11-14 mei 1948 – Onafhankelijkheid
Israël 75

11-14 mei 1948 – Onafhankelijkheid

Aan het uitroepen van de staat Israël ging een afschuwelijk bloedbad vooraf. Het herinnerde de jisjoev eraan dat het alles of niets was: overwinning of het einde van een eeuwenoude droom.

Bart Schut 03 april 2024, 13:00
11-14 mei 1948 – Onafhankelijkheid
David Ben-Goerion leest in het Tel Aviv Museum de onafhankelijkheidsverklaring voor, 14 mei 1948

De Israëlische onafhankelijkheidsoorlog wordt meestal gepresenteerd als een strijd tegen een buitenlandse invasie op het moment dat de jisjoev haar vrijheid proclameerde. In grote lijnen klopt dat, maar vaak wordt vergeten dat die invasie al voor de onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei begon. Duizenden vrijwilligers uit Irak, Syrië, Libanon, Jordanië en Egypte maakten het Britse Mandaatgebied onveilig sinds de VN op 29 november 1947 Resolutie 181 had aangenomen. Daarbij blonken die vrijwilligers meer uit in het terroriseren van de lokale bevolking dan in successen tegen de Hagana. Daarnaast waren er twee aanvallen vanuit Egypte en Jordanië op Joodse nederzettingen vóór de grote invasie op 14 mei 1948.

De eerste was een vrijwilligerseenheid van Moslimbroeders, maar wel een die werd geleid door officieren van het reguliere Egyptische leger. Ondersteund door artillerie van datzelfde leger viel de eenheid op 11 mei de kibboets Kfar Darom in de Gazastrook aan. Het handjevol Joodse verdedigers verblikte of verbloosde niet en verjoeg de vijandelijke overmacht, die in paniek en met zware verliezen op de vlucht sloeg. 

Een heel ander verhaal was Kfar Etsion. Dat was een van vier nederzettingen in het Etsionblok, gelegen aan de strategisch belangrijke Highway 60, halverwege tussen de uitsluitend door Arabieren bewoonde steden Bethlehem en Hebron. Het blok lag al maanden effectief onder belegering en de leiding van de jisjoev had er verstandig aan gedaan het te ontruimen, maar wilde geen enkele kibboets opgeven, hoe onverdedigbaar die ook leek. De verdedigers van het Etsionblok hadden tot begin mei de duizenden ongeorganiseerde Palestijnse militieleden met relatief gemak op afstand gehouden, maar aan de vooravond van de onafhankelijkheidsverklaring betrad een heel ander soort eenheid het strijdperk: het Jordaanse Legioen. 

Ongewapend

Deze strijdmacht was alles wat de milities van Arabische vrijwilligers in het mandaatgebied niet waren: goed georganiseerd, gedisciplineerd en uitstekend bewapend. Eigenlijk was het Legioen een verlengstuk van het Britse leger, dat had het getraind en Britse officieren leidden het. Op 12 mei namen de Jordaniërs het bevel over de aanval op Kfar Etsion over van de Palestijnse milities. Met artillerie, pantserwagens en machinegeweren werden de ongeveer 150 verdedigers van de nederzetting onder de voet gelopen. Een dag later gaf een honderdtal overlevende Haganastrijders en kibboetsbewoners zich over aan het Legioen. 

In Ben-Goerions ogen was het nu of nooit

Onder de ogen van de legioensoldaten openden de massaal toegestroomde Palestijnen het vuur op de hulpeloze verdedigers, die ongewapend en met de handen boven het hoofd bij elkaar stonden. Op een paar na werden alle Joden vermoord. Het bloedbad ging gepaard met wraakkreten van de Palestijnen: ‘Deir Yassin! Deir Yassin!’, het dorp bij Jeruzalem waar de Irgoen in april had huisgehouden. 

De oorlogsmisdaad van de Palestijnen maakte de jisjoev eens te meer duidelijk dat er geen alternatief was voor de overwinning. Als de Arabieren zegevierden, zou er geen ruimte zijn voor ook maar één Jood in het hele mandaatgebied. Ongetwijfeld versterkte dat de wil te winnen, maar tegelijkertijd gaf het naast woede en verdriet over het bloedbad grote reden tot twijfel en bezorgdheid: in de eerste confrontatie met een goed georganiseerd Arabisch leger had de Hagana het onderspit gedolven. 

Onverzettelijk

Terwijl in Kfar Etsion de Joodse verdedigers afgeslacht werden, werd er internationaal koortsachtig gewerkt aan een diplomatieke oplossing voor de vijandelijkheden. De grootmachten in de VN wilden een wapenstilstand, gevolgd door een nieuwe discussie over ‘de toekomst van Palestina’. Hoewel dit een belangrijke concessie aan de Palestijnen was en lijnrecht inging tegen Resolutie 181, stuitten de voorstellen op het gebruikelijke hardnekkige ‘nee’ van de Arabieren. Die waren ervan overtuigd dat de legers van Egypte en Jordanië de Joden de zee in zouden drijven, zodra de Britten op 14 mei hun laatste troepen uit het mandaatgebied hadden teruggetrokken. 

Kfar Etsion in 1947. Foto: Zoltan Kluger/Israeli National Photo Archive

Ditmaal zei echter ook de jisjoev lo. In de wetenschap dat de Amerikaanse president Truman nog steeds achter de Joodse onafhankelijkheid stond, was met name David Ben-Goerion onverzettelijk. In zijn ogen was het nu of nooit. Maar niet alle dertien leden van zijn Volksregering waren even standvastig. De stemming over het onmiddellijk uitroepen van de onafhankelijkheid na het Britse vertrek vond plaats op 12 mei, de dag dat het Jordaanse Legioen de aanval op Kfar Etsion inzette. In tegenstelling tot veel politici en militaire leiders was Ben-Goerion ervan overtuigd dat de Joodse soldaten de Arabische legers zouden verslaan zoals zij dat de afgelopen maanden ook met de Palestijnse fedajien hadden gedaan. Hij vertrouwde erop dat de grote hoeveelheden wapens die de jisjoev in Europa had gekocht, na het Britse vertrek snel aan de kersverse Joodse staat geleverd zouden kunnen worden: “Wij kunnen een invasie weerstaan en verslaan, maar niet zonder ernstige verliezen.”

Hatikva

Ben-Goerion overtuigde de meerderheid van zijn regering. Met zes stemmen voor en vier tegen (drie leden bevonden zich in het buitenland) werden de voorstellen voor een algemeen staakt-het-vuren en een speciale wapenstilstand voor Jeruzalem verworpen. Daarna werd besloten geen grenzen vast te stellen voor de nieuwe staat. De ‘in wonderen gelovende realist’ was ervan overtuigd dat zijn troepen meer terrein zouden veroveren dan de Joodse staat was toegewezen door de VN. Het voorstel de onafhankelijkheidsverklaring uit te stellen werd niet eens in stemming genomen. Chaim Weizmann, voorbestemd om Israëls eerste president te worden, had vanuit New York zijn steun aan Ben-Goerion uitgesproken. Hoewel het tweetal elkaar niet kon luchten of zien, waren zij verenigd in hun overtuiging het historische moment niet voorbij te laten gaan: “Roep de staat uit, wat er ook gebeurt.”

‘Roep de staat uit, wat er ook gebeurt’

Om acht uur ’s ochtends op vrijdag 14 mei 1948 werd de Britse vlag gestreken in Jeruzalem, diezelfde middag nog verliet de Britse Hoge Commissaris via Haifa het nu ex-mandaatgebied. ’s Middags verzamelden de leiders van de jisjoev zich in het Tel Aviv Museum. Nadat het Palestijns Philharmonisch Orkest Hatikva had gespeeld, nam om vier uur Ben-Goerion het woord en las de onafhankelijkheidsverklaring voor. Het land Israël was de historische geboorteplaats van het Joodse volk en de zionistische beweging was het bewijs van de rol die Palestina had gespeeld in de Joodse geschiedenis en het geloof. Eeuwenlang had het volk in ballingschap ernaar terugverlangd. De Balfourverklaring, VN-resolutie 181, de opoffering van de zionistische pioniers en het lijden van het Joodse volk in de Shoa vormden het juridische en legale fundament van de nieuwe staat. 

Stroomuitval

“Daarom proclameren wij de stichting van de Joodse staat … de staat Israël.” De aanwezigen braken uit in applaus en zongen spontaan nogmaals Hatikva. “De staat Israël is gesticht,” herhaalde Ben-Goerion, “de vergadering is geschorst.” Een halve eeuw nadat Theodor Herzl – onder wiens portret Ben-Goerion had gesproken – het Eerste Zionistisiche Congres in Bazel had geleid, was zijn droom werkelijkheid geworden. De ceremonie in Tel Aviv had amper een halfuur geduurd. De bewoners van Jeruzalem hadden door een stroomuitval de radio-uitzending gemist. Maar in een andere hoofdstad had men deze wel gehoord en die was heel even misschien wel belangrijker dan de Israëlische. Terwijl de bevolking van de kersverse staat de straat op stroomde om te vieren en er tegelijkertijd in het hele land gevechten tussen Joden en Arabieren uitbraken, erkende Harry S. Truman in Washington als eerste internationale staatshoofd de Joodse onafhankelijkheid – tegen de wil en het advies van zijn ministerie van Buitenlandse Zaken in. 

De regering in Washington was niet de enige die had meegeluisterd. In Caïro, Amman, Damascus, Beiroet en Bagdad werd heel anders gereageerd. Eigenlijk zaten de Egyptische koning Faroek en zijn Jordaanse ambtsgenoot Abdullah helemaal niet te springen om een oorlog met de Joden. Maar hun handen waren gebonden. Zoals John Bagot Glubb, de Britse bevelhebber van het Jordaanse Legioen later zou zeggen: “(De koningen) stuurden hun bevelhebbers de strijd in onder de druk van de publieke opinie en met de bedoeling ‘de straat’ te kalmeren.” De Arabieren in die straten wilden oorlog, wilden de Joden eens en voor altijd de zee in drijven. Die oorlog zouden zij krijgen, de volgende dag al, maar de zee zouden de Joden alleen ingaan om te baden. De prijs voor de Arabische oorlogszucht en Jodenhaat zou duur betaald worden … door de Palestijnse bevolking.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *