Deel 4: Vrees de toorn van de Mossad

In het vierde en laatste deel van onze serie over Joodse spionnen nemen we de meest spraakmakende operaties onder de loep van de volgens velen effectiefste inlichtingendienst ter wereld: de Mossad.
Acteur Eric Bana speelt Avner Kaufman in Munich (2005), Steven Spielbergs film over de operatie Toorn van God  
United International Pictures
Acteur Eric Bana speelt Avner Kaufman in Munich (2005), Steven Spielbergs film over de operatie Toorn van God  United International Pictures

De eerste was Wael Zwaiter, topman van de terreurbeweging Zwarte September in Rome. In de avond van 16 oktober 1972 werd hij voor zijn woning opgewacht door twee mannen. Elf kogels werden in het levenloze lichaam van Zwaiter gevonden: één voor elk slachtoffer van de bloedige aanslag op de Israëlische olympische ploeg in München, eerder dat jaar.

Palestijnen die na de liquidatie ontkenden –en dat nog steeds doen – dat Zwaiter iets met het bloedbad in München te maken had, begrijpen de reden achter zijn dood niet. Zij blijven zonder veel succes beweren dat zijn betrokkenheid ‘nooit overtuigend bewezen’ is. Maar het ging de Israëli’s niet zozeer om het straffen van de opdrachtgevers – de daders zelf waren met hun gijzelaars omgekomen – als wel om angst in de harten van de terroristen te zaaien. En om wraak. De operatie werd niet voor niets ‘de Toorn van God’ genoemd.

Het volgende doelwit was Mahmoud Hamshari, volgens Jeruzalem de leider van Zwarte September in Frankrijk. Hij werd op 8 december 1972 met een in de telefoon geplaatste bom opgeblazen. Daarna was het de beurt aan Hussein al-Bashir, afgezant van de terreurbeweging in Cyprus. Een bom onder zijn hotelbed in Nicosia maakte een einde aan zijn leven op 24 januari 1973. Datzelfde jaar werden nog zes leden van Zwarte September gedood bij spectaculaire acties in Parijs en Beiroet.

Het Instituut

Geen Palestijnse terrorist leek nog veilig, waar hij zich ook schuilhield. De jacht op Zwarte September was slechts enkele dagen na het bloedbad in München bevolen door premier Golda Meïr persoonlijk. De uitvoering lag in handen van de Mossad, volgens velen de meest effectieve inlichtingendienst ter wereld.

Voluit heet de buitenlandse inlichtingendienst van Israël Hamossad Merkazi Lemodiïen ule Takfidiem Mejoehadiem: het Centrale Instituut voor inlichtingen en speciale operaties. Kortweg: het Instituut. De Mossad werd in 1949 opgericht door David Ben Goerion als opvolger van de inlichtingendiensten van de Hagana, de militie van de jisjoev voor de stichting van de staat Israël. Ben Goerion bracht een klassieke driedeling in de inlichtingengemeenschap aan, die veel landen hanteren. De militaire tak, Aman, is onderdeel van het Israëlische leger. Inlichtingen en operaties op het grondgebied van de Joodse staat (inclusief de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) vallen onder de bevoegdheid van Shin Bet. De Mossad is verantwoordelijk voor het buitenland.

Het was jarenlang verboden de naam ‘Mossad’ te gebruiken

Van het begin af aan werkte de Mossad in grotere geheimhouding en met minder controle door de politiek dan inlichtingendiensten in de meeste andere democratieën. Ben Goerion achtte de gevaren voor Israël zo groot dat hij geen pottenkijkers wilde, maar wellicht heeft meegespeeld dat Shin Bet en de Mossad op die manier direct onder hem vielen. Het was Israëli’s jarenlang verboden de namen van de twee organisaties in het openbaar te gebruiken. Toch wist de hele wereld rond 1960 van het bestaan van het ‘Instituut’. De oorzaak: operatie Garibaldi.

In een straat met die naam in San Fernando, een industriële voorstad van Buenos Aires, woonde Ricardo Klement. De Argentijn was een onopvallend, onooglijk afdelingshoofd bij de plaatselijke Mercedes-Benzfabriek. In 1957 had de Duits-Joodse openbare aanklager van de bondsstaat Hessen, Fritz Bauer, Mossadbaas Isser Harel op Klement opmerkzaam gemaakt. Op zijn beurt had Bauer, die de Holocaust had overleefd door naar Scandinavië te vluchten, een tip gekregen van een andere Joodse vluchteling, Lothar Hermann.

Te weinig bewijs

In Argentinië, waar Hermann al sinds voor de oorlog woonde, had zijn dochter Sylvia kennisgemaakt met een zekere Klaus Eichmann. Deze schepte op over het oorlogsverleden van zijn vader en Hermann kwam tot de conclusie dat het hierbij om Adolf Eichmann ging, de man die verantwoordelijk was voor de praktische uitvoering van de Shoa. Bauer vertrouwde zijn eigen overheid niet bij de opsporing van nazioorlogsmisdadigers en schakelde Mossadbaas Harel in. Maar de inlichtingendienst twijfelde. Twee geheime onderzoeksmissies naar Argentinië leverden te weinig bewijs op. Bauer zette door en bleef Harel aansporen de jacht in Buenos Aires voort te zetten. Ook nazi-jager Simon Wiesenthal vermoedde dat Eichmann in de Argentijnse hoofdstad verbleef.

In maart 1960 bevestigde een nieuwe missie dat Ricardo Klement in werkelijkheid Eichmann was. Maar de Israëli’s hadden geen enkel vertrouwen in de samenwerking met de Argentijnse autoriteiten. Dus werd Mossadagent Rafi Eitan met een team naar Buenos Aires gestuurd. Een van Eitans mannen, Peter Malkin, sprak Klement op 11 mei 1960 aan toen deze uit de bus stapte die hem van werk naar huis bracht. Malkin en twee andere agenten slaagden erin Klement in hun auto te duwen en hem onder een deken te verbergen. De teamleden en hun gevangene hielden zich negen dagen schuil in een safe house terwijl de Argentijnse politie verwoed jacht maakte op de ontvoerders. Tegelijkertijd probeerde de Mossad vergeefs SS-arts Josef Mengele op te sporen, in de hoop hem met dezelfde vlucht als Eichmann naar Israël te brengen.

Slager van Letland

Op 20 mei werd de Argentijnse gijzelaar verdoofd en in het uniform van een El Al-steward het land uit gesmokkeld. Oud-SS Obersturmbannführer Adolf Eichmann, alias Ricardo Klement, werd in de eerste minuten van 1 juni 1962 opgehangen in de gevangenis van Ramle. Rafi Eitan was aanwezig bij de executie. Volgens de Mossadagent zouden Eichmanns laatste woorden ‘Ik hoop dat jullie mij allemaal zullen volgen’ zijn geweest.

Adolf Eichmann, opgepakt door de Mossad, in de beklaagdenbank tijdens zijn proces in Jeruzalem 
Government Press Office

‘Garibaldi’ was een verbluffende operatie en de wereld leek geschokt dat de geheime dienst van dat nietige Joodse staatje in het Midden-Oosten aan de andere kant van de wereld dit soort interventies kon uitvoeren. Die schok bleek ook uit de veroordeling die de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties uitsprak: hoe had Israël het gedurfd de soevereiniteit van Argentinië zo te schenden? Dat verschillende Zuid-Amerikaanse landen decennialang nazimisdadigers de hand boven het hoofd hielden en dat niet één van hen daarvandaan werd uitgeleverd – als zij al opgespoord zouden zijn – werd voor het gemak genegeerd. Het zou niet de laatste keer zijn dat de VN partij koos tegen de Joodse staat.

Israël trok zich er niets van aan. Hoe terecht dat was, bleek al in 1965. Herbert Cukurs was geen schrijftafelmoordenaar à la Eichmann, de ‘slager van Letland’ hield ervan zelf zijn handen vuil te maken. Cukurs meldde zich vrijwillig bij het Letse Arajs-commando, dat werd toegevoegd aan de Duitse Sicherheitsdienst. Cukurs werd niet alleen gezien als medeverantwoordelijk voor gruweldaden. Daaronder vielen het in brand steken van de synagogen van Riga, waarbij honderden Joden in de vlammen omkwamen en moordpartijen in het getto van Riga. Ook het bloedbad van Rumbula, het ‘Letse Babi Jar’ waar 25 duizend Joodse mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord stond op de aanklacht. En bij al deze gruweldaden blonk Cukurs uit door wreedheid en stond hij erop persoonlijk burgers te executeren.

Nergens veilig

Anders dan Eichmann maakte Herbert Cukurs geen geheim van zijn identiteit. Hij leefde in Rio de Janeiro onder zijn eigen naam, waar hij zich voordeed als politiek vluchteling voor het communisme. Hij beweerde zelfs in de oorlog Joden geholpen te hebben. De Joodse gemeenschap in zijn nieuwe vaderland trapte er niet in en probeerde hem voor de rechter te slepen, maar de Braziliaanse autoriteiten waren niet geïnteresseerd. Dus besloten de Israëlische autoriteiten het recht in eigen hand te nemen. Mossadagent Yaäkov ‘Mio’ Meidad werd met goedkeuring van premier Levi Eshkol opgedragen Cukurs te liquideren. Meidad, bijgenaamd ‘de man met honderd gezichten’, nam de identiteit van een Oostenrijkse ondernemer aan, die de Letse oorlogsmisdadiger naar Uruguay lokte met een zakelijk voorstel.

Cukurs’ lichaam werd op 6 maart 1965 gevonden in de achterbak van een auto in een buitenwijk van Montevideo. Zijn lijk had verschillende kogelwonden en zijn schedel was ingeslagen.

‘Cukurs is geëxecuteerd door hen die niet vergeten kunnen’

In de auto werd een briefje gevonden, waarop onder meer te lezen was: “(…) Herbert Cukurs is bij dezen ter dood veroordeeld. Hij is geëxecuteerd door hen die niet vergeten kunnen.” De Mossad zou officieel nooit de verantwoordelijkheid voor de liquidatie op zich nemen, maar de boodschap was duidelijk: nazimisdadigers zijn zolang zij leven nergens veilig.

Niet elke operatie was een succes: Alois Brunner, de rechterhand van Adolf Eichmann, overleefde twee aanslagen door de Mossad in Syrië, waar hij zich na de oorlog had gevestigd. Daar adviseerde hij het regime hoe politieke tegenstanders het beste gemarteld konden worden. Brunner stierf in 2001 op 98-jarige leeftijd een natuurlijke dood.

Eli Cohen

De Mossad blonk niet alleen uit door ontvoeringen en liquidaties. Het vergaren van inlichtingen was (en is) een kerntaak voor de geheime dienst en ook daar waren agenten uiterst succesvol in. Voorbeelden te over. Operatie Diamant bijvoorbeeld, waarin Mossadagenten een Iraakse luchtmachtpiloot aanspoorden over te lopen en met zijn MiG-21 – de modernste Russische straaljager van dat moment – op een Israëlische luchtmachtbasis te landen.

Maar de succesvolste en meest tragische inlichtingenoperatie uit de geschiedenis van de Mossad was die van Eli Cohen, de agent die doordrong tot de hoogste regeringskringen in Damascus. Het Syrische bewind zou zelfs hebben overwogen de in Egypte geboren Cohen – alias Kamel Amin Thaabet – tot onderminister van Defensie te benoemen.

Eind 1964 voelde Cohen hoe het Syrische net zich om hem begon te sluiten. Toch liet hij zich door de Mossadleiding overtuigen nog één keer naar Damascus terug te keren. Het zou de laatste keer zijn, maar niet op de manier waarop Cohen had gehoopt. In januari 1965 werd hij in zijn appartement betrapt terwijl hij gegevens naar Israël aan het zenden was. Eli Cohen werd gearresteerd, gemarteld en op 15 mei van datzelfde jaar onder grote publieke belangstelling opgehangen op het Marjehplein in het centrum van de Syrische hoofdstad Damascus.

Eli Cohen in Damascus, 1963  Office of the Prime Minister of Israel

Toch was Cohen een voorbeeld van de belangrijkste troeven die de Mossad vanaf de oprichting in handen had: Joden die afkomstig waren uit landen waar zij later konden spioneren. Bijna alle Israëlische vijanden in het Midden-Oosten hadden voor 1948 aanzienlijke Joodse gemeenschappen. De naar de Joodse staat gevluchte leden ervan spraken de taal van hun geboorteland vloeiend, kenden de cultuur en waren bij uitstek geschikt voor undercoverwerk. Dat bleek hard nodig bij projecten waarbij succesvol inlichtingen werden verzameld, zoals operatie Opera. Daarin maakte door de Mossad vergaarde informatie de vernietiging van Saddam Hoesseins nucleaire reactor in Irak mogelijk. Dat was in 1981, maar met operatie Boomgaard herhaalde de Mossad dat kunstje 26 jaar later in Deir Ez-Zor, Syrië.

Vakantiepark

Een andere specialiteit van de Israëlische inlichtingendienst was hulp bij de vlucht van Joden naar Israël. Het opvallendste voorbeeld hiervan vond plaats tijdens de operaties Mozes en Joshua, de evacuatie in 1984 en 1985 van Ethiopische Joden uit hun geboorteland dat verscheurd was door burgeroorlog en honger. Om ongestoord te kunnen opereren in het vijandig gezinde Soedan, vanwaaruit de zogenoemde Falash Mura naar de Joodse staat gebracht moesten worden, zetten Mossadagenten er een heus duikresort op. Zij kochten in Arous, een verlaten badplaats aan de Rode Zee, een vakantiepark waar voor toeristen duikcursussen en -expedities opgezet werden. De dekmantel was zo succesvol dat de op harde valuta beluste Soedanese autoriteiten maar al te graag meewerkten.

Eerlijk is eerlijk, het beroemdst en beruchtst is en blijft het liquidatieprogramma van de Mossad. Dat beperkte zich niet alleen tot nazi’s en terroristen van Zwarte September.

De lijst geliquideerde vijanden van de Joodse staat is lang

De lijst door Israëlische agenten vermoorde vijanden van de Joodse staat is lang, indrukwekkend en uiteraard geheim. Bij de tot op vandaag voortdurende bestrijding van het Iraanse atoomprogramma gaan inlichtingenvergaring en liquidaties hand in hand. Zo stalen Mossadagenten in 2018 een compleet nucleair archief en smokkelden het vanuit Teheran naar Israël, waardoor premier Benjamin Netanyahu de Amerikaanse president Donald Trump kon overtuigen dat Iran in het geheim nog steeds nucleaire ambities koesterde, in weerwil van internationale afspraken. Ook verzamelt de Mossad informatie over de staat van het kernwapenprogramma (waar wordt uranium verrijkt en hoeveel), plegen de agenten succesvolle sabotageacties en liquideert de dienst Iraanse atoomgeleerden. De meest spectaculaire operatie op dat gebied was de eliminatie van de baas van het programma, Mohsen Fakhrizadeh, eind 2020.

Tegengif

Zoals gezegd, de lijst liquidaties is lang: Yahia el-Mashad, Egyptische atoomgeleerde in dienst van Saddam Hoessein (Parijs, 1980); Gerald Bull, een Canadese wetenschapper die een superkanon voor Saddam aan het bouwen was (Brussel, 1990), Atef Bseiso, hoofd van de PLO-inlichtingendienst (Parijs, 1992); Fathi Shaqaqi, oprichter en secretaris-generaal van de Palestijnse Islamitische Jihad (Malta, 1995); Izz El-Deen Sheikh Khalil, leider van de militaire vleugel van Hamas (Damascus, 2004); Imad Mugniyah, de nummer 2 van Hezbollah (Damascus, 2008). En dit zijn nog maar de ‘grote namen’.

Hierbij moet aangemerkt worden dat Israël nooit de verantwoordelijkheid opeist voor liquidaties van zijn vijanden. Het land kent de doodstraf niet en dus vallen dit soort operaties onder de geheimhouding die David Ben Goerion bij de oprichting van de Mossad in 1949 al voor ogen had. Misschien verdient het liquidatieprogramma – meestal uitgevoerd door de speciale afdