Achtergrond

‘De thuiskomst was vreselijk slecht’

Achsa Vissel 14 april 2022, 15:00
‘De thuiskomst was vreselijk slecht’

75 jaar na de bevrijding, publiceerde het NIW met dank aan Maror een serie van acht getuigenissen van Joden die vertellen hoe het hen verging in die eerste jaren na de Shoa. Hoe was de ontvangst toen ze terugkwamen uit het kamp, de onderduik of na de vlucht? Deel 1: het verhaal van Dick Groenteman. Dit artikel verscheen eerder in NIW 31 5780/2020

‘Het spijt me ten zeerste, meneer Groenteman. Er zijn nog 22 duizend wachtenden voor u.’ Dat kreeg Dick Groenteman (97) te horen toen hij na de oorlog aanklopte bij de gemeente Amsterdam voor een woning. De nood was hoog: na drie jaar Auschwitz en grote emotionele en materiële verliezen in zijn familie, woonde hij met zijn zwangere vrouw in bij zijn schoonouders. “Nog steeds vind ik het onvoorstelbaar dat na alles wat ik had meegemaakt niets, maar dan ook niets voor ons werd gedaan.” Het was het begin van een proces dat hem naar een ander werelddeel leidde. Nederland verdroeg hij niet meer.

Zijn overlevingsverhaal hangt aan elkaar van gelukkige toevalligheden. Zonder de Amerikaanse arts die hem na zijn bevrijding uit Auschwitz penicilline toediende, was hij er misschien niet meer geweest. Zijn wonden die door ondervoeding maar niet wilden helen, waren dankzij het medicijn binnen een week genezen. Ook knoopte hij het advies van de arts goed in zijn oren het komende etmaal alleen droge biscuitjes te eten. Per dag voegde hij daar iets kleins aan toe: een stukje brood, een lepeltje pindakaas. Voorzichtig bouwde hij zijn voedingspatroon op, langzaam sterkte hij aan. Andere jonge mannen die zich direct na de bevrijding op de melk en chocola stortten die goedbedoelende Amerikaanse soldaten ze toestopten, overleefden dat niet. “Je lichaam kan dat niet aan, ik zag ze voor mijn ogen dood neervallen.” Het speelde ook mee dat Groenteman als getrainde ijshockeyspeler jong en sterk was en beschikte over een sterke wil en drang tot overleven. “Doorgaan, doorgaan. Dat was mijn motto. Als je maar hard werkte lieten de nazi’s je met rust. Zakte je tempo, dan kreeg je een klap op je kop en was het afgelopen.” In de drie jaar dat hij in het vernietigingskamp zat, maakte hij vrienden. Een van hen hielp hem aan een baantje in de fabriek waar hij zelf werkte. Die jongen was een vakarbeider, Groenteman niet. “Ik deed maar een beetje alsof. Zo had ik een dak boven mijn hoofd en kon geen SS’er me slaan.”

Doodvonnis
In 1942 wilde hij met drie andere Amsterdamse jongens oversteken naar Engeland om zich bij het Nederlandse leger te voegen. Zij kenden elkaar van de ondergrondse, op de fiets brachten ze illegale kranten rond. Alle plannen waren in het diepste geheim gesmeed, maar toen ze op het Centraal Station van Amsterdam aankwamen, werden ze direct opgepakt. De kamergenoot van een van de vier had gepraat. Alle vier zouden ze de kogel krijgen. Nog altijd bewaart Groenteman het rapport met dat doodvonnis. Zeven maanden zaten ze opgesloten, waarin ze elk moment hun executie konden verwachten. “Maar de vader van een van ons was naar de Duitsers gegaan en wreef ze in dat ze minderjarigen dood gingen schieten. Ik denk dat hij ook wat gesmeerd heeft” – hij maakt een gebaar of hij geld telt – “en de doodstraf werd omgezet in vijftien jaar tuchthuis.”

In plaats van naar het tuchthuis werd Dick naar Auschwitz gestuurd, de anderen naar Dachau en Oranienburg. Slechts één overleefde. Dat hij er zelf nog is, bevestigt volgens Groenteman dat hij geluk had. De vriend die hem aan een baantje hielp in Auschwitz, de arts die hem waarschuwde voor overvoeding. “Geluk heb je op elk gebied nodig. Je kunt je voor 99 procent inzetten, maar zonder die ene procent geluk kom je er niet.”

Op de fiets
Na de bevrijding kwam hij vanuit Polen met de trein in Parijs aan en daarvandaan reisde hij door naar Brussel. Noord-Holland kon hij niet in. De dubbele Moerdijkbrug was door de Duitsers vernield en er heerste cholera. Maar Groenteman was niet te stoppen. In Antwerpen haalde hij een fiets, nam de trein, stapte uit in Zundert en begon te trappen. Hij was lichamelijk zwak, maar de wilskracht was er. Hij fietste door tot aan de Moerdijk en kon met hulp van de Canadese militaire politie met een bootje oversteken. Vanaf de overkant fietste hij in een keer door naar Rotterdam. Daar viel hij flauw op straat. Pas de volgende ochtend kwam hij bij en hij bleek in goede handen te zijn gevallen. Een Rotterdams gezin had hem met zijn fiets in huis gehaald. Kort daarna vond hij in Haarlem zijn moeder en grootmoeder terug. Een intens moment. “We waren ongelofelijk blij dat we elkaar levend teruggevonden hadden. Zo blij dat we niet in staat waren een woord te zeggen. Sprakeloos. Zelfs als ik er nu aan terugdenk, word ik nog ontroerd.”

Oma stierf een paar maanden later, de moeder was er fysiek goed aan toe. De rest van het gezin was ‘weg’. “Mijn vader was verraden en is op 22 september 1942 vergast in Auschwitz.” Ook zijn geliefde zusje redde het niet. “Met haar man is ze op transport gesteld en in 1942 vermoord in Sobibor.”

Dick Groenteman met zijn zus Betty op de Amsterdamse schaatsbaan

Terug in Amsterdam begon de ellende pas goed. “De thuiskomst was slecht, vreselijk slecht. Een koude ontvangst. Alle vijf woningen van mijn familie waren ingepikt, dus een plek om te wonen was er niet. Mijn vrouw, die ik nog kende van de middelbare school en met wie ik snel na terugkeer was getrouwd, was in verwachting. We woonden in bij mijn schoonouders. Met een kind erbij zou het te druk worden dus ik zei tegen mijn schoonvader dat we iets voor onszelf gingen zoeken. Ik legde het hele verhaal voor aan de gemeente, maar werd afgescheept met die vreselijke tekst over de tienduizenden wachtenden voor me. Alsof ik niet net terug was uit de hel, alsof we onze woningen en zaken niet kwijt waren, alsof we niet ontelbaar veel familieleden en vrienden verloren hadden. Ik was vrijwilliger geweest in de oorlog, mijn vrouw was zwanger. Maar we kregen geen cent. Ik had geen werk en geen beroep, want ik had ook nog vijf jaar school gemist. Daar stond ik dan.”

Weggepest
Toen hij na dit debacle door een kennis werd benaderd, hapte hij toe. De directeur van de Franse oliemaatschappij Total zocht voet aan de grond in Nederland. De deal was simpel: als Groenteman een geschikte loods kon vinden, kreeg hij een franchise in het bedrijf. Al snel vond hij een locatie aan de Middenweg, maar toen hij zich bij de Kamer van Koophandel meldde, bleek dat hij nogal wat diploma’s nodig had. “Ik zou nog drie jaar moeten leren tot ik kon beginnen. Die had ik niet. En zonder de vergunningen ging het niet.” Toen kennissen in de rij bij de bakker te horen kregen dat ‘ze vergeten waren ze te vergassen’ knapte er iets in hem. “Stel je voor: in Australië ben ik nooit antisemitisme tegengekomen. Alles wat donker was, viel onder de noemer refugees (vluchtelingen). Joods, Italiaans of Libanees, het maakte ze niet uit.”

In de jaren vijftig verlieten een miljoen Nederlanders het land. Naar de VS, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland. Veel mensen gingen vrijwillig, op naar het avontuur. “Joden werden gewoon weggepest,” zegt Groenteman stellig. “Ook ik. Dat ik schandelijk ben behandeld, voel ik nog steeds. Eerst probeerde ik het nog. Toen mijn eerste kind was geboren en ik nog steeds bij mijn schoonouders op de overloop zat, heb ik als eerste in Nederland een woning gekraakt. Via het dak klom ik naar binnen. De politie kwam eraan te pas en ik legde de zaak uit. De huisbaas schoof een briefje onder de deur door: als we huur en een maand borg betaalden, mochten we blijven.”

Er bleek een betere optie te zijn. Een kennis van zijn vrouw Elizabeth had familie in Australië. IJshockeyfanaat Groenteman wilde eigenlijk naar Canada, maar kreeg zijn vrouw niet mee. Toen ansichtkaarten van het schitterende Bondi Beach arriveerden, werd ze over dat dat mooie, zonnige werelddeel wel enthousiast. Samen met een vriend ging Groenteman polshoogte nemen, de vrouwen en kinderen wachtten thuis. Binnen zes weken wist hij het: hij zou blijven. Zijn vrouw handelde in Nederland de praktische zaken af en volgde hem samen met haar schoonmoeder. “Eerst woonde moeder bij ons in en later had ze haar eigen stek. We hadden het direct naar onze zin. Eindeloos veel mogelijkheden, prachtige natuur en heerlijk weer.” Binnen een jaar deed hij een aanbetaling op zijn eerste huis. En zodra hij een failliete ijsbaan kon overnemen, begon hij een klein imperium te bouwen. “Inclusief een ijsbaan in Nieuw-Zeeland.”

Nooit meer naar Nederland
Van de keus heeft hij nooit spijt gehad. “Het leven hier is heerlijk, het is een goddelijk land. Prachtige natuur, 17 duizend kilometer kust met schitterende stranden. We hebben goud, zilver, koper, uranium. Je eet hier heerlijke vissoorten die je in Nederland niet tegenkomt. En nu een tante met drie nichtjes en hun gezinnen zich hier hebben gevestigd, heb ik ineens weer een grote familie.”

Met zijn zonen David (l) en Elliott in de ijshockeyhal

Spijt heeft hij geen seconde gehad. “De mensen zijn aardig, alles kan en alles mag.” Nederland is hij ‘uitgetreiterd’, in Australië is hij met open armen ontvangen. Toen hij in 1951 aankwam, waren vijftig Nederlandse Joden hem al voorgegaan, de meesten na de oorlog. Ze kennen elkaar allemaal goed. Met Nederland is hij klaar, hij zou er nooit meer willen wonen. Zijn zoons – een uit zijn eerste huwelijk en twee van de vrouw met wie hij in 1962 trouwde – hebben alle drie in het Australische nationale ijshockeyteam gespeeld. “Een heeft het ooit in Nederland geprobeerd, maar vroeg al snel of hij weer thuis kon komen. Want Australië is home.”

Foto: Dirk P.H. Spits

Wel komt Groenteman vaak op bezoek. Nog steeds doet het pijn als hij door zijn oude wijk loopt: de Diamantbuurt, ooit dichtbevolkt door Joden. “Ik zie al die vertrouwde voordeuren. Daar woonde Japie Katwijk, daar woonde Lexie, en zo kan ik er nog wel vijftig opnoemen. Je went er nooit aan.” Na zeventig jaar voelt hij zich een buitenstaander. “Door die verschrikkelijke terugkeer. Terwijl er al zeven generaties lang Groentemannen in Amsterdam wonen.” Voor de oorlog uitbrak, had hij ‘alles’. “Een perfecte jeugd met sport, uitjes en feesten. Dat leven bestaat niet meer. Ik had een fijne familie en een lieve zus, die bijna een tweede moeder was. Maar dan een die een oogje dichtkneep als ik laat thuiskwam. Wat haar is aangedaan, daar kun je niet omheen. Dat ik mijn moeder op hoge leeftijd moest begraven, kon ik accepteren. Dit niet, je kunt er niet mee leven. Ik ving het op door me op mijn werk te storten, op mijn familie en mijn kinderen. Door buiten Nederland een goed leven op te bouwen.” Als hij toch in Nederland is komt hij voor de mensen. “Familie en vrienden. Die zijn lief, aardig. Zij trekken me, maar het land niet meer.”

Heeft u dit artikel met plezier gelezen? Met een abonnement op het NIW krijgt u toegang tot columns, opinies, analyses, nieuws – en achtergrondverhalen. Kies hier wat het beste bij u past.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *