De regeringswissel in Ljubljana heeft belangrijke consequenties voor Israël. De linkse, fel anti-Israëlische premier Robert Golob heeft vandaag plaatsgemaakt voor de rechtse winnaar van de verkiezingen van 22 maart, Janez Janša. Een van de eerste acties van de nieuwe premier was vandaag het weghalen van de Palestijnse vlag van de gevel van het regeringsgebouw in de Sloveense hoofdstad.
Nu sieren nog slechts de Sloveense, de Oekraïense en de vlag van de Europese Unie het gebouw. Ex-premier Golob is woedend over de stap, die een belangrijke koerswissel in Ljubljana symboliseert. Slovenië had met Spanje, Ierland, België en inmiddels ook Nederland een van de meest anti-Israëlische regeringen in de EU. Maar nu heeft de regering in Jeruzalem aangekondigd voor het eerst een ambassade in de voormalige Joegoslavische republiek te openen.
Met Janša heeft Israël er een belangrijke bondgenoot bij. Het is naast Duitsland in iets mindere mate Oostenrijk en Italië vooral in het voormalige Oostblok dat de Joodse staat steun heeft. Polen, Tsjechië en Hongarije varen nog steeds een pro-Israëlische koers, tegenover het steeds fellere antizionisme in Europese hoofdsteden als Parijs, Madrid, Londen en nu dus ook in Den Haag.
Zolang de EU vasthoudt aan het vereiste van unanimiteit bij belangrijke besluiten, zijn de relaties tussen de Joodse staat en zijn Europese partners relatief veilig. Met het vertrek van de vijandige regering in Slovenië is er wat druk van de antizionistische ketel. Ex-premier Golob toonde zich een slechte verliezer. Deze week werd het opeens en zonder reden een Israëlisch passagiersvliegtuig verboden in Ljubljana te landen: een anti-Joods afscheidsgeschenk van de linkse regering. Met het strijken van de Palestijnse vlag zullen in Slovenië dat soort pesterijen voorlopig van de baan zijn.