Geen categorie

‘Ik weiger slachtoffer te zijn’

Hanneke Gelderblom-Lankhout overleefde de oorlog in de onderduik. Ze heeft daar levendige herinneringen aan, ook aan de periode daarna: “Mijn moeder zei tegen de conservator van het Rijksmuseum: ‘Die kast is van mij.’”

Esther Voet 20 juli 2020, 10:00
‘Ik weiger slachtoffer te zijn’

Dit jaar, 75 jaar na de bevrijding, publiceert het NIW met dank aan Maror een serie van acht getuigenissen van Joden die vertellen hoe het hen verging in die eerste jaren na de Shoa. Hoe was de ontvangst toen ze terugkwamen uit het kamp, de onderduik of na de vlucht? Deze week deel 2: Hanneke Gelderblom zag na jaren onderduiken haar moeder terug.

‘Ik was zes toen ik de onderduik inging en behoor tot de kleine groep kinderen die meteen wist wat er aan de hand was.’ Aan het woord is Hanneke Gelderblom (1936), geboren Lankhout. Hanneke komt uit Den Haag en wordt geboren in een gezin in de hogere middenklasse. Haar vader heeft een drukkerij. Haar ouders zijn begin 1937 nog te gast op het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard. Maar in 1942 is het echt niet meer veilig. Hanneke moet als zesjarige ‘uit logeren’; zonder haar ouders, zonder haar broertje Paul. De verzetsstrijdster Ru Paré, van wie Hanneke niet beter weet dan dat ze ‘tante Zus’ heet, brengt haar onder bij een gezin in Ter Apel. Ineens duikt in dat dorp dus een kindje met zwarte krulletjes op. Hanneke kan al lezen en ze leest de kinderen in het dorp voor uit haar sprookjesboek van de gebroeders Grimm. “Dat kan ik me nog steeds van mijn eerste onderduikadres herinneren. Ik was natuurlijk niet veilig meer en er moest snel een nieuw adres worden gevonden. Ik heb in totaal op twaalf adressen gezeten, en iedere keer moest ik een nieuw verhaal instuderen en het oude vergeten. Dat heb ik ook gedaan, letterlijk: ik kan me van al die verhalen en adressen bijna niets meer herinneren. Behalve dan van het eerste en het laatste.”

Eerste communie
In het voorjaar van 1944 komt Hanneke in het Noord-Brabantse Eerde terecht. Bij tante Joske Jansen-van Dam, die na een miskraam opnieuw zwanger is. Tante Joske is getrouwd met oom Jan, die in het verzet zit. Een vriend, pater Verhoeven, klopt bij het echtpaar aan: “Als jij dit meisje opneemt, zal ik ervoor bidden dat dit kindje blijft leven,” vertelt hij tante Joske. Hanneke: “Pater Verhoeven wist dus ook wie, en vooral wat ik was.” Ru Paré brengt Hanneke naar de familie. De zwarte krullen van het meisje hoeven, anders dan voorgaande keren, niet te worden gebleekt, want er is een nieuw verhaal: Hanneke? Die komt uit Soerabaja. Haar ouders zijn omgekomen bij het bombardement van Rotterdam. “In Eerde mocht ik weer naar school. Om niet op te vallen, ben ik er zelfs gedoopt en heb ik, na een spoedcursus catechismus, mijn communie gedaan. Een van de vragen is: ‘Wie moeten wij beminnen?’ Het antwoord luidt: ‘Wij moeten iedereen beminnen.’ Ik zei erachteraan: ‘Behalve de moffen.’

“Op school kreeg ik een vriendinnetje, Joes, die me al snel een van haar twee poppen gaf. Ik had niets meer. Mijn sprookjesboek was ik op een van de andere onderduikadressen kwijtgeraakt. Kun je ’t je voorstellen? Een pop cadeau krijgen!”

Alleen Ru ‘tante Zus’ Paré weet waar Hannekes moeder zit. In de zomer van 1944 mag Hanneke een brief aan haar moeder schrijven. Tante Zus knipt voor de veiligheid de plaats en datum van de brief af. Maar Hanneke schrijft wel onderaan de brief de typisch Brabantse groet ‘Houdoe!’ Dat woord blijft staan. Eerde ligt midden in het gebied van Operatie Market Garden. “Op zondag 17 september 1944 landden de parachutisten in Eerde om de brug over de Zuid-Willemsvaart in Veghel te verdedigen. Bij die slag zijn honderden mensen gesneuveld. De weg van Veghel naar Eindhoven heet officieel de Corridor, maar de bewoners noemen hem Hell’s highway, een veel betere benaming.” Hanneke en haar onderduikgezin overleven de slag om Arnhem, schietgebedjes prevelend in de kelder van familie van tante Joske.

Hannekes moeder heeft dat ‘houdoe’ goed onthouden. Zodra Zuid-Nederland bevrijd is, stapt ze op de fiets en rijdt ze het hele gebied af: ‘Zit hier een Hanneke op school?’ ‘Kent u een Hanneke?’ Uiteindelijk antwoordt een pastoor in Veghel: ‘Ik geloof dat daar een Hanneke woont.’ Hanneke: “Het is een maandag. Ik speel op het erf en zie uit mijn ooghoek een vrouw op een fiets aankomen. Ze gooit de fiets neer en roept: ‘Hanneke!’ Ik wist meteen: mammie!”

Hanneke en haar broertje Paul in Veghel vlak na hun hereniging

Terug naar Den Haag
Moeder, dochter en broertje Paul wonen daarna nog maanden in Veghel totdat het veilig genoeg is terug te keren naar Den Haag. “Mijn broertje Paul zat ondergedoken in Grubbenvorst in Limburg. Paul, in 1940 geboren, kon zich niets van zijn moeder en mij herinneren. Ineens stonden we als wildvreemden bij hem op de boerderij waar hij ondergedoken zat. Hij vond het maar niets; moest ineens met die vrouw en dat meisje mee, weg van de boerderij, weg van de koeien, weg van de kippen.”

Terug in Den Haag kunnen moeder en kinderen inwonen bij oudoom Alfred Loeb, die Westerbork en Theresienstadt overleefde. Als lid van de Raad voor Rechtsherstel heeft hij zijn huis in het Haagse Statenkwartier snel teruggekregen. “Over mijn vader was niets bekend. Aan het begin van de oorlog hebben ze ook mijn vader nog voor de Joodse Raad gevraagd. Dat heeft hij geweigerd.” Onderduiken wil Hannekes vader ook niet. Dan zou hij alleen maar andere mensen in gevaar brengen. Daarom probeert hij in 1942 via Frankrijk naar Engeland te komen. “Via het Franse verzet heeft mijn moeder na de oorlog nog een brief van hem uit Parijs ontvangen. Daarin stond al dat zijn vluchtlijn waarschijnlijk kapot was.” Maar Hanneke hoort daar in de eerste tijd na de oorlog helemaal niets over. Ze blijft hopen op de terugkeer van haar vader. Over de oorlog wordt niet gesproken, ook niet met anderen. De Haagse bevolking heeft het immers zo zwaar gehad tijdens de hongerwinter. “Mijn moeder kreeg het advies te zwijgen, dat was zelfs medisch advies. ‘Daar heb je niets aan,’ werd haar verteld. ‘Wij gaan aan het werk om Nederland weer op te bouwen.’ Alleen mensen die er echt niet over konden zwijgen of het niet konden verwerken, gingen naar psychiater Bastiaanse, waar ze werden behandeld met lsd. Kortom, iedereen deed er het zwijgen toe.”

Hanneke mag wel weer naar school. Ze komt terecht bij meester Hippe. Ze doet erg haar best want ze wil, ondanks de jaren zonder onderwijs, naar de middelbare school. Tijdens een rekentest maakt zij braaf haar sommen. Wie de meeste pagina’s heeft ingevuld, mag zijn schrift inleveren. Hanneke loopt trots naar meester Hippe. De sommen zijn allemaal fout. Terwijl hij de pagina’s uit haar schrift scheurt, zegt hij: “Stomme Hanneke, je hebt niet goed je best gedaan.” Hanneke: “Ik heb een gierende huilbui gekregen en mijn moeder is naar meester Hippe gegaan. ‘Weet u wat dit kind heeft meegemaakt?’ wierp ze hem toe. Hij bleek geen idee te hebben. Toen heeft hij mij onder zijn hoede genomen en klaargestoomd voor het toelatingsexamen.”

Hannekes moeder probeert intussen haar oude huis in de Haagse Citroenstraat terug te krijgen. Zonder succes. Daar zitten nu huurders met huurbescherming in. En de familie is toch vrijwillig vertrokken? Over de meubels die in het huis stonden, wordt al helemaal niet gesproken. “Mijn vader had een levensverzekering. Moeder rekende erop dat ze met die polis geld zou kunnen krijgen waarmee we een ander huis zouden kunnen kopen, maar ze kreeg overal nul op het rekest. Pas in de jaren negentig, vele jaren later, zijn mijn broer en ik dankzij de Maroronderhandelingen gedeeltelijk gecompenseerd voor dat nooit uitbetaalde bedrag.”

Kleine wondertjes
Op een dag komt Hanneke, inmiddels tien jaar oud, thuis uit school. Ondanks de enorme schaarste staan er taartjes op tafel. Taartjes! Wat is er aan de hand? Iemand heeft kort na de bevrijding gevraagd of iemand van de familie Lankhout is teruggekeerd in Den Haag. Het antwoord is ‘ja’. De man neemt contact op met Hannekes moeder. Het blijkt de wasman. Hij heeft de laatste was voordat het gezin in 1942 moest onderduiken, al die jaren op zolder bewaard. “Ineens hadden we weer lakens. En een tafellaken. En die taartjes, ja, die herinner ik me nog steeds.”

Zo gebeuren er meer kleine wondertjes. Moeder wordt door een kennis getipt: ‘Ga eens kijken in het Rijksmuseum, ik zie daar een kast staan die volgens mij van jullie is.’ “Dus mijn moeder en ik op een goede dag naar Amsterdam. Ik moet per se mee, want mijn moeder wil dat ik dat verhaal ken. En ja hoor, daar in het Rijksmuseum staat onze kussenkast. Hoe die daar terecht is gekomen? Geen flauw idee. Maar mijn moeder is meteen bij de les: ‘Ik wil de conservator spreken.’” Zij wijst de man erop dat hij in het bezit is van geroofd Joods erfgoed. Hoe zij dat weet? Moeder: “Heeft u een sleutel van die kast? Ja? Mooi. Doe vooral de deuren niet open. Maar ik kan u vertellen dat rechts onder de plank een gat zit, er ooit in geknaagd door een muis die daar een nest wilde bouwen.” De conservator opent na dit verhaal de deuren en ja hoor, daar is duidelijk het gat te zien. Hanneke: “Die kast hebben we teruggekregen.”

Ook een deel van het Chinese porseleinen servies kreeg de familie terug. Een ander deel zou op de antiekbeurs in Delft worden aangeboden. “Opnieuw mijn moeder erop af, met mij aan de hand. Als het haar servies zou zijn, zou er iets ontbreken aan de koffiepot, namelijk het dopje dat al voor de onderduik van het dekseltje is afgebroken. En ja hoor. De antiquair gebruikt een smoes dat het dopje bij hem thuis ligt en dat dat nog zorgvuldig moet worden gelijmd. ‘Goh, wat uitzonderlijk,’ antwoordt mijn moeder: ‘Want kijk eens, ik heb dat dopje hier in mijn hand.’ Het dopje past perfect.” Moeder sommeert het servies meteen in te pakken en dat gebeurt. Hanneke: “Het staat nu bij ons in de kast. Nee, we hebben het dopje er nooit op gelijmd, dat ligt te pronken naast de koffiepot.”

Het koffieservies werd teruggevonden op een antiekbeurs in Delft

Sterke vrouw
“Ik hield ontzettend van mijn moeder. ze was een heel sterke vrouw. Na de oorlog kreeg ze van een vriend van vader, een chique Britse lord, een huwelijksaanzoek. Maar ja zeggen had betekend dat Paul en ik naar kostschool zouden zijn gestuurd. Nou, ammenooitniet dus. Ze heeft daarna een verhouding gehad met de man die in de oorlog de drukkerij van mijn vader heeft overgenomen en haar zo jarenlang heeft gemanipuleerd. Het is haar niet in dank afgenomen en dat heeft haar veel vrienden gekost.” Vijf jaar voor haar overlijden is ze toch met hem getrouwd. Een trouwe vriend van de familie is de huisarts. Die adviseert het gezin niet naar oorlogsfilms te kijken. “Jullie weten het wel,” zegt hij. “Die films zijn voor de anderen.” De raad wordt opgevolgd. Nooit zal het gezin een oorlogsfilm kijken.

Het is 1965. Hanneke is inmiddels getrouwd met Hans Gelderblom. Zij kopen het huis van Hannekes moeder. Achter een afschot op zolder staat een grote doos. “Gooi die oude zooi maar weg,” is het advies van moeder. Hans denkt daar anders over. In de doos vinden ze de levensverzekeringpolis van vader. En zijn laatste brief, met poststempel Parijs. “We zijn er pas jaren na de oorlog dankzij het Franse verzet achter gekomen dat hij tot Bordeaux is gekomen. Daar is hij opgepakt. Via Drancy is hij naar Auschwitz afgevoerd. Onderweg is hij tijdens een ontsnappingspoging doodgeschoten.” Het Rode Kruis heeft vrijwel niets gedaan. “Ik heb met mijn moeder bijna nooit over de oorlog gesproken. Als ik iets wilde weten, ging ik naar tante Zus, of naar tante Joske. De enige keer dat ik om de oorlog moest huilen, antwoordde mijn moeder: “Jij bent vrij, de oorlog is voorbij.”

Hanneke Gelderblom-Lankhout met haar echtgenoot Hans

Hanneke wordt na haar studie bouwkunde en haar huwelijk met architect Hans in 1970 gemeenteraadslid voor D66 in Den Haag. Ze ziet niks in een Tweede Kamerzetel, maar wordt wel in 1986 verkozen tot lid van de Eerste Kamer, waarin ze tot 1999 zitting heeft.

Optimistisch
Een enkele keer praat ze, alleen op uitdrukkelijk verzoek, op scholen over haar oorlogservaringen. Zoals die ene keer op een Haagse middelbare school. Ze was gewaarschuwd dat daar een Syrische vluchteling zat, die weigerde te praten over wat hij had meegemaakt. “Ik vertelde dat ik nog altijd een naar gevoel krijg als ik laag overvliegende vliegtuigen hoor. Ineens begon de jongen te huilen.

‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Ja, u durft erover te vertellen, ik durf dat nooit.’” Hanneke antwoordde: “Je bent hier vrij. Jij bent een overlevende, geen slachtoffer.” “U bent de eerste die begrijpt hoe ik verder moet,” antwoordde hij. Hanneke: “Ik heb het overleefd, heb daarna hard gewerkt en ben altijd optimistisch gebleven. Dat heb ik van mijn moeder meegekregen. En ik weiger slachtoffer te zijn. Wel hoor ik allerlei mensen over oorlogservaringen praten, bijvoorbeeld over een oom die ook onderduikers had. Want ja, die echte overlevenden zijn er toch bijna niet meer, zegt men dan. Dan word ik kribbig, het voelt alsof ik alsnog dood word verklaard. Ik ben er nog en ik ben niet seniel.”

Zowel broer Paul als Hanneke hebben, in tegenstelling tot andere onderduikkinderen, van hun moeder altijd contact met de onderduikouders mogen houden. Hanneke ziet dat als een groot geschenk. Het trauma weggerukt te worden bij mensen aan wie je gehecht was, werd daarmee verminderd. Hanneke: “Het contact met tante Zus en tante Joske en met de rest van de familie in Eerde is altijd gebleven. De nazaten van tante Joske zie ik nog steeds.”

Er is een foto van het huwelijk van Hans en Hanneke. Wie Hannekes getuige was? Tante Joske.

Tante Joske (links) en Ru Paré (rechts) op de bruiloft van Hanneke en Hans in 1960

Naar verzetsstrijdster en kunstenares Ru Paré, Hannekes tante Zus, is een straat vernoemd in Den Haag en een school – nu een buurtcentrum – in Amsterdam-Osdorp. In 1968 kreeg Ru Paré van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de volkeren.

Foto’s: Claudia Kamergorodski

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *