Dossiers

Grandeur aan het Leidseplein

In Het leven ruist voorbij schetst Ivo Weyel een sfeervol portret van zijn familie, de oprichters van het legendarische modehuis Hirsch & Cie.

Achsa Vissel 15 maart 2021, 10:00
Grandeur aan het Leidseplein

Dit artikel verscheen eerder in NIW 05, 5779/ 2018. Credit foto hierboven: Atelier Jacob Markelbach – Stadsarchief Amsterdam.

Bijna was modehuis Hirsch & Cie (kortweg Hirsch), gevestigd in het grandioze paleis aan het Leidseplein in Amsterdam, in Franse handen gevallen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wisten de Franse autoriteiten de eigenaren, het Joodse ondernemersduo Sylvain Kahn en Sally Berg van hun bezit te ontdoen, waaronder het beroemde parfummerk Parfums d’Orsay. Kahn was van Fransman genaturaliseerd tot Nederlander, Berg had op dat moment de in Frankrijk gehate Duitse nationaliteit. In Frankrijk lukte het onteigenen, hier niet: het bezit van de mannen, dat uit veel verschillende ondernemingen bestond, bleef intact. 

Wanneer auteur Ivo Weyel, achterkleinzoon van Sylvain Kahn, de huidige pr-dame van Parfums d’Orsay vraagt of ze wel weet dat de bekende dandy Alfred d’Orsay helemaal niet de ‘neus’ was achter de parfums, zoals wordt aangenomen, wordt de verbinding direct verbroken. Dat verzonnen verhaal was namelijk een marketingstunt geweest van Berg, die zelf verantwoordelijk was voor de geuren van het huis. Het telefoongesprek wekt de indruk dat mevrouw wel degelijk op de hoogte is, maar het goed bewaarde geheim voor Weyel afschermt. Het toont aan hoe ver de invloed reikte, en nog steeds reikt, van Berg en zijn compagnon Kahn, samen het brein achter modehuis Hirsch. 

Het luxueuze interieur van Hirsch. Foto: Atelier Jacob Markelbach – Stadsarchief Amsterdam

Mata Hari
Nadat de Franse ondernemingen in beslag waren genomen stapte Sally Berg op de trein en keerde terug naar Nederland. Teleurgesteld maar vastberaden bouwde hij met zijn partner verder aan hun imperium, dat ze in 1882 waren begonnen. Na hun ontmoeting als jonge mannen in dienst van het Brusselse modehuis van Leo Hirsch slaagden ze erin een Nederlandse afdeling te beginnen. In een tijd waarin alles langzaam ging klommen de heren razendsnel naar de top. Verbaasd over het gebrek aan stijl van de Nederlandse dames wisten ze hier een revolutie te ontketenen met hun chique ensembles. De zaak floreerde, de clientèle was welgesteld, invloedrijk en vaak beroemd: echtgenotes van welvarende zakenlieden, actrices, leden van het Nederlandse koningshuis, de Britse prinses Margaret en zelfs de Friese spionne Margaretha Geertruida Zelle, alias Mata Hari. De jas van Hirsch waarin schilder Isaac Israëls haar vereeuwigde schijnt ze zelfs gedragen te hebben toen ze werd gefusilleerd – ze droeg hem in ieder geval op de laatste foto van haar, in een gevangeniscel kort voor haar dood. Als eersten wisten Kahn en Berg haute couture op de Nederlandse kaart te zetten, als eersten organiseerden ze een modeshow. Verbijsterd keken de bezoekers naar de aantrekkelijke Franse mannequins, die een voor Nederlandse begrippen ongekende elegantie tentoonspreidden. Toen daags na de show verschillende mannen probeerden te ontdekken waar de ‘deerntjes’ verbleven vingen ze bot: Ivo Weyels overgrootmoeder Julie schermde ze streng af van ongewenste aandacht.

Isaac Israëls, Mata Hari (Margaretha Geertruida Zelle, 1876–1917) in een jas van Hirsch. Foto: Kröller-Müllermuseum

Deur dicht, deur open
Het zijn een paar van de zestig schetsen, eerder verschenen in Het Parool, waarmee Weyel in Het leven ruist voorbij zijn historische erfenis in beeld brengt. De verhalen zijn doortrokken van melancholie, begrijpelijke trots en informatie die we zonder Weyel niet te weten zouden komen, zoals over het privéleven van Sally Berg. Volkomen openbaar leefde hij in het begin van de vorige eeuw als echtpaar samen met een veel jongere vriend, na zijn overlijden zelfs zijn erfgenaam. De familie maakte er geen woord aan vuil en omarmde het stel. Bergs houding hierin weerspiegelt het lef waarmee hij en Kahn hun ondernemerslust uitleefden. Zo openden zij hun modehuis aan het Leidseplein, ver van de Nieuwendijk die in hun startperiode het gangbare winkelgebied van Amsterdam was. 

Kahn en Berg werkten niet alleen samen, maar woonden ook gebroederlijk naast elkaar in de P.C. Hooftstraat. Kahn woonde met zijn vrouw Julie, Bergs zus, in het huis naast Berg. De tussendeur stond altijd open, tot die tijdens de Eerste Wereldoorlog tijdelijk op slot ging vanwege een botsing tussen de Franse Kahn en de Duitse Berg. Voor de deur weer in fases werd geopend (eerst van het slot, toen op een kier, uiteindelijk weer wijd open) sprak Julie haar geliefde broer in het geheim. Later verhuisde het echtpaar met hun kinderen, onder wie Weyels grootvader René, naar Heemstede. Sally liet een huis bouwen op loopafstand van zijn zus en compagnon. 

Prinses Margaret aan het winkelen in Hirsch in de jaren 60, rechts René Kahn. Foto: © Ivo Weyel

Gebouw in de hoofdrol
Naast Kahn en Berg zelf vervult het Hirschgebouw een hoofdrol in het boek. Het bouwen van het modepaleis, tegenwoordig de eerste Nederlandse Apple Store, was nog zo’n gedurfd project van de twee avontuurlijke ondernemers. Ze moesten er een onverstoorbaar dameshandwerkclubje voor uitkopen, dat ondanks een wat suffig imago zo slim was om pas te verhuizen naar een paar panden verderop toen de prijs ver genoeg gestegen was. Het verklaart de vreemde hoek waarin het gebouw gevormd is, want helemaal vertrekken wilden de bordurende dames niet. Ondanks een traumatische ervaring op het balkon, waar de familie regelmatig de jaarlijkse intocht van Sinterklaas volgde, blijft Ivo Weyels verlangen naar het gebouw voelbaar. En als lezer voel je met hem mee.

De invloed van Hirsch & Cie, dat in 1976 zijn deuren sloot, ademt door in recentere tijden. Hugo Claus schreef er bijvoorbeeld over in Het jaar van de kreeft (1975), als zijn Toni (pseudoniem van Claus’ geliefde Kitty Courbois) met tegenzin een jurk van het huis accepteert: te chic. Ook in Weyels eigen leven speelt het verleden door. Zo gaf modeontwerper Max Heymans, die vanwege zijn lastige gedrag gedwongen werd Hirsch te verlaten, hem daar twintig jaar later nog een sneer over. En dan is er nog een parelsnoer, een erfstuk dat tot op de dag van vandaag alleen bij belangrijke familiemomenten uit de kluis wordt gehaald en dan bij de moeder van de bruid, bruidegom of bar mitswa om de hals hangt.

Sylvain Kahn. Foto: Atelier Jacob Merkelbach – © Ivo Weyel

Al met al is Het leven ruist voorbij een heerlijk boek, dat doet verlangen naar vroeger tijden. Alles zit erin: spanning, romantiek, seks, geluk, verdriet, oorlog en vrede. ‘De’ oorlog, die uitgebreid aan bod kwam in Weyels debuut Oorlogszoon, komt slechts zijdelings aan bod, in het stil benoemen van grote persoonlijke verliezen. Weyel heeft absoluut de gave van het woord. Zelfs met een verhaal over een handdoek – na bijna een halve eeuw nog in perfecte staat – weet hij de aandacht vast te houden. Ook valt er inspiratie uit de verhalen te putten: de veerkracht waarmee de mannen na de onteigening van het Franse bezit in Nederland onverstoorbaar verdergaan is bewonderenswaardig. Als bij Sylvain Kahns overlijden de lichten op het Leidseplein als eerbetoon verduisterd worden krijg je als lezer een brok in de keel. Vanwege de lastig te volgen familieverbanden zou een stamboom een welkome toevoeging zijn, verder is het louter genieten. In de eerste plaats is het een bijzonder persoonlijk document, tegelijk een tastbaar stukje flamboyante Joods-Nederlandse geschiedenis. Het verleden mag dan voorbij ruisen, in dit boek wordt het overtuigend tot leven gewekt.

Ivo Weyel, Het leven ruist voorbij, Uitgeverij Atlas Contact, €22,99, atlascontact.nl

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *