Achtergrond

Ingezet als wisselgeld

Een groep van bijna negentig Turkse Joden verruilde hun thuisland vlak voor de Tweede Wereldoorlog voor Nederland. Waarom vertrokken ze? Hoe leefden ze hier? De timing was beroerd – toch wist een ruime meerderheid de oorlog te overleven.

Micky Cornelissen 29 december 2019, 09:00
Ingezet als wisselgeld

(Op de foto: Louna, Mercado, Signora en Avram Yohaï )

Even mijn Turkse snor weghalen, hoor.’ Het was de geijkte uitspraak van mijn moeder, wanneer ik haar met hars op haar bovenlip ergens in mijn ouderlijk huis tegenkwam. De oorsprong van die snor hing bij ons aan de muur: twee statige familiefoto’s, die ergens in de jaren dertig genomen zijn. Jarenlang gingen de knappe, mediterraanse gezichten op de foto zonder veel interesse aan mij voorbij, totdat ik in gesprek met mijn moeder toch maar eens vroeg naar die ‘Turkse roots’ waar zij zo graag naar verwees. Zo kregen de gezichten namen: Signora, Mercado, Avram, Louna en tot slot Roberto Yohaï, mijn overgrootvader. Allemaal geboren in Gallipoli en halsoverkop vertrokken naar Nederland om een nieuwe start te maken. Met mijn voorliefde voor archieven en de gewoonte verhalen grondig uit te pluizen, stuitte ik op een paar grote vraagtekens in mijn eigen, blijkbaar Turkse, familiegeschiedenis. Waarom gingen ze weg uit het Midden-Oosten? En waarom besloten mijn betovergrootvader en -moeder om, als hoogbejaarde overlevenden van Bergen-Belsen, via Zweden terug te keren naar het land dat zij eerder achter zich lieten?

Wie de term ‘Turkse Joden’ googelt, krijgt een waslijst aan positieve berichten. Het Ottomaanse rijk was een toevluchtsoord voor Sefardiem, die uit Europa voor de Spaanse Inquisitie vluchtten en ook in de vroege jaren van de Turkse Republiek lijken de Israëlieten een waardig bestaan op te kunnen bouwen in het land. Toch vertrok een groep van 88 Turkse Joden rond de jaren dertig naar Nederland om hier een nieuw leven op te bouwen.

Rooskleurig plaatje
Waarom lieten deze mensen alles achter om naar het koude Nederland te vertrekken? Die vraag heeft meerdere mogelijke antwoorden. De realiteit was dat het leven van de Joden in Turkije helemaal niet zo rooskleurig was als men graag schetst. Door de wisselingen van macht in het gebied waren de Joden constant op hun hoede, niet wetende of een nieuwe machthebber of regering tegenover de gemeenschap zou staan. Daarbij betaalden zij een veel hoger belastingtarief dan moslims. Ook speelde mee dat vooral jonge Joden het niet zagen zitten om als minderheid het Turkse leger in te gaan.

Roberto Yohaï met zijn kinderen Daisy en Rudy (Bron: privécollectie fam Yohai)

De groep die om die redenen al vertrokken was naar Nederland, werd extra aangevuld na een reeks pogroms in juni en juli 1934 in Oost-Thracië, het Oost-Europese deel van Turkije. In Tekirdag, Edirne, Kirklareli en Çanakkale viel de Turkse bevolking, gemotiveerd door Jodenhaat, de winkels en huizen van hun Joodse landgenoten aan. De toenmalige regering slaagde er niet in, of was simpelweg niet gemotiveerd genoeg, om de Joden te beschermen; ruim 15.000 vluchtten weg uit het gebied. Overigens kwam een deel van de Joden met het Turkse paspoort niet uit het moderne Turkije. Joden geboren in landen die behoorden tot het Ottomaanse rijk, waaronder Syrië, mandaatgebied Palestina, Egypte, Algerije en Cyprus, kregen na de val van het rijk in 1922 automatisch een Turks paspoort.

Kansen
De groep Turken die in Nederland aankwam, kon de eerste jaren ongestoord een nieuw leven opbouwen. Vaak met succes: Roberto Yohaï, geboren in Gallipoli, kwam begin jaren dertig alleen naar Nederland en wist al snel werk te vinden bij sigarettenfabriek Broches & Co in Amsterdam. In 1932 liet hij zijn vader Mercado, moeder Signora, zus Louna Fanny en Avram (later Albert) overkomen. Succesvol in de tabaksindustrie opende de familie een eigen sigarettenfabriek onder familienaam Yohaï op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam.

De welvaart van de familie Yohaï had invloed op andere Turken; de familie bood actief hulp aan geloofsgenoten die zich nog bevonden in het thuisland. Roberto creëerde in zijn fabriek banen voor vluchtelingen en hielp onder andere de familie Behar, de ouders van de latere leggerrabbijn Sam Behar, naar Nederland te komen.

Ook de familie Hatem pakte de kansen in hun nieuwe thuisland met beide handen aan. Net zoals bij de familie Yohaï, vertrok ook hier de zoon, Albert Hatem, in 1927 als eerste van het gezin naar Nederland, om zo niet in het Turkse leger te hoeven dienen. Daarop volgde de rest van de familie. Hatem veranderde later in Hattem, wat Nederlandser klonk. Albert Hatem opende in 1934 een zaak in Perzische tapijten in de Grote Houtstraat in Haarlem.

Het leven van de Joden in Turkije was niet zo rooskleurig als men graag schetst

De nieuwkomers waren gewend niet te koop te lopen met hun Joodse identiteit; in Turkije hadden zij geleerd dat dit elk moment tegen je gebruikt kon worden. Onderling waren er sterke vriendschappen en er werden huwelijken gesloten. Anderen vonden in Nederland juist het religieuze leven dat ze in Turkije hadden moeten verbergen, en werden actief lid van de Portugese Synagoge in Amsterdam of een lokale synagoge. Het leven was goed in Nederland. De opkomst van nazi-Duitsland leek op dat moment nog slechts een zacht gerommel.

Gouden ticket
Het rustige leven sloeg voor de groep om na de capitulatie van Nederland op 15 mei 1940. Met de Duitsers aan de macht hield de hele gemeenschap de adem in. De groep moest zich schikken naar de anti-Joodse maatregelen van de Duitsers, maar bevond zich wel in een uitzonderingspositie: vanwege de neutraliteit van Turkije tijdens de oorlog werden de Turkse Joden in eerste instantie vrijgesteld van transporten. Achter de schermen werkte Turkije echter samen met de Duitsers door inlichtingen te verschaffen.

De Turkse Joden bleken uiterst waardevol; ze konden geruild worden tegen Duitse krijgsgevangenen

De houding van het vaderland zorgde ervoor dat de Nederlandse groep de eerste jaren van de oorlog tamelijk rustig doorkwam. Fabrieken en winkels werden onder bewind van een niet-Joodse ‘voogd’ gesteld. Het paspoort van het land dat zij juist hadden moeten ontvluchten vanwege Jodenhaat, leek een gouden ticket.

Op 1 januari 1943 hieven de nazi’s die ‘uitzonderingspositie’ van de Turks-Joodse groep op in een brief aan Ankara. De Turken zelf waren toen ook al bezig om het hun burgers in het buitenland moeilijk te maken. Volgens een Turkse wet kon iedereen die in de voorgaande vijf jaar niet meer in Turkije was geweest zijn nationaliteit verliezen. Dat gold voor een groot deel van de Joods-Turkse immigranten – want wie kreeg het voor elkaar om in het in oorlog verkerende Europa een reisje te maken naar het Midden-Oosten?

Catastrofe
Stateloze Joden konden wel gedeporteerd worden, en daar maakten de nazi’s ook in dit geval graag gebruik van. Voor een aantal uit de groep werd de status ‘stateloos’ catastrofaal. Negentien Turkse Joden werden opgepakt, gedeporteerd en vermoord in concentratiekampen. Anderen probeerden (soms met succes) hun Turkse paspoort toch nog te verlengen bij het consulaat in Den Haag, of doken onder.

Ook voor de geliefde rabbijn Eliahoe Frances, geboren in Saloniki (toen deel van het Ottomaanse rijk) en zijn tevens daar geboren vrouw Diamante, werd de status ‘stateloos’ fataal. De rabbijn zegende huwelijken uit de Turks-Joodse groep, waaronder dat van Salomon Behar en Dudu Kuzi. Behar en Kuzi vluchtte eerder uit Adrianopel, nu Edirne. De rabbijn en zijn vrouw werden vermoord in 1942, in Auschwitz.

De ruïne van de synagoge in Gallipoli

Ook al stond het wél kunnen behouden van de nationaliteit niet meer garant voor het ontkomen aan vervolging, het Turkse document bood nog wel enige bescherming. Maar eind 1943 werden de meeste Turkse Joden toch opgepakt en vastgezet in Westerbork. Uit getuigenverklaringen uit het kamp, onder meer uit het dagboek van journalist Philip Mechanicus (1889-1944), blijkt dat ook hier de groep naar elkaar toetrok. Zo schreef hij op 8 november 1943: “Een kleine kolonie Turken, ouders met kinderen, is vlak bij mijn bed neergestreken: zij huizen de gehele dag om het kacheltje, dat zij door hun veelheid als het ware voor zich monopoliseren, en bemoeien zich vlijtig met het kookgedoe van anderen, verschrikkelijk vriendelijk en hulpvaardig. De kinderen kwetteren Spaans en Nederlands door elkaar – levendige, rappe kinderen, vlug als water.” Met het Spaans doelde de journalist hier eigenlijk op Ladino, een taal die sterk verwant is aan het Spaans, maar ook elementen uit de Jiddische en Hebreeuwse bevat. De Sefardische Joden namen de taal mee naar het Midden-Oosten en bleven het spreken in Nederland.

Uit latere dagboekpassages van Mechanicus blijkt dat de gevangenen van Westerbork niet erg gesteld waren op de Turkse groep, die nauw samenklitte. Ze hielden het kleine kacheltje constant bezet en doodden de tijd door lange discussie met elkaar te voeren in het Ladino, wat resulteerde in onophoudelijk gekwetter. Op 19 januari werd de hele groep overgebracht naar een andere barak, speciaal voor ‘buitenlanders en mensen met een dubbele nationaliteit’. Wat de Joodse Turken toen nog niet wisten, is dat zij deel uitmaakten van een nieuw plan van de nazi’s.

Zeemansgraf
Op 16 maart 1944 stuurde Willi Zoepf, werkzaam bij de Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst in Den Haag en verantwoordelijk voor de transporten, een brief over de Turkse groep. Zoepf draagt de kampleiding van Westerbork op om de groep als ‘statelozen’ te behandelen en ze met het ‘eerstvolgende transport voor werkverschaffing naar het Oosten te sturen.’

44 Turkse Joden kwamen in september 1944 aan in Bergen-Belsen. De groep werd ondergebracht in het zogeheten Neutralenlager, waar de Joden uit neutrale landen werden vastgezet. Uit getuigenverklaringen van de in 2018 overleden legerrabbijn Sam Behar komt naar voren dat de omstandigheden in dit deel van het kamp ‘beter’ waren dan in de andere delen van Bergen-Belsen. Zo was er een redelijke sanitaire voorziening, was er beter voedsel en vonden er ‘nauwelijks’ mishandelingen plaats. Deze behandeling had uiteraard een reden: vanwege hun nationaliteit bleek de groep onverwacht uiterst waardevol voor de Duitsers. Na diplomatieke onderhandelingen tussen Engeland en Duitsland in Ankara werd op 31 januari 1945 overeengekomen dat de Turkse Joden geruild konden worden tegen Duitse krijgsgevangenen. De Turkse groep ging als wisselgeld over de toonbank.

Maart 1945 werd de groep uit Bergen-Belsen in Zweden op de boot naar Turkije gezet. Dit gebeurde ondanks het feit dat Turkije al op 23 februari haar neutraliteit opgaf en op 1 maart Duitsland zelfs offi cieel de oorlog verklaarde. Omdat het akkoord van voor die tijd stamde, hadden de Duitsers daar echter geen boodschap aan.

Samen met 365 Spaanse en 19 Portugese Joden uit Bergen-Belsen werd de groep aan boord van het stoomschip Drottingholm gebracht. Het schip deed eerder dienst als cruiseschip en was eigendom van de Swedish American Line. Na onderhandelingen door het Rode Kruis werd het schip gecharterd voor de uitwisselingen. In totaal ging het schip tijdens de oorlog veertien keer op reis om diplomaten, krijgsgevangenen en Joden uit neutrale landen te vervoeren. Voor de gelegenheid werden er teksten zoals ‘protected’ en ‘freigeleit’ op de romp geschilderd.

Met de Drottingholm werd de groep Turkse Joden in maart 1945 teruggevoerd naar Istanbul

De Drottingholm vertrok op 15 maart naar het Zweedse Göteborg en maakte meerdere tussenstops om de passagiers af te zetten. Onderweg overleed de, inmiddels bejaarde, Mercado Yohaï. De Turken bleken hun mannetje te kunnen staan, toen de bemanning van het schip aanstalten maakte om het lichaam van Yohaï een zeemansgraf te geven. Om te voorkomen dat de groep zou overgaan tot een rel, besloot de kapitein aan te leggen in de eerstvolgende haven: Port Said, Egypte. Hier kreeg Mercado, zo goed en zo kwaad als op dat moment mogelijk was, van zijn ruim veertig lotgenoten een Joodse begrafenis.

Niets meer
Wanneer het schip precies aankwam op eindbestemming Istanboel, is niet duidelijk. Wel was onmiskenbaar dat de uitwisseling voor een groot deel van de groep zowel een zegen als een grote zorg was. Ze waren ontkomen aan de dood in een van de concentratiekampen, maar stonden nu weer op de aarde van het land dat zij jaren geleden waren ontvlucht. De gezinnen hadden niets meer en konden ook niet terugvallen op familie, aangezien die zelf ook waren vertrokken. Daarbij kwam dat het antisemitisme in Turkije even levendig was als vanouds.

Ze waren ontkomen aan de concentratiekampen, maar hadden niets meer

Extra schrijnend was de situatie voor Mietje Malalel-Norden en haar dochter Rozette. Mietje, een Nederlandse naaister, trouwde met de TurksJoode Habibe Malalel, een tapijtenwever. Met het huwelijk kreeg zij automatisch het Turkse burgerschap. Mietje en haar dochter werden in september 1944 naar Bergen-Belsen afgevoerd en meegestuurd op de boot naar Turkije. Zowel moeder als dochter kwamen terecht in hun ‘thuisland’, waar zij nooit eerder voet aan wal hadden gezet, zonder bezittingen, contacten of kennis van de taal. Hun wachtte daarna een lange reis door een door oorlog verwoest Europa om terug te keren naar Nederland. Ze waren niet de enigen. Volgens het Rode Kruis besloten zeker 23 overlevenden van de gerepatrieerde groep terug te gaan naar Nederland. Zo wist de familie Behar ruim een jaar later, op 16 juli 1946, eindelijk terug te keren naar Amsterdam.

De teruggekeerde Turkse Joden moesten opnieuw een bestaan opbouwen in Nederland. Sommigen wisten hun bedrijven en fabrieken te heropenen. Zo zette Albert Yohaï de sigarettenfabriek van de familie voort. Ook de familie Behar bleef. Sam Behar hielp met het opbouwen van de Joodse gemeenschap en zette zich in als Joodse leraar en legerrabbijn. Toch was de groep van bijna tachtig Turkse Joden, die vaak hecht met elkaar verbonden waren, ruw uit elkaar getrokken. Het overgrote deel koos ervoor te vertrekken naar Amerika of Israël.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *