totaal niet geïnteresseerd in de woorden van de inmiddels wereldberoemde architect. De rust waarmee hij toch een speld tussen haar woordenbrij probeert te krijgen, is bewonderenswaardig, want mevrouw Wolkers straalt niets dan minachting uit. Ook tegenover Jacques Grishaver, de aanjager van het initiatief. De twee laten het gelaten over zich heen komen: hier is geen kruid tegen gewassen.
Compromissen
Uiteindelijk winnen Wolkers en haar metgezellen de strijd om de locatie. Er zal een andere plek voor het Namenmonument moeten worden gevonden. Die wordt iets verderop gevonden, aan de Weesperzijde. Opnieuw maken de bewoners van wat ooit de Jodenbuurt was, amok. Na acht jaar gesteggel vindt in september 2021 de opening plaats. Geen enkele bezoeker van deze plechtigheid kan bij de confrontatie met het geniale ontwerp zonder emoties blijven. Het maakt op iedereen die tussen de eindeloze rijen namen door loopt een verpletterende indruk. Inmiddels, drie jaar na de opening, is alle kritiek op het project verstomd.
De architect weet inmiddels dat hij voor dit soort emotionele megaprojecten engelengeduld moet hebben. Ook aan het Joods Museum in Berlijn en Ground Zero in New York gingen jaren van polemiek en compromissen vooraf. Van Libeskinds masterplan in New York is anno 2024 nog maar weinig origineels terug te vinden. Water bij de wijn doen hoort erbij, zoals de meester eerder zei toen hij de architectuur met de muziek vergeleek: “Je bent afhankelijk van anderen, van het team.”
Watertoren
Libeskind alleen erkennen voor zijn herdenkingsprojecten, zou de architect zeer te kort doen. Hij is inderdaad een autoriteit geworden op dat gebied, maar er staan veel andersoortige musea van zijn hand. En er zijn tientallen andere projecten: een winkelcentrum in Bern, het Wohl Centre in de Bar-Ilan Universiteit in Ramat Gan, de façade van het Hyundai hoofdkantoor in Seoul, het Grand Canal Theatre in Dublin, de herindeling van de Königsallee in Düsseldorf, de Vitra Tower in Sao Paulo, CityLife in Milaan en een arena in het Finse Tampere. Libeskind maakt uitstapjes in de wereld van design, zoals zijn ontwerp voor een voorradbus in de vorm van een watertoren voor Alessi, en hij ontwerpt sculpturen.


Inmiddels 78 jaar oud, denkt de architect er niet over te stoppen. Er staan nog tal van projecten op stapel, zoals de restauratie van de Grote Synagoge in Vilnius, Litouwen en het Museum voor de geschiedenis van de mensheid in Kenia. Wat Libeskind onderscheidt van veel collega’s is dat de architect een gebrek aan ego lijkt te hebben. Ondanks zijn vermaardheid komt hij bescheiden over, op sommige momenten zelfs verlegen. Weten veel architecten de camera’s altijd meteen te vinden, Libeskind lijkt ze eerder te willen vermijden. Bekend is dat als mensen hem op straat vragen of hij niet die beroemde Daniel Libeskind is, hij weleens wil antwoorden: “Libeskind? Nee hoor, dat ben ik niet. Maar ik hoor wel dat ik een beetje op hem lijk.”
Deze serie is mede mogelijk gemaakt door Maror. Het artikel verscheen eerder in het NIW1 van 27 september 2024
