Dossiers

Briljante transgender met een vrome Joodse ziel

Andreas Burnier was een bijzonder en veelzijdig type. Een eenling die sporen heeft nagelaten op uiteenlopende gebieden: literatuur, wetenschap, feminisme, (Joodse) religie. Ze schreef romans, korte verhalen en essays. Ze was de eerste niet-katholieke, homoseksuele en vrouwelijke hoogleraar (vakgebied criminologie) aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Samen met Joke Smit stond ze aan de oorsprong van de tweede feministische golf in Nederland.

Anet Bleich 19 oktober 2020, 10:00
Briljante transgender met een vrome Joodse ziel

Catharina Irma Dessauer (3 juli 1931- 17 september 2002), alias Ronnie Dessaur, alias Andreas Burnier keerde op haar 58e – ontroerd door de manier waarop Avraham Soetendorp de begrafenis van haar vader, Sal Dessauer, had geleid – terug naar het jodendom en werd actief lid van de LJG. Haar biografe, Elisabeth Lockhorn, noemt haar ‘metselaar van de wereld’, omdat ze telkens weer een nieuwe wereldbeschouwing in elkaar timmerde waarin ze zich enigszins thuis en op haar gemak kon voelen. Tegelijk met de biografie verscheen Ruiter in de wolken, een door Dessauers vriendin Daniel van Mourik en Manja Ressler samengestelde bundel essays die Burnier de laatste twaalf jaar van haar leven schreef over met het jodendom verbonden onderwerpen.

Een bijzondere vrouw, zoals gezegd. Hoewel er vraagtekens zijn te zetten bij dat vrouw zijn. Elisabeth Lockhorn beschrijft haar als een transgender avant la lettre. Zelf schrijft Andreas Burnier in haar roman Het jongensuur dat Simone, Andreas Burnier in 1952 de hoofdpersoon en Burniers alter ego, vanaf haar derde jaar wist ‘dat Onze Lieve Heer met haar lichaam een vergissing had begaan’. ‘Je had bij je geboorte vijftig procent kans dat je een jongen werd. Waarom had ik pech?’ vraagt Simone zich af. Het pubermeisje probeert zonder succes te gaan zwemmen op het uur dat voor jongens is gereserveerd. ’s Avonds in bed oefent ze op ‘een reeks magische formules (…) die mij binnen afzienbare tijd aan de ontbrekende geslachtsorganen moesten helpen, en mijn borsten zouden doen terugslinken naar hun natuurlijke vlakke staat. Vaak meende ik de volgende ochtend het begin van een resultaat waar te nemen. (…) Als ik mijn pyjama dan hoopvol uittrok, werd ik steeds diep teleurgesteld.’

Van die weigering om zich terug te laten dringen naar het ‘mindere’ domein dat niet zo lang geleden voor vrouwen en meisjes was gereserveerd, getuigde ook Irma’s gedrag op het eerste adres waar ze moest onderduiken, het gezin van Pieter Cornelius in Eindhoven. Dochter Christine: ‘Mijn moeder was gewend aan knikkerende en touwtjespringende meisjes, maar Andreas wilde liever schaken.’

Andreas Burnier met schrijfsters Doeschka Meijsing (r) en Vonne van der Meer in 1979

Zestien onderduikadressen
De eerste elf jaar van haar leven bracht Irma door in Scheveningen als enig kind van vrijzinnig Joodse ouders. Ze hadden een ruime woning met uitzicht op het Kurhaus. Burnier: ‘In mijn herinnering scheen voor de oorlog haast altijd de zon. Ik herinner mij lange, feestelijke zomers.’ Ze was leergierig, las veel. Pesach werd gevierd bij de grootouders in de mediene en vrijdag stond er kippensoep op tafel. De Duitse bezetting maakte een einde aan de rust – Andreas Burnier zou haar leven lang uit woede ‘duits’ met een kleine letter blijven schrijven.

Via haar schooljuffrouw kon Irma onderduiken bij de familie Cornelius waar ze het goed had. Ook haar ouders overleefden in de onderduik. Maar in december 1942 werd Pieter Cornelius opgepakt wegens het vervalsen van persoonsbewijzen, de elfjarige onderduikster kon vluchten. De tijd tot de bevrijding zou ze onder de schuilnaam Ronnie van Dijk op in totaal zestien onderduikadressen doorbrengen.

‘Het leek mij veruit het aangenaamste, in deze kennelijk door en voor niet-Joodse mannen ingerichte wereld, een onopvallende blonde jongen te zijn’

‘Na die voor een kind oneindig lange periode van drie jaren is de wereld nooit meer geworden zoals zij voor de oorlog was,’ schrijft Burnier in het essay Waar kan men oude namen vinden, wie kent de naam die mij verliet uit 1993. Ze vervolgt: ‘Er was alleen nog maar angst, vernedering, totale verlatenheid. Den Haag, mijn school, mijn familie, mijn ouders, mijn eerste kindertijd: het werd een onwezenlijke droom. De realiteit werd: wonen bij steeds andere vreemden, die je soms, doordat zij een of ander dialect spraken, nauwelijks kon verstaan.’

Haastige vreemden
In hetzelfde essay (in Ruiter in de wolken) weet Burnier helder te verklaren waarom zij na die traumatische ervaringen af wilde van haar Joodse identiteit. ‘Joods zijn betekende immers, zoals ik door de oorlog had geleerd: na een misleidend prettig begin plotseling vervolgd worden; door volwassen mannen met honden en geweren naar het leven worden gestaan; weggerukt worden uit je eigen omgeving. Joods zijn betekende dat je familie en je vriendjes werden vermoord. Joods zijn betekende: afzondering en onmacht en altijd op je hoede moeten zijn. (…) Het leek mij veruit het aangenaamste, in deze kennelijk door en voor niet-Joodse mannen ingerichte wereld, een onopvallende blonde jongen te zijn. Dat kon ik helaas niet realiseren, ook niet na de bevrijding.’

Ook de eerste naoorlogse jaren waren moeilijk en chaotisch. In weinig woorden beschrijft Burnier prachtig de onwerkelijke werkelijkheid waarmee Joodse overlevenden te kampen hadden. Haar ouders waren in haar ogen ‘afwezige, haastige vreemden geworden’, de grootouders rouwden, twee overlevende nichtjes en een neefje woonden, ‘wanhopig’ en ‘jaloers’ tijdelijk bij haar in huis. Allemaal zwegen ze over wat ze hadden doorgemaakt, wat zij ‘verschrikkelijk’ vond, maar veel minder erg dan het gedrag van de docenten op haar middelbare school die geen blijk gaven van enig begrip voor wat er met sommige van hun leerlingen was gebeurd. ‘De meeste leraren leken mij nergens weet van te hebben, behalve van onregelmatige werkwoorden, de kruistochten, en Euclidische axioma’s voor de vlakke meetkunde.’

Emanuel en Ronnie kregen een zoon en een dochter en wisten er geen raad mee: ‘Het leek alsof ze vadertje en moedertje speelden in plaats van dat ze het waren’

In treffende bewoordingen vertelt Burnier ook hoe ze ten slotte, jaren later, in de schoot van het jodendom is teruggekeerd. ‘Je leest af en toe wel eens in de krant van verwilderde oorlogsveteranen die zich ergens in een bos of een oerwoud hebben teruggetrokken en niet weten dat er al lang geleden een wapenstilstand is gesloten met de vijand of dat de voormalige vijand is verslagen. Zo iemand was ik, in zekere zin, tot een jaar of vijf geleden, alleen wist ik zelfs niet dat ik mij ergens voor verborgen hield. Sinds ik dat wel weet, heb ik ook – voor het eerst van mijn volwassen leven – een plek gevonden waar ik niet langer marginaal hoef te zijn, vreemd, anders.’

Briljante studente
Meteen na het eindexamen vertrok Ronnie naar Amsterdam om te studeren. Ze dronk te veel, maakte kennis met enkele van de Vijftigers (Hans Andreus, Hans Lodeizen, Lucebert), had een onenightstand met Remco Campert, bezocht homokroegen, dichtte. In 1953 trouwde ze met de man die ze een paar gedichten had opgestuurd, Emanuel Zeylmans van Emmichoven, uitgever van Castrum Peregrini. Via zijn ouders kwam ze een tijdlang onder invloed van Rudolf Steiners antroposofie.

Emanuel en Ronnie kregen een zoon en een dochter en wisten er geen raad mee. ‘Het leek alsof ze vadertje en moedertje speelden in plaats van dat ze het waren,’ observeerde een studente die weleens bij hen thuis kwam. Ronnie was doodongelukkig: ‘Ik werd krankzinnig van het thuis als huisvrouw opgesloten zitten, de intellectuele ondervoeding, het totale gebrek aan autonomie en mijn eigen onmacht in zaken als huishouding, koken en kinderverzorging.’ In deze moeilijke periode is ongetwijfeld haar feministische overtuiging gerijpt.

Tien jaar na haar huwelijk scheidde ze, ging terug naar haar ouders en gaf de opvoeding van haar kinderen uit handen aan opeenvolgende pleeggezinnen, een zoals Elisabeth Lockhorn terecht signaleert trieste herhaling van zetten (zelf was ze immers ook tegen haar wil in vreemde families terechtgekomen). Ze ging in Leiden rechten en filosofie studeren en raakte bevriend met de hoogleraar en voormalige verzetsheld Willem Nagel, ook bekend als J.B. Charles, auteur van Van het kleine, koude front. Nagel zou de beschermheer worden van deze briljante studente voor wie, net als voor hemzelf, de oorlog nooit was opgehouden. Ze promoveerde bij hem cum laude op een proefschrift over criminologie en werd met zijn steun benoemd als directeur van het Criminologisch Instituut in Nijmegen. Intussen had ze ook haar eerste romans (Een tevreden lach en Jongensuur) gepubliceerd.

Elisabeth Lockhorn Andreas Burnier, Metselaar van de wereld Uitgeverij Atlas/ Contact 543 pgs, €29,99

In Nijmegen ontwikkelde zij zich tot een grande dame van het feminisme en ging ook daar haar eigen weg. Anders dan de meeste Nederlandse strijdsters voor vrouwenrechten moest ze niets hebben van het marxisme als inspiratiebron en maakte ze zich sterk voor een vrouwelijk perspectief op de cultuur. Ze pleitte voor een Vrouwenuniversiteit, een idee dat door anderen werd opgepikt en gerealiseerd in de vorm van vrouwenstudies aan diverse sociale en letterenfaculteiten. De ketterse Burnier werd door haar dogmatischer ‘zusters’ (een term die zij verafschuwde) streng bekritiseerd, maar vond wel aansluiting bij de radicale lesbische groep ‘Paarse september’.

Mystiek
Begin jaren 80 voltrok zich bij Ronnie Dessauer een nieuwe trendbreuk. Tot dan toe hanteerde ze als criminologe een strikt wetenschappelijke aanpak, maar in de essaybundel De droom der rede uit 1982 ontpopt ze zich als criticus van de ‘moderne kerk van de rede’ en aanhanger van oosterse en westerse mystieke stromingen. Ze oogst kritiek met haar pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek naar ‘het verschijnsel reïncarnatie’.

Ook na haar terugkeer naar het jodendom blijft ze gefascineerd door het mystieke in de kabbalistische geschriften. In enkele van haar essays in Ruiter in de wolken getuigt ze van haar geloof in hogere, voor mensen niet zonder meer toegankelijke niveaus van bewustzijn. Wie zou haar dit geloof in een niet verouderd, niet kinderlijk godsbeeld en in een mensenziel die ook vóór de geboorte en na de dood bestaat en slechts tijdelijk in een menselijk lichaam zit opgesloten willen misgunnen? Al is de redenering dat het menselijk bewustzijn te beperkt is om dit alles te bevatten, maar er via meditatie wél toe kan doordringen niet logisch.

Andreas Burnier Ruiter in de wolken, Joodse essays 1990- 2002 Uitgeverij Augustus 472 pgs, € 34,99

Ronnie Dessaur/Andreas Burnier is een geweldige schrijver en een eigenwijze, dwarse, controversiële figuur. Elisabeth Lockhorn heeft een spannende, mooie biografie over haar geschreven, die af en toe iets kritischer had mogen zijn, ten aanzien van Burniers mystieke neigingen en haar wel erg scherpe en versimpelde veroordeling van legale euthanasie als ‘moord op bejaarden en gehandicapten’. Ook vind ik Metselaar van de wereld een minder pakkende titel dan Een leven in flarden, zoals Burnier zelf haar onvoltooid gebleven autobiografie had willen noemen. Dat leven boeit nog steeds.

Dit artikel verscheen eerder in NIW 11, 5776.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *