Chanoeka is misschien wel het meest profane van alle Joodse feesten, en toch staan de vlammetjes van de menora niet louter voor gezelligheid
Door: Binyomin Jacobs
Twee feesten kent de Joodse kalender die vooral bekendstaan om hun gezelligheid en die al snel gezien worden als dagen die met religie weinig van doen hebben: Poeriem en Chanoeka. Poeriem is de Joodse uitgave van carnaval, en Chanoeka het feest van de lichtjes: terwijl het buiten guur en koud is, zitten wij gezellig en knus bij de menora. Klopt dit beeld? Ja en nee. De Hoge Feestdagen, Rosj Hasjana en Jom Kipoer en ook de andere jamiem toviem, zitten vol spiritualiteit. De sjoeldiensten duren lang, we maken thuis kidoesj, lernen veel en zijn min of meer aan huis gekluisterd vanwege de diverse verboden die van kracht zijn, net als de sjabbat. Toch heet de Grote Verzoendag: Jom Hakipoeriem. De allerbelangrijkste dag op de Joodse kalender is: ke Poeriem, ‘gelijk aan’ Poeriem! Met andere woorden: Poeriem staat boven de Grote Verzoendag in importantie?
Hoger
Waarom beginnen we niet met het opnieuw lezen van de Tora op Rosj Hasjana? Wat is er logischer dan het Nieuwe Jaar, de dag waarop we de Schepping herdenken, te beginnen met: Beresjiet – ‘in den beginne’. Toch wachten we met het beëindigen en weer opnieuw beginnen van het lezen van onze Joodse levensleidraad tot de laatste dag van het Loofhuttenfeest, als alle Hoge Feestdagen voorbij zijn. De reden van dit uitstel is kenmerkend voor het jodendom: gedurende de Hoge Feestdagen zijn we als het ware teruggetrokken uit het wereldse gebeuren. We zitten vol spiritualiteit en onze blik is voortdurend naar boven gericht. Maar, zo mogen we ons afvragen, is dat jodendom? Terugtrekking uit de samenleving, uit het dagelijks leven vol valkuilen, afzondering en misschien wel een soort geestelijk celibaat, opdat de mens zich geheel aan G’d kan wijden? Het antwoord is een keihard ‘neen’. Jodendom is een leefwijze. Beter geformuleerd: jodendom beperkt zich niet tot de sjoel en de Hoge Feestdagen. Jood-zijn is iets dat we altijd horen te beleven, waar we ook zijn en in welke situatie we ons ook bevinden. In feite kunnen we zeggen: alles behoort tot onze godsdienst, ook het gewone dagelijks leven. Op Poeriem was er geen zichtbaar wonder geschied. De Joden hadden een oorlog tegen onderdrukking gevoerd. De oplossing kwam via de diplomatieke weg. Ja, er is ook gebeden en gevast. Ja, kinderen werden verzameld om te lernen. Maar bovennatuurlijke wonderen waren er toen niet. Als iemand, G’d verhoede, ernstig ziek is, moeten we naar de dokter, die ons met zijn kennis en medicijnen zal genezen. Maar tegelijkertijd bidden wij en vragen de allerhoogste om genezing. Zo zit de wereld in elkaar. Want een arts kan niet altijd genezen en naarmate de dokter bescheidener is, beseft hij meer en meer dat niet hij geneest, maar dat hij de tussenschakel mag zijn in een geneesproces dat vanuit hogere regionen wordt geregisseerd. Daar wordt beslist of de ingreep wel of niet zijn beoogde uitwerking zal hebben. Dat is jodendom: midden in die ogenschijnlijk niet religieuze wereld G’ds wegen bewandelen. En dus is Poeriem, het feest zon der wonderen en zonder te veel spiritualiteit, hoger dan de Grote Verzoendag.
Broertje
Poeriem heeft wat dit betreft een concurrent, genaamd Chanoeka. Ze lijken op elkaar deze twee broertjes: op beide feestdagen geen kidoesj, geen uitgebreide extra gebeden, geen werkverbod, en een gelijksoortige geschiedenis. Ook worden beide vrij profaan gevierd. Op Poeriem hebben we een feestmaal, we geven extra geld aan de armen en sturen elkaar voedselpakketjes. Met Chanoeka zijn er ook cadeautjes, eten we latkes en soefganiot, spelen met een tolletje en genieten van de gezelligheid rondom de Menora. Toch is er een verschil tussen de beide doordeweekse feestdagen. Met Poeriem doen we aan misjloach manot ( het s turen v an l ekkernijen), geven we geld aan de armen uit eigen kring en de verplichte feestmaaltijd vieren we binnenskamers. Chanoeka is als het ware nog profaner: de menora wordt aangestoken in de deuropening, op straat, als het donker is; de zuivere vlammetjes staan niet louter voor gezelligheid.
Strijd
De lichtjes symboliseren de oprechtheid en kracht die we allen in ons hebben en roepen op om de strijd van toen ook nu te strijden. Juist als het duister is, als de wereld bijna vergeten is dat er een allerhoogste bestaat die ons naar beneden heeft gestuurd om Hem te dienen, niet alleen in sjoel maar juist in het alledaagse. In een situatie van geestelijke duisternis wordt er van ons verlangd om licht en spiritualiteit te brengen. Maar niet alleen binnenshuis en niet uitsluitend voor onze eigen gelederen. De Joden hebben een opdracht: verlicht de duisternis ook buiten, naar de samenleving waarvan we een onderdeel zijn. Gelijk de vlammetjes ons oproepen om onze opdracht onder alle omstandigheden uit te voeren, de 613 ge- en verboden, zo ook vertellen diezelfde lichtjes aan de ons omringende maatschappij: wordt alsjeblieft niet Joods, maar weet wel dat ook u duisternis moet verdrijven door de zeven noachidische geboden in opdracht van G’d te beleven, onder alle omstandigheden. Gezamenlijk moeten we werken aan een samenleving waar G’d weer wordt erkend. Daarom is het zo geweldig dat zelfs in ons Nederland op zoveel plaatsen een grote menora brandt, midden in de straat, om de wereld te tonen dat hoe donker het ook moge zijn, wij, Joden en niet-Joden, altijd licht kunnen en moeten uitstralen en gezamenlijk de strijd van toen ook nu moeten strijden. Niet tegen de Grieken, maar tegen de nieuwe religie die zich meer en meer opdringt en die we het best kunnen betitelen als ‘antireligie’. Betekent het profane karakter van Chanoeka dat het geen echt religieus feest is? Het antwoord is wederom nee. Het gegeven dat Chanoeka wordt gevierd op openbaar terrein, ver weg van spiritualiteit, bewijst dat de oorsprong in kedoesja, heiligheid, juist hoger ligt. Als een muur instort zien we de stenen die hoog in de muur zaten het verst weg vallen. Chanoeka komt van heel hoog