De hoofdrol in de documentaire van Danny Akker over het vroegere Joods Den Haag is niet toebedeeld aan een persoon. Nee, die rol is voor een object: een bronzen maquette van de vroegere Joodse wijk, die wat grootte betreft na Amsterdam ooit de tweede van het land was. Koosnaam: ‘De Buurt’. De eerste van de twee hoofdlijnen in de film volgt die maquette, een creatie van de Joodse Hagenaar Jacques de Leeuwe. Zijn zoon en dochter, die altijd aangevoeld hebben dat hun vader een groot verdriet met zich meedroeg waar ze voorzichtig mee om moesten gaan, gaven hem bij zijn pensioen in 1989 toch het boek De verdwenen buurt van Ies Creveld cadeau, over het vroegere Joods Den Haag. Het raakte hem sterk.
Gedreven begon De Leeuwe de snel verdwijnende omgeving van zijn jeugd vorm te geven. Een gedrevenheid die volgens zoon Louis misschien voortkwam uit de Shoa, waarin Jacques zijn beide ouders verloor. Hij deed oproepen in verschillende media, zocht vroegere bewoners, klom op daken voor meer overzicht en maakte al zittend op het dak schetsen. Dankzij gesprekken met die vroegere buurtbewoners kon hij geleidelijk de plekken invullen die in zijn overzicht leeg waren gebleven. Zo creëerde hij een ontroerende maquette met pittoreske huisjes met puntdaken, gerangschikt rond de Nieuwe Kerk. Tegenwoordig staat het grootste deel van dat gebied bekend als Chinatown.
De Leeuwe wilde zijn project zelfs uitbreiden tot een informatiecentrum, compleet met theater, maar het bleef bij de maquette met informatie. Sinds 1996 is die geëtaleerd in het Haagse stadhuis.
Opvolger
De andere lijn in de documentaire is die van rabbijn Mendel Katzman, die op zoek gaat naar de geschiedenis van zijn betovergrootvader Izak van Gelder. Hij is niet alleen nazaat, maar ook opvolger van zijn voorouder: ooit was Van Gelder net als Mendel rabbijn in Den Haag. Izak van Gelder kwam als dertienjarige jongen uit de mediene naar Amsterdam, maar kon daar vanwege geldgebrek de opleiding tot rabbijn niet afronden. Hij werd gevraagd Joodse les te geven aan een school voor armen in Den Haag en vestigde zich daar als leraar. Met zijn vrouw Lea kreeg hij acht kinderen.
Uiteindelijk kreeg Van Gelder door zelfstudie in 1906 toch zijn smiecha, zijn rabbinale licentie, en werd hij een geliefde ‘volksrabbijn’, die bekendstond om zijn betrokkenheid bij de bevolking van Den Haag. Toen in 1925 een nieuwe opperrabbijn gekozen moest worden, wilde het daartoe gemachtigde comité de chiquere rabbijn Maarsen hebben. Dat leidde tot een boze brief van de gemeenteleden met een verdediging van hun geliefde Van Gelder, die er niet om loog. Ten slotte liep het zo dat beide mannen in functie waren. Maarsen sloot de chiquere huwelijken, maar als er een bruid onder de choepa zou komen die al enige maanden zwanger was, werd Van Gelder erbij geroepen — vandaar zijn bijnaam ‘de buikspreker’.
Kijkers van de documentaire voelen het al aankomen: het leven van Izak en Lea liep niet goed af. Ze doken niet onder en werden in 1943 opgepakt. Op sjabbat, dus Izak vroeg of hij dat nog ‘af mocht maken’. Het kon, hij zong liederen en zei gebeden. Daarna nam de politie hen mee en hun leven eindigde niet lang daarna in Sobibor. Hij was de laatste rabbijn van De Buurt.
Sporen van vroeger
Mendel Katzman vindt sporen van zijn betovergrootouders. Zoals een foto van hun veertigste trouwdag en een berg informatie die hij met een speurtocht in het kranten- en tijdschriftarchief Delpher.nl boven water weet te krijgen. Een goudmijn, ziet hij, met een speciale sectie Joodse media in Nederland.
De Asjkenaziem woonden in kleine huisjes bij de synagoge aan de Voldersgracht
Het vroegere huis van zijn betovergrootvader aan de Turfmarkt bestaat niet meer sinds de rigoureuze renovatie van De Buurt in 1910. De school, synagoge en honderden woonhuizen werden toen afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Er kwamen een nieuwe sjoel, een nieuwe school en nieuwe huizen, maar veel Joden woonden inmiddels elders. De winkels bleven, dus het werd al snel de omgeving waar ze inkopen kwamen doen. Mooi detail: waar het oorspronkelijke huis van rabbijn Van Gelder stond, bevindt zich nu het kantoor van de burgemeester.
Na de renovatie verhuisde het gezin Van Gelder naar een woning net buiten De Buurt. Katzman weet de plek te vinden en krijgt toestemming van de huidige bewoners het huis vanbinnen te bekijken. Het hippe interieur lijkt aan hem voorbij te gaan, maar de gaatjes in de deurpost waar de mezoeza vroeger moet zijn aangeslagen vindt hij moeiteloos.
Arm en rijk
Zo ontvouwt zich in de film een beeld van het nu gedecimeerde Joods Den Haag. Een rijke geschiedenis: in 1673 nam de Joodse aanwezigheid een aanvang met Sefardische Joden uit Amsterdam. Zij vonden de hofstad niet alleen mooier, maar wilden ook vanwege leningen aan de Oranjes en Statenleden ‘dichter bij hun geld’ zijn. De gefortuneerde eerste Joods-Haagse gemeenteleden betrokken riante panden aan onder meer het Lange en Korte Voorhout. De locatie van de huidige LJG herinnert daar nog aan: de ‘minisnoge’, een kleine Portugese synagoge, lijkt op de grote broer in Amsterdam.

De Sefardiem namen hun personeel mee. Dat was veelal van Asjkenazische afkomst en zo ontstond langzaam een Asjkenazisch, armer deel van de gemeenschap. Zij woonden in de lieflijk uitziende huisjes van De Buurt, bij de synagoge aan de Voldersgracht. Omdat Jiddisj de voertaal was, was er lang weinig communicatie met niet-Joden. Tot 1796 mochten Joden hun religie immers niet in het openbaar beleven; pas daarna kwamen er instellingen als een Joods bejaardentehuis en weeshuis.
Vanwege het langdurige verbod op toetreding tot de gilden waren Joden aangewezen op straathandel. Vaak huurden venters een straatkar — aanschaf ervan was te kostbaar — en probeerden zo hun waar te verkopen: van oude spulletjes tot etenswaren. De lokaal bekende Mietje Huisman stond bijvoorbeeld tot op hoge leeftijd voor haar deur met een kar dadels. Net als in de hoofdstad hadden de venters een straatroep, soms met een eigen melodie. Helaas zijn er weinig sporen van de meeste bewoners overgebleven: ze hadden niets om achter te laten. Toch ziet ondanks de armoede de Haagse buurt er op foto’s schoner, opgeruimder en zelfs minder armoedig uit dan de Amsterdamse Jodenhoek. En feestelijker: zo is er een opname van een man van middelbare leeftijd die om onduidelijke redenen vrolijk met blote voeten in een kletsnatte straat staat.
Armen en benen
De documentaire is aangevuld met commentaar van historici als Gerben Post en Corien Glaudemans, die de geschiedenis goed kennen. Er komen ooggetuigen aan bod, waarin wordt beschreven hoe in deze buurt tijdens het spreken ‘heftiger met armen en benen wordt gezwaaid’. Maar zoals bekend heeft de geschiedenis geen mooi einde: na de oorlog was er weinig overgebleven van Joods Den Haag. In de documentaire voel je de pijn van doorgegeven trauma, het verdriet om de voorouders.
Het integere, intieme portret is subtiel gemaakt. De verhalen roepen melancholie op naar een verdwenen wereld en blijven je bij. Levendige foto’s van markten, winkels en mensen die er allang niet meer zijn, versterken dat. Het enige minpuntje zijn de incidentele voice-overs van Job Cohen. Hoewel zijn stem warm is en prettig om naar te luisteren, doet zijn toon simpel aan, alsof hij het publiek van het Jeugdjournaal toespreekt. Misschien een inschattingsfoutje van de regie.
–––––––––––––
De verdwenen buurt, 26 januari 2026, 22.45 u, NPO 2. Terugkijken op npostart.nl