Beoogd premier Rob Jetten presenteerde op vrijdag 30 januari het langverwachte coalitieakkoord met zijn politieke partners Henri Bontenbal en Dilan Yesilgöz. Voor de Joodse gemeenschap springt één punt eruit: antisemitisme wordt erkend als een serieus en structureel probleem in Nederland. Het blijft niet bij algemene verwijzingen naar discriminatie, maar antisemitisme wordt expliciet genoemd op meerdere plekken in het akkoord.
Wie verder leest, ziet een gemengd beeld voor Joods Nederland. Terwijl de aanpak van antisemitisme wordt aangescherpt, kijkt het kabinet kritisch naar Israël en blijft Joods leven in Nederland zelf grotendeels buiten beeld. Het document spreekt uitvoerig over bescherming en handhaving, maar zegt weinig over wat precies beschermd moet worden en waarom. Die spanning loopt als een rode draad door de ruim vijftig pagina’s.
Verankerd
Het komende kabinet kiest nadrukkelijk voor een structurele aanpak. De rol van de nationaal coördinator antisemitismebestrijding (NCAB) wordt wettelijk vastgelegd, net als die van zijn evenknie tegen discriminatie en racisme. Er komt een landelijke antidiscriminatievoorziening met fysieke loketten. Ook wordt het aantal gespecialiseerde rechercheurs vergroot en krijgen netwerken zoals het Joods Politienetwerk een duidelijkere positie. Daarmee zet het kabinet de lijn voort die het demissionaire kabinet-Schoof bij zijn aantreden aankondigde, al bleef de praktische uitwerking daarvan tot nu toe beperkt.
In het betaald voetbal scherpt het kabinet het beleid aan. Clubs moeten aantoonbaar maatregelen treffen tegen racisme en sociale onveiligheid. Meldingen van discriminatie leiden voortaan standaard tot tuchtrechtelijk onderzoek. Tegen antisemitische spreekkoren wordt strenger opgetreden; zelfs het playbacken ervan wordt strafbaar gesteld.
De NCAB Eddo Verdoner spreekt in een reactie van een duidelijke koerswijziging: geen losse projecten of tijdelijke impulsen meer, maar een vaste plek in beleid en wetgeving. Antisemitisme wordt daarmee niet langer benaderd als een reeks incidenten, maar als een hardnekkig maatschappelijk probleem.
Zorgen
Joods Nederland kan die erkenning waarderen, maar tegelijkertijd zijn er zorgen. De vrees bestaat dat de politiek de gemeenschap vooral benadert als risico- of slachtoffergroep. Over het dagelijks leven, over continuïteit en toekomst, zegt het document weinig. Chanan Hertzberger, voorzitter van het Centraal Joods Overleg (CJO), verwoordt die teleurstelling: “Het is goed dat de aankomende coalitie antisemitisme serieus neemt. Maar Joods leven in Nederland heeft meer nodig dan alleen beveiliging.” Scholen, synagogen, culturele instellingen en maatschappelijke initiatieven komen in het akkoord niet voor, terwijl juist deze plekken bepalen of Joods leven in Nederland een toekomst heeft. De afgelopen jaren is de druk voelbaar toegenomen: zichtbare beveiliging is normaal geworden, sociale isolatie ligt op de loer, voor steeds meer Joden voelt de toekomst in Nederland minder vanzelfsprekend.
Dialoog
De drie partijleiders kiezen expliciet voor voortzetting van de dialoog tussen religieuze groepen, onder regie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het kabinet wil initiatieven uit de christelijke, Joodse en islamitische gemeenschap ondersteunen en waar nodig versterken. Tegelijkertijd trekt het akkoord een duidelijke grens: organisaties die integratie ondermijnen, horen niet om de tafel te zitten. Daarmee worden Joodse organisaties erkend als gesprekspartner, en niet alleen als doelgroep van bescherming. Maar ook hier blijft het bij intenties. De komende coalitie zegt niets over de organisatie en financiering van die dialoog. Zonder uitwerking dreigt het bij goede bedoelingen te blijven.
‘Joods Nederland heeft meer nodig dan alleen beveiliging’
Het akkoord bevat wel een noviteit, een nieuw fonds. “Daarom richten we een Gemeenschapsfonds op om voorzieningen zoals buurthuizen, verenigingsgebouwen en dorpswinkels te realiseren en te behouden,” schrijven de coalitiepartners. Het fonds, met een budget van 200 miljoen euro, kan relevant zijn voor Joodse organisaties die draaien op verenigingen en gemeenschapsgebouwen. Tegelijkertijd is het instrument breed en generiek. Het document noemt geen expliciete kwetsbare minderheden of gerichte ondersteuning van Joodse infrastructuur. Kortom: zo’n fonds biedt kansen, maar geen zekerheid over de uitwerking.
