Het is eigenlijk pas sinds kort dat we neostijlen weer durven te waarderen. Lang gingen ze gebukt onder minachting van modernistische architectuurliefhebbers, die ze maar kitsch vonden. Maar het is tijd dat we architecten als Isaac Gosschalk rehabiliteren. Niet voor niets werd zijn creatie in Groningen in 2019 uitgeroepen tot het mooiste treinstation van Nederland.
Er zijn van die plekken die zo met een stad zijn verweven dat je bijna zou vergeten wie voor al dat moois verantwoordelijk is. Zo is het Westergasfabriekterrein in Amsterdam sinds de herbestemming en restauratie een geliefde locatie voor bakfietsouders en presentators van nieuwsprogramma’s. In de zomer vinden er spectaculaire concerten plaats en het omringende park wordt bij de eerste zonnestraal van de lente meteen bezet door picknickers en stadse groenhappers. De gebouwen ademen een zekere vriendelijkheid en veiligheid uit, alles binnen de menselijke maat, waardoor je je meteen senang voelt. Ze zijn een beetje sprookjesachtig, terwijl ze oorspronkelijk een hoofdzakelijk industriële bestemming hadden.
De Westergasfabriek bleef tot 1967 in bedrijf. Nu staan de gebouwen op de monumentenlijst. De stijl heet neorenaissance. Je merkt dat de maker echt het uiterste heeft geprobeerd iets moois te maken van een gewoon bedrijfsgebouw. Kitsch? Wellicht. Hoewel die classificatie steeds minder te horen is, want er is wel degelijk sprake van een herwaardering. De Westergasfabriek blijkt een van de geesteskinderen van Isaac Gosschalk. Nog nooit van gehoord? U bent niet de enige. Gosschalk is in de vergetelheid geraakt, zeker als je zijn naam vergelijkt met bijvoorbeeld het wonderkind van de Amsterdamse School, Michel de Klerk. Er zijn maar weinig aanwijzingen die herinneren aan Gosschalks naam en faam: een straatnaambordje op het Westergasfabriekterrein is er een, en in het lezenswaardige boek Gerard Heineken, de man, de stad en het bier van Annejet van der Zijl komen we zijn naam tegen. Maar ongetwijfeld heeft u eens langs een van zijn creaties gelopen.
Niets pedants
Van der Zijl noemt Gosschalk als lid van een groep ‘hemelbestormers’, verenigd in de regelingscommissie van een grote tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt. Die commissie bestond uit vooruitstrevende Amsterdammers die het slapende stadsbestuur wakker wilden schudden. Gerard Heineken, grootvader van de later beroemd geworden Freddy, was een van de leden. Gosschalk ontmoette de progressieve brouwer bij kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae en sloot zich bij de groep aan.
Toen Heineken zijn bedrijf wilde uitbreiden, was het Isaac die werd uitgenodigd een brouwerij aan de Stadhouderskade te ontwerpen. Gosschalk bleek zijn inspiratie toen al te halen uit de bouwkunst van de zestiende en zeventiende eeuw. Dat is duidelijk te zien aan de talloze schetsen die hij maakte van mooie Hollandse panden uit die tijd, zoals het beroemde Bartolottihuis aan de Herengracht in Amsterdam en de Waag in Hoorn. Veel van die schetsen zijn bewaard gebleven en zijn nu in het bezit van het Rijksmuseum.
‘Alle bouwwerken in renaissancestijl hebben iets individueels, iets levenslustigs’
Over die bewondering schreef de architect in 1875 in een artikel in Eigen Haard: “Alle bouwwerken uit dien tijd hebben iets individueels, iets levenslustigs, om het eens zo te noemen. Zij zijn vol plastische versiering: niets schoolsch, niets pedants kleeft ze aan. De bouwmeesters putten motieven uit alle tijden.” Voor de soberder stijl vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw had hij minder waardering. Hij vond dat die vroege Hollandse renaissancestijl ‘allengs plaatsmaakt voor de koude deftigheid, die ons vreemd aanstaart, omdat ze niet inheemsch is, niet met ons volkskarakter strookt’.

Met het brouwerijproject werd in 1867 begonnen, in de jaren daarna breidde Heineken zijn snelgroeiende bedrijf met diverse panden uit en in 1874 waren brouwerij, ketelhuis en belendende panden voltooid. In al die ontwerpen gebruikte Gosschalk vooral baksteen, pleisterwerk vond hij maar niets. Veel liever maakte hij gebruik van mooi metselwerk, waarin de bouwstenen speels de hoofdrol spelen. Lang hebben Gosschalks aaneengeregen gebouwen er overigens niet gestaan. Een paar decennia later moest er al worden uitgebreid, waardoor de meeste panden werden gesloopt en het gebouw verrees dat er nu toeristen ontvangt.
Gosschalk bemoeide zich overigens niet alleen met zijn vakgebied. Hij wilde meer betekenen voor de stad waarin hij geboren en getogen was, en trad daarom in 1875 toe tot de gemeenteraad. In datzelfde jaar werd hij lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst.
Een broertje dood
Isaac werd geboren als Izak, in een huis aan de Nieuwe Herengracht, een voornaam deel van de Amsterdamse Jodenbuurt. Hij was de tweede zoon van de Joodse arts Hijman Hartog Gosschalk en Esther Hijmans. Na opleidingen in Delft, München en Zürich, waar hij zich de nieuwste bouwtechnieken meester maakte, veranderde hij zijn naam in Isaac en vestigde zich definitief in Amsterdam. Daar lag niet zijn eerste opdracht, die lag in het Friese Sneek. Juist vanwege zijn voorliefde voor de zeventiende-eeuwse architectuur werd hem gevraagd de restauratie van de beeldbepalende Waterpoort op zich te nemen.
Al snel volgden er opdrachten in zijn woonplaats. Tot twee keer toe verbouwde hij het bierhuis-bodega Die Port van Cleve, tegenover de Nieuwe Kerk aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Dat pand, in eerste instantie eveneens in bezit van Gerard Heineken, was vermaard door de genummerde biefstukken die er uit de keuken kwamen. Het etablissement was razend populair in kunstkringen, de Tachtigers kwamen er graag. Er verrezen Gosschalkpanden aan de Reguliersgracht, de Vossiusstraat, de Kloveniersburgwal en het Singel. In Den Bosch verbouwde hij de grote sjoel, in Zwolle ontwierp hij de gevel van de synagoge. Voor die stad tekende hij ook een voorname villa, in Hilversum ontwierp hij indrukwekkende panden voor particulieren.
In alle ontwerpen was zijn duidelijke liefde voor renaissancebouwkunst duidelijk te herkennen. Die paste hij eclectisch toe, wat hem op het toppunt van zijn faam de bijnaam ‘de Hendrick de Keyser van de negentiende eeuw’ opleverde. Aan de populaire neogotiek had hij een broertje dood.
Hoewel Gosschalk veel opdrachten voor synagogen en andere Joodse gebouwen ontving, trouwde hij niet binnen de kehille. Veel over zijn privéleven is niet bekend.
Na zijn veertigste werd Gosschalk tot over zijn oren verliefd op een protestantse vrouw
Wat we wel weten, is dat hij als inmiddels gerenommeerd architect na zijn veertigste tot over zijn oren verliefd werd op een protestantse dienstbode, Magdalena Feis. Hij zou in 1880 op 42-jarige leeftijd met haar in het huwelijk treden en zijn verre neef Josef Israëls, de kunstschilder, draafde op als getuige. Magdalena was zeventien jaar jonger. Het echtpaar betrok een van de door hem ontworpen stadsvilla’s tegenover het Rijksmuseum aan de Weteringschans, op nummer 113.
Technische kennis
Terwijl Amsterdam aan het eind van de negentiende eeuw uit zijn winterslaap ontwaakte, onderging de stad verregaande uitbreidingen. De industrialisatie denderde door. Er kwam stadsverlichting op gas, en daarvoor moest gas uit kolen worden geproduceerd. Zo ontstond de enorme Westergasfabriek. Vlak daarna werd aan de andere kant van de stad nog zo’n fabriek gebouwd: de Oostergasfabriek, die al in 1923 sloot. Aan de Oranje-Vrijstaatkade is nog een deel bewaard gebleven. De Joodse gemeenschap verleende hem de opdracht voor het Nederlands-Israëlietisch Ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht.

Dreamstime Dirk Laan
Niet alleen werden de ontwerpen van Gosschalk door een groot publiek gewaardeerd, maar ook beschouwde men hem als een van de invloedrijkste architecten van het land. Niet in de laatste plaats omdat hij in zijn buitenlandse opleidingen vooruitstrevende technische kennis had opgedaan, die hij waar mogelijk in Nederland toepaste. Intussen bekoelde zijn samenwerking met Gerard Heineken. De reden is ongewis, het zou iets te maken kunnen hebben met een muur die in de ijskelder van de brouwerij was omgevallen, wellicht ten gevolge van een fout tijdens de bouw. Hoewel de samenwerking na het ontwerpen van diverse cafés voor de brouwer daarmee ten einde kwam, bleef Gosschalk tot aan zijn dood lovend over Heineken spreken en schrijven.
En er kwamen toch wel grote opdrachten binnen. Zoals die van de Panoramamaatschappij. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren panorama’s een populaire vorm van vermaak, denk aan het Panorama van Mesdag dat in 1880 de deuren had geopend in Den Haag. Amsterdam kon natuurlijk niet achterblijven. Er waren wel kleinere panoramaatjes, maar die hadden geen enkele allure. Er werd een mooie locatie gevonden, een gedempt stuk gracht aan de Plantage Middenlaan. Het werd een aanwinst voor de buurt, een oogstrelend rond gebouw waar de bezoekers in 360 graden een overzicht van de stad konden bewonderen. Een lang leven was het echter niet beschoren; filmbioscopen trokken het publiek weg. Panorama’s werden binnen een luttel aantal jaren als ouderwets gezien. Nog even probeerde men het panoramagebouw om te toveren tot theater. Maar ook dat plan kreeg stevige concurrentie, omdat in 1892 de bouw van de Stadsschouwburg begon. Na jaren van leegstand werd het monumentale Panoramagebouw in 1935 gesloopt.
Gepeperde mening
Isaac Gosschalk was intussen toegetreden tot de Amsterdamse gemeenteraad. Als lid van de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst was hij een progressieve liberaal die zich met onder meer zijn collega Hein Berlage hard maakte voor de leefomstandigheden van de arbeider. Hij pleitte voor de kwaliteit van wijkplannen en architectuur in de snel uitbreidende stad. Vaak tegen de stroom in, want ‘mooi’ betekende vaak duurder. Dankzij zijn bevlogenheid, gecombineerd met welbespraaktheid – Isaac was een begenadigd spreker – kreeg hij het voor elkaar dat esthetiek op de kaart bleef.
In kranten en tijdschriften schreef hij pagina’s vol met zijn gepeperde mening
Een talentvol schrijver was Gosschalk ook. In kranten en tijdschriften schreef hij hele pagina’s vol over maatschappelijke en culturele vraagstukken, met altijd een gepeperde mening. Vrienden maakte hij daar niet mee: in 1887 werd de architect gedwongen zich uit de raad terug te trekken. Daar ging een lange vete aan vooraf, die al jaren daarvoor was begonnen. Kwade tongen spraken van belangenverstrengeling tussen Gosschalks politieke engagement en de opdrachten die hij voor de gasfabrieken van de gemeente had gekregen. Die had hij alleen maar aan zijn positie als raadslid te danken, zo werd gefluisterd. Vier jaar lang hielden de roddels aan, totdat hij uiteindelijk moest vertrekken.
Gosschalk werd in Amsterdam een paria, zijn opdrachtenportefeuille droogde op. Hij kwam in de schaduw te staan van zijn tegenstrever, de rooms-katholieke Pierre Cuypers. De Limburgse sterarchitect was de onbetwiste leider van de neogotiek, die eerder al de opdrachten voor het Rijksmuseum en het Centraal Station van Amsterdam in de wacht had gesleept. Gosschalk was fel tegenstander van de locatie aan het IJ, waar het station moest verrijzen. Hij behoorde tot de factie die vond dat de havenstad zo van het historisch belangrijke water werd gescheiden. Daarom maakte hij een alternatief ontwerp op een andere locatie, bij het Leidseplein. De architect verloor die strijd en Gosschalk werd zo nu en dan alleen nog een kruimel toegeworpen.
Daarbij moet gezegd dat hij zich tegenover Cuypers sportief opstelde. Hoewel Gosschalk de ontwerpen van zijn neogotische rivaal niet altijd kon waarderen, was hij als lid van de beoordelingscommissie voorstander van het ontwerp dat Cuypers tekende voor het Rijksmuseum.
Meesterwerk
Toch liet Isaac het er niet bij zitten. Hij vocht om zijn naam te zuiveren, probeerde te bewijzen dat er bij de aanbesteding van de gasfabrieken geen sprake was geweest van belangenverstrengeling en zowaar, dat lukte. Begin jaren negentig werd hij gerehabiliteerd. Hij was toen al naar Brussel ‘gevlucht’, maar kreeg nog een prestigieuze opdracht: het treinstation in Groningen.
Van het Groningse stadion maakte hij, als een feniks herrezen, een meesterwerk
Hij maakte er – als een feniks herrezen – een meesterwerk van. Eerlijke materialen stonden bovenaan: linnen, latwerk en papier-maché voor het indrukwekkende plafond. Schoonheid creëren met bescheiden materialen, hij was er een meester in, getuige zijn gevleugelde uitspraak: “Mooie schijn is mij liever dan lelijke werkelijkheid.” Een deel van de rode bakstenen kwam uit lokaal gewonnen klei. De trapgevel in het hoofdgebouw was een eerbetoon aan zijn liefde voor de Nederlandse bouw uit de eerste helft van de Gouden Eeuw.
Het station zou zijn laatste grote opdracht worden. Gosschalk was begin vijftig toen hij zich als architect terugtrok. In Brussel veranderde hij van professie, hij werd parlementair journalist en hield zich vooral bezig met de interne Belgische politiek. Daarnaast was hij politiek commentator. In die hoedanigheid zou hij Amsterdam nooit helemaal loslaten, geregeld stonden zijn felle opinies in de kranten. Zo had hij geen goed woord over voor de Beurs van Berlage: die strenge gevel van tweehonderd meter lengte ‘waarin zelfs geen klein verspringinkje was aangebracht’!
‘Op schoone wijze’
Maar nadat hij de architectuurwereld vaarwel had gezegd, vergat het publiek Gosschalk al snel. Enige verbittering maakte zich van hem meester. Bij zijn overlijden in 1907 was het alleen weekblad De Amsterdammer dat een necrologie van hem plaatste. Daarin werd hij ‘een der meest beteekenende figuren uit onze XIXde eeuwsche bouwkunst’ genoemd. Hij liet zijn weduwe Magdalena, de liefde van zijn leven, treurend achter. Op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvliet vond de architect zijn laatste rustplaats.
Isaac Gosschalk was zonder twijfel een van de invloedrijkste architecten in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Hij was de grondlegger van de Nederlandse neorenaissance. Zijn vaak schilderachtige bouwwerken verdienen herwaardering. Gelukkig werd eind twintigste eeuw een start gemaakt met een grondige renovatie van het Groningse treinstation. Dat was hard nodig, want hele delen van het papier-maché plafond kwamen inmiddels naar beneden.
De tegelplateaus die de ontvangsthal sierden, waren van de hand van de Groningse impressionist Herman Bach. Ze werden bij de restauratie vernieuwd of hersteld en teruggeplaatst. Bach was een van de voorlopers van het kunstenaarscollectief De Ploeg en werkte bij de verwezenlijking van Gosschalks geesteskind nauw met hem samen. Hij kon zich helemaal vinden in Gosschalks uitspraak: “Een gebouw heeft stijl als het karakter heeft, als het uitdrukt wat het is, mits het dat doet op schoone wijze.”

Voor de opening van het station hadden de Nederlandse Spoorwegen destijds geen feestelijkheden over, er was geen budget meer. Geruisloos werd het in 1896 in gebruik genomen. Maar in 2019 werd het Groningse station van Isaac Gosschalk uitgeroepen tot het mooiste station van Nederland. En dat had de architect ruimschoots verdiend.
Deze serie is mede mogelijk gemaakt door Maror. Het artikel verscheen eerder in het NIW23 van 28 maart 2025.
