Het verhaal van de zegelsnijder

In het oude hart van Stockholm, het schilderachtige Gamla Stan, bevindt zich sinds 2019 het Joods Museum. Een van de topstukken is het autobiografische manuscript van Aaron Isaac. Met hem begint de Joodse geschiedenis van Zweden.
Het Joods Museum ligt in het oudste deel van Stockholm
Het Joods Museum ligt in het oudste deel van Stockholm

Niets is sprookjesachtiger dan een wandeling door het historische centrum van Stockholm, dat bedekt is onder een sneeuwdeken. Terwijl het hoofdzakelijk negentiende-eeuwse centrum van de stad wordt gekenmerkt door de ruime opzet met parken en brede allees, verandert de sfeer op slag op Gamla Stan, een eilandje in de hoofdstedelijke archipel waar Stockholm in de dertiende eeuw ontstond. Het bestaat uit een wirwar van pittoreske straatjes met boetiekjes, musea, barretjes en restaurants. Alles is nog in kerstsferen, want in deze contreien wordt het feest maar liefst twaalf dagen lang gevierd en het NIW bezoekt Zweden begin januari.

Aan een pleintje met een indrukwekkende oude kastanje vinden we het in 2019 geopende nationale Joods Museum, gewijd aan een van de oudste immigrantengroepen van het land. Het is gevestigd in het oudste pand van het land waarin ooit een synagoge was gevestigd, aan de Själagårdsgatan 19. De Joodse gemeenschap kocht het pand om te verbouwen tot een gebedshuis terwijl er nog een veiling in was gevestigd. Van 1795 tot 1870 floreerde het gebouw als het kloppend hart van de Joodse wereld in Stockholm, met een jesjieve, mikwe en een keuken waarin voor Pesach de matses werden gebakken. Na de inwijding van de grote Storasynagoge aan de Wahrendorffsgatan verloor het pand die hoofdrol. Het voormalige gebedshuis werd een religieus opvangcentrum voor zeelieden, vanaf 1972 was het hoofdbureau van politie in het ‘eerste district’ van de stad erin gevestigd en uiteindelijk stond het charmante gebouw, inmiddels verbouwd tot kantoor- en woonruimte, te koop.

De voormalige sjoel werd zoveel mogelijk in oude staat teruggebracht, inclusief een vrouwengedeelte. Gelukkig was er aan de vier centrale pilaren die ooit het hart hadden gevormd, niet gesleuteld; die stonden nog altijd fier overeind. Op sommige plekken kwamen zelfs nog achter dikke lagen pleister de oorspronkelijke beschilderingen tevoorschijn. Uit heel Zweden werden mooie en vooral ook geschiedkundig belangrijke stukken verzameld en in 2019 werd het museum op de nationale feestdag 6 juni onder grote belangstelling geopend.

Oude delen van de originele muurbeschilderingen kwamen
bij restauratie weer tevoorschijn
De vier pilaren in het midden van het gebouw zijn authentiek

________________________________________

Het ‘Ellis Island’ van Zweden

Recent wijdde het Joods Museum een tentoonstelling aan het eiland Marstrand, dat ten noorden van Gotenburg ligt. Het eiland is nu een gewild toeristisch oord voor beter gesitueerde Zweden, maar tussen 1775 en 1794 was het een vrijhandelshaven. Al snel zetten hier veel Joden hun eerste stappen op Zweedse bodem, er was zelfs een sjoel. Zij vonden vooral werk in de Zweedse Oost-Indische Compagnie en werden later gevolgd door minder gefortuneerde geloofsgenoten. Er waren tijden dat er meer dan honderd Joden op het eiland leefden. In de jaren vijftig van de vorige eeuw deed het eiland dienst als een soort Ellis Island, de Zweedse toegangspoort voor immigranten. De grootmoeder van Annali Rådestad, hoofdredactrice van Judisk Kronika, kwam als Poolse vluchtelinge via het eiland Zweden binnen.

________________________________________

Zwervend bestaan

Van grote belangstelling is deze middag geen sprake. Gamla Stan lijkt sowieso in deze begindagen van januari bijna uitgestorven, maar dat geldt in het bijzonder voor het museum. Wij zijn de enige bezoekers. De ruimte is bescheiden, in niets te vergelijken met het Joods Museum in Amsterdam, maar dat is begrijpelijk. De Joodse geschiedenis van Zweden is in veel opzichten nu eenmaal bescheiden. Toch is het de moeite waard, vooral om te zien hoe de gemeenschap vanaf het begin 250 jaar geleden integreerde in de stadsbevolking. Een leuk voorbeeld daarvan is een negentiende-eeuwse merklap, met daarop typische Noord-Europese motieven die je ook in Nederland aantreft, maar wel met het Hebreeuwse alfabet.

Een rijkversierd mutsje voor meisjes

Er zijn meer producten van huisvlijt, zoals zelfgemaakte keppels, maar die steken schraal af bij de rijkversierde meisjeskapjes. In het hart van de ruimte, tussen de vier pilaren in, hangt een grote lamp met Hebreeuwse teksten. Het is een interpretatie van de oorspronkelijke ‘chavrutalamp’ die herinnerde aan de traditionele Talmoedstudie. De aron hakodesj, de heilige ark, is authentiek. Hij werd met de inboedel verkocht aan het christelijke echtpaar dat vanaf 1870 een zeemanshuis in het pand runde. Het stel probeerde de ark provisorisch te restaureren, maar hadden geen kennis van het Hebreeuws. De letters vormden na hun geknutsel een tekst met een heel andere betekenis. In 1890 kocht het Noords Museum de ark op, die vervolgens een zwervend bestaan kende. Uiteindelijk was zelfs de afkomst niet meer bekend. De ark werd in de jaren 40 van de vorige eeuw ergens in een opslag aangetroffen met de aanduiding ‘kerkkunst’. Vlak voor de opening van het museum werd nog een laatste, essentieel deel van de kast teruggevonden: de tien geboden met omlijsting.

Aarons memoires

Uiteraard besteedt het museum aandacht aan het nationaalsocialisme, antisemitisme en de Joodse vluchtelingen die in de loop der jaren het land binnenkwamen. Niet alleen die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, maar ook de eerdere vanuit Oost-Europa, en latere zoals de immigranten uit Polen in de jaren vijftig. Maar wellicht het belangrijkste stuk dat dit museum herbergt, is een boek. Het zijn de memoires van Aaron Isaac, die wordt gezien als de aartsvader van de gemeenschap.

Zoals elders in deze special verteld wordt, vestigden zich al voor 1775 diverse Joden in Zweden. Dat gebeurde echter onder de strikte voorwaarde dat ze zich meteen zouden bekeren tot het christendom. Zo was er in 1681 een groep onder leiding van ene Israël Mandel, die plechtig verklaarde dat ze dat wilden doen. Er werd een heel theater van gemaakt in de Duitse kerk, onder het toeziend oog van het koninklijk paar. Het staat allemaal beschreven in De grote doop van de Joden, een boek van de geestelijke Christophorus Bezelius. Daarin staat fijntjes vermeld dat een van de echtgenotes weigerde zich te bekeren. Haar man riep haar snel tot de orde: bekeerde ze zich niet, dan zou hij van haar scheiden. De familie Mandel zou later van grote economische en militaire betekenis worden voor Zweden.

Van militaire betekenis werd Aaron Isaac een kleine eeuw later ook. Hij was als ambachtsman zeer bedreven in het graveren van zegels. Zegels waren in de achttiende eeuw van essentieel belang, met name voor diplomatieke en politieke post. Alle correspondentie, ook geheime, ging per brief. Alleen als het zegel niet was gebroken, kon je erop vertrouwen dat de precaire inhoud niet door een ander gelezen was. Zweden had geen zegelmakers. Die waren er wel in Pommeren, een gebied aan de zuidkust van de Oostzee dat onder Zweeds bewind stond. Daar gelegerde officieren maakten in de Zevenjarige Oorlog kennis met die ene bijzondere ambachtsman Aaron Isaac, een kei in zijn vak. Die konden ze in Zweden goed gebruiken. Zij legden via via contact met koning Gustaaf III. Isaac had er wel oren naar, maar onder één voorwaarde: dat hij negen andere Joodse mannen en hun gezinnen kon meenemen. Die had hij nodig om minjan te vormen, want van bekering kon geen sprake zijn.

Korreltje zout

Gustaaf ging overstag.

De leden van ‘dat ijverige volk’ zouden weleens goed kunnen zijn voor de economie

De leden van ‘dat ijverige volk’ zouden weleens goed voor de economie kunnen zijn, liet hij per brief aan zijn moeder weten. Geloofsgenoten van Aaron Isaac vonden het maar niets toen hij in 1774 met zijn negen avonturiers koers zette naar Stockholm. Zolang de boot in Stralsund (nu in Duitsland) in het zicht bleef, baden leden van zijn kille op de kade voor een behouden vaart, zowel op het water als op Zweeds land. Dat moet gewerkt hebben: in 1775 was er voor het eerst sprake van een officiële Zweeds-Joodse gemeenschap.

Nadat Gustaaf als eerste Aaron opdracht voor zegels had gegeven, volgde al snel de rest van de adel. Aarons broer Marcus werd een gevierd steenhouwer. Aaron zelf werd protegé van het hoofd van de Zweedse munt en de Zweedse financiën, Johan baron Liljencrantz. Isaacs zoon Nathaniel werd hofjuwelier van Gustav III en Aaron Isaac zelf werd door de koning zelfs aangesteld om andere Joden aan te trekken. Die nieuwe immigranten moesten wel kapitaalkrachtig zijn en een bijdrage aan de economie kunnen leveren.

Aaron Isaac

De ballotage door Isaac was streng, zeer streng. Zijn werkwijze zette niet zelden kwaad bloed onder de andere leden van zijn piepjonge gemeenschap, waarover hij met ijzeren hand regeerde. Aaron Isaac vereeuwigde al zijn avonturen, inclusief de ruzies met zijn killeleden, in zijn memoires, geschreven in het West-Jiddisj. Experts achten het verstandig de lezer te waarschuwen: sommige anekdotes in die autobiografie moeten met een korreltje zout worden genomen. Enig narcisme was de grondlegger niet vreemd. Hier en daar zou hij weleens de ervaringen kunnen hebben aangedikt ter meerdere glorie van zichzelf.

Deze Zwedenspecial werd mede mogelijk gemaakt door Maror en verscheen eerder in het NIW15 van 31 januari 2025

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Stockholm

De nuchterheid van een groeiende gemeenschap