Niet voldoende
De spanning tussen beleidstaal en dagelijkse realiteit werd drie dagen later zichtbaar. Op maandag 2 februari presenteerde de Taskforce Antisemitismebestrijding haar rapport. Daarover leest u meer in deze editie op pagina 11. Het rapport beschrijft onder meer hoe het demonstratierecht in de praktijk bijna absoluut is geworden, terwijl het ontbreken van duidelijke grenzen juist leidt tot intimidatie en sociale onveiligheid. Voor het nieuwe kabinet betekent dit dat mooie woorden niet voldoende zijn. Daarmee raakt de bestrijding van antisemitisme ook aan een bredere vraag: in hoeverre de overheid nog in staat is om gezag uit te oefenen.
De coalitiepartners besteden opmerkelijk veel aandacht aan Israël en de Palestijnse gebieden. Zo spreken de partijleiders zich uit voor een tweestatenoplossing en vinden ze dat Hamas geen enkele rol mag spelen in het bestuur van de Palestijnse gebieden. Ook moet er een einde komen aan illegale nederzettingen op de Westoever en aan ‘Israëlisch geweld tegen burgers in Gaza’. De samenwerking met de omstreden VN-hulporganisatie UNRWA wordt onder het komende kabinet hersteld en sancties tegen leden van de regering-Netan-yahu blijven van kracht totdat ‘betekenisvolle stappen’ worden gezet op de weg naar vrede en handhaving van het internationaal recht.
Die hernieuwde samenwerking met UNRWA is een duidelijke koerswijziging, die naar verluidt tot discussie aan de onderhandelingstafel heeft geleid. In de afgelopen kabinetsperiode is de Nederlandse steun aan de organisatie juist afgebouwd, vanwege aanhoudende zorgen over de innige banden van de VN-organisatie met Hamas. Dat het nieuwe akkoord die zorgen niet noemt, maar ervoor kiest de samenwerking te herstellen, is opmerkelijk.
Hulp
Dat vindt ook het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI). Volgens het CIDI is humanitaire hulp aan Palestijnen noodzakelijk, maar roept de focus op UNRWA vragen op, juist omdat er ook andere, minder dubieuze hulporganisaties actief zijn. Door die alternatieven niet expliciet te noemen, kiest de coalitie volgens CIDI voor een politiek beladen instrument, terwijl de effectiviteit en geloofwaardigheid van de hulp centraal zouden moeten staan.
Het nieuwe fonds biedt kansen, maar geen zekerheid over de uitwerking
Tegelijkertijd spreken de coalitiepartners niet over erkenning van een Palestijnse staat op dit moment. CIDI wijst erop dat erkenning daarmee wordt gezien als sluitstuk van onderhandelingen, niet als een eenzijdige politieke stap. Positief noemt de organisatie de expliciete afwijzing van Hamas als bestuurder, maar die helderheid contrasteert met de terugkeer naar UNRWA als centrale uitvoerder van hulp.
Oud-CIDI-directeur Ronny Naftaniel wijst bovendien op een ander punt. Iran komt in het akkoord slechts zijdelings aan bod, en dan nog alleen in relatie tot Israël. Ook al kondigt het kabinet maximale sancties aan tegen de Revolutionaire Garde, Iran blijft een bijzaak. Volgens Naftaniel is dat een gemiste kans. Het Iraanse volk verdient in zijn ogen openlijke inzet tegen het ayatollahregime. Het uitblijven daarvan noemt hij een klap in het gezicht van Iraniërs die al jaren voor vrijheid strijden.
Visie
Kortom: het coalitieakkoord laat voor Joods Nederland een gemengd beeld zien. Dat lijkt het resultaat van fundamenteel verschillende visies in de coalitie, met name bij VVD en D66. Maar, zoals politiek commentator Wouter de Winther in De Telegraaf schrijft: “De drie hebben elkaar zichtbaar wat gegund.”
Het akkoord is nog minder een eindpunt dan bij eerdere coalities. D66, VVD en CDA beschikken samen niet over een meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer, waardoor bredere steun van andere partijen nodig blijft. Of het aankomende minderheidskabinet daadwerkelijk zal bijdragen aan bescherming en groei van Joods leven in Nederland, hangt af van de vervolgstappen. Van keuzes in beleid en in geld, maar ook van de bereidheid van volksvertegenwoordigers en bestuurders om Joods leven te zien als meer dan een veiligheidsvraagstuk: als een vanzelfsprekend onderdeel van een vrije samenleving.