Opinie

Moedige tantes

Opinie Frits Barend

Frits Barend 10 november 2019, 08:00
Moedige tantes

Soms hangt het leven van toeval aan elkaar. Vervolgens is het je taak aan dat toeval richting te geven. Zo was het puur toeval dat ik in 2012 ontdekte dat de journalist en veelgevraagde spreker bij herdenkingsbijeenkomsten Ad van Liempt andermans werk claimt als het zijne en het nieuw zo nauw neemt met het verwijzen naar oorspronkelijke bronnen. Vervolgens is het mijn taak als journalist de loodzware tegel die Van Liempt heet, te lichten. Daarmee won ik veel vijanden, maar ook vrienden. Een van hen is Rob Moscou, die aanvankelijk boos was na mijn artikel in Het Parool, ’Van Liempt pronkt met andermans veren’ van 30 maart 2019, maar die na een lezing van schrijfster Chaja Polak in Westerbork enige weken later een bekeerling werd. Vervolgens heeft het zeven maanden geduurd voordat een tweede landelijke krant, de Volkskrant, vraagtekens zette bij de werkwijze van Van Liempt en zijn bijdrage aan de zogenaamde vergrijzing, maar dat terzijde.

Moscou nodigde mij onlangs uit bij een door hem geleide uitreiking van zes Yad Vashem-onderscheidingen in het stadhuis van Leeuwarden. Een van de postuum gedecoreerden was Iet van Dijk. Haar onderscheiding werd in ontvangst genomen door de 72-jarige Jan van Dijk, een zoon van haar broer. Verrek, dacht ik, die Jan van Dijk ken ik: begin jaren zestig waren we klasgenoten op het Vossius gymnasium in Amsterdam. Van Dijk heeft zoals de meeste van mijn klasgenoten iets nuttigs gedaan met zijn schoolopleiding. Hij schopte het tot hoogleraar criminologie aan de Universiteit van Tilburg en ontving in 2011 de Stockholm Prize in Criminology, ook wel de Nobelprijs voor criminologie genoemd, voor zijn onderzoek naar slachtoffers waarvoor een naam is bedacht waarvan ik eerlijk gezegd nooit had gehoord: victimologie. Zo hield Van Dijk een aantal jaren geleden een lezing met als motto: waarom houden Nederlanders meer van daders dan van slachtoffers – alsof hij het verwijt dat Chaja Polak Van Liempt letterlijk maakt in haar boek De man die geen hekel had aan Joden avant la lettre had gehoord.

Tante Iet
Van Dijk heeft vorig jaar een boek geschreven over zijn tante, met als titel Iet. Hoewel mijn vrouw en ik veel hebben gelezen over de oorlog, veel hebben gehoord en ook wisten dat vrouwen een heel belangrijke rol in het verzet hebben gespeeld, is het boek van Jan van Dijk toch een oog-opener. Zijn tante Iet van Dijk was lid van de bekende groep Meerburg, een groep Amsterdamse studenten onder leiding van student Piet Meerburg die in de oorlog kinderen uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg smokkelde.

Meerburg genoot na de oorlog bekendheid als oprichter van bioscoop Kriterion in Amsterdam en als gevierd producent. Van Dijk beschrijft hoe de groep Meerburg rond de vijfh onderd Joodse kinderen redde dankzij vooral het moedige werk van de vrouwelijke leden, hoe de vrouwen de kinderen vervoerden naar onderduikadressen in Friesland en Limburg. Dat werk moest ook wel gedaan worden door vrouwen, want in die tijd was een man alleen met een klein kind in een trein of tram een iets te opvallende verschijning voor patrouillerende Duitsers of oplettende NSB’ers. En de vrouwen deden het ook. Het boek van Van Dijk is alleen daarom al een aanrader, omdat het gangbare beeld dat het verzet vooral uit mannen bestond, radicaal kantelt. Mijn ouders konden onderduiken omdat Jeltje de Vries uit Oudega eind 1943 zei: “Jelle, we moeten iets doen voor de Jodenmensen.”

Op initiatief van de vrouw des huizes werden zij de heit en mem, de vader en moeder van mijn broer. En later begreep ik hoe mijn tante Mary van der Kar, de zus van mijn moeder, dankzij een valse ariërverklaring op haar fiets met houten banden bonnen, eten, maar ook wapens smokkelde van en naar Friesland, omdat ze als jonge vrouw niet zo snel verdacht was. Kan mezelf voor mijn kop slaan dat ik haar destijds nooit vragen heb gesteld over die avonturen. Van Dijk ontdekte ook dat het aantal vrouwen dat een Yad Vashem-onderscheiding heeft gekregen in heel Europa hoger is dan het aantal mannen.

Helaas heeft ook Jan zijn tante Iet van Dijk nooit kunnen vragen naar haar drijfveren, naar haar beslissing om een pasgeboren Joods jongetje aan te geven als haar eigen kind en zo te redden van een zekere moord. In het boek: “Op 4 mei 1944 werd Steven Johannes van Dijk ingeschreven in de Burgerlijke Stand van Amsterdam als kind van Iet van Dijk (huishoudster).” Iet ging daarna door het leven als ongehuwde moeder – destijds nog een schande. Hoe S.J. van Dijk overleefde, die na de oorlog zijn oorspronkelijke naam Arthur Jacobs terugkreeg en wie zijn beroemde zoon is, moet u zelf maar lezen in het boek Iet van auteur Jan J.M. van Dijk (Pharos Uitgevers).

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (1)
Betty van Essen-Kok 13 november 2019, 16:15
Mijn onderduik begon in Bussum op initiatief van mijn neef en nicht, David Gomes de Mesquita en Jansje Prins, zijn vrouw, de dochter van mijn Moeders oudste zuster. Na twee adressen kwam ik in September 1942 bij oom Piet en tante Griet Heimans waar ik tot aan de hongerwinter bleef. Ik liep gewoon met een vals persoonsbewijs op straat, elke dag op weg naar een huis wat ik schoonmaakte. Fiets tochten op Zondag. Bij oom Piet kon alles. die was nooit thuis s'avonds want hij zat in het verzet. In ' 44 begonnen wij met de hongertochten, Piet en ik en in November besloten wij dat ik een baan als hulp op een boerderij zou zoeken want ook in Bussum werd voedsel minder. Via een boeren familie vond ik werk bij de familie Tijmes. Bij Bartha en Karst. Omdat haar Moeder een maand er voor overleed was Bartha heel verdrietig en huilde veel. Nu wist ik wel dat mijn jongste broertje Jacques in 1941 in Mauthausen was vermoord maar had verder geen idee wat er met mijn ouders en oudste broer gebeurt was. En besloot aan Bartha, die niet wist dat ik Joods was dit feit te vertellen. En zo vertelde ik haar dat ik haar verdriet begreep maar zij in elk geval wist waar haar Moeder was en ik niet. Want, zo zei ik haar, daar in de keuken, ik ga je iets vertellen en misschien gooi je mij er uit maar in feite heet ik geen Zus, ik heet anders en ik ben een Joodse onderduikster. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en zei, Zus, Zus, oe bint mider nog veul liever om en ge kunt hier blieven voor de hele oorlog en ook daarna als je wil. Maar vertel het niet aan mijn man. En we gingen verder met werk. Jaren jaren later ging en wij eindelijk naar de boerderij. Op zich een zeer emotionele gebeurtenis. En een half jaar later overleed Bartha. Ik kreeg van haar schoondochter, Annie Tijmes het telefoon nummer van een man die knecht was toen en in Ontario woonde en ik hem belde vanuitToronto. Wij bezochtten hem en zijn vrouw en eens vroeg ik hem wanneer hij begreep dat ik Joods was. Oh, zei hij, dat wistten wij allemaal. Dat had de baas aan iedereen op de boerderij vertlet. Maar, zei ik, daar spraken jullie nooit over. Nou, zei Jan, die toen 17 was en nu in de 70, daar spreek je toch niet over. Op de Nieuwe Keizersgracht 24 zijndoor Jacob Kohnstamm en Beatrijs Stemerding plaquettes aangebracht, door mij onthult in December 2009 ter herinnering aan mijn ouders en broers waar ook de namen zijn te lezen van diegenen die verantwoordelijk waren voor mijn onderduik. Ik las over moedige vrouwen. Bartha was er een. Betty van Essen-Kok. Jeruzalem
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *