Wij hebben een kennis die getrouwd is met Reina, een Iraanse vrouw. Eergisteren kwamen ze bij ons eten. Reina is een gepensioneerde internist. Zij begrijpt niets meer van de Nederlandse media. “Maar misschien ligt dat aan mij,” zei ze. “Ik begrijp ook niets van de wereld.”
Ze vertelde dat, toen ze net in Nederland was, iedereen dacht dat ze Joods was. Er waren geen collega’s die haar discrimineerden, maar wel patiënten. Althans, ze hoorde heel vaak: “Bent u Joods?” “Nee, Iraans.” “O, mooi zo.”
Ze zei: “Ik leer dat ‘mooi zo’ van alles kon betekenen. Het hoeft niet negatief te zijn. Maar soms … ja, mensen discrimineren; ze kunnen niet zonder. Ik denk weleens: goed is het niet, maar als mensen niet discrimineren, worden ze zo onzeker dat ze nog gevaarlijker worden dan ze al zijn.”
Ze merkte dat ze problemen kreeg met sommige patiënten die niet door haar geholpen wilden worden. “Maar ik ben Iraans,” zei ze dan. Maar die patiënten wilden niet geholpen worden door een vrouw …
Tegendeel
Vorig jaar ging ze met pensioen. Nieuwe collega’s, maar ook Gaza: “En opeens veranderde de wereld.” Collega’s vroegen haar: “Wat denk jij? Pleegt Israël genocide of niet?” Ze dacht dat haar collega’s de beschuldiging van genocide belachelijk zouden vinden, maar het tegendeel was het geval. “Nee, geen genocide,” zei ze. Dat viel niet goed.
Ze vertelde haar collega’s over de toestand in Iran, over de steun die de ayatollahs gaven aan Hamas en Hezbollah, over de massamoorden, over de plannen die de Republikeinse Garde had met nucleaire wapens. Nooit, nooit had ze zich gekeerd tegen Israël of tegen Joden. Waar kwam dit vandaan? Ze snapte er niets van. “Ik kwam erachter dat ik na dertig jaar in Nederland de Nederlanders eigenlijk niet goed kende. Toen Amerika met precisiebommen de nucleaire installaties van Iran aanviel, was ik blij, maar iedereen was kwaad.”
Toen kwamen de opstanden in Teheran en andere grote steden. Het zou gaan om de hoge inflatie, maar zij wist beter. En ze zag er in het begin niets van in de pers. Ze hoorde er ook niets over op de radio. “Waarom is dat?” vroeg ze aan Paul. “Iran is niet populair.”
Vlaggen
Toen vroeg ze het aan mij. “De invloedrijke pers in Nederland vindt het moeilijk partij te kiezen, omdat het nogal ambigu is. Als de ayatollahs weggaan door volksopstanden, vindt men dat geweldig. Maar als dat gebeurt met behulp van Trump, dan wordt het al ingewikkelder. Men vindt Trump een fascist en als hij Iran helpt, dan kan en wil de pers niet al te enthousiast zijn. Bewonderen ze de opstand, dan bewonderen ze Trump ook. Dan bewonderen ze een fascist. Daarom verschijnen er ook zoveel anti-Israëlstukken. Israël is voor Trump, dus is men tegen Israël. En omgekeerd. En tegen Israël zijn ontwikkelt de mogelijkheid om allerlei antisemitische gevoelens te uiten onder verschillende vlaggen: rechtvaardigheid, modern fascisme, kolonisatie, et cetera.”
“Meen je dit?” vroeg Reina.
Ik knikte. “En dit is in andere landen ook zo. Kijk maar naar Engeland. Men voelt zich gesterkt tegen Joden te zijn. Men weet dat het gebruik van de term ‘genocide’ kwetst, dus beschuldigt men Israël van genocide. Erger kan niet. Dan heb je alle beledigingen ineen. Maar je weet: een scheldwoord dat niet waar is, verliest zijn betekenis. En het is geen genocide. Echte genocide werd de Joden aangedaan.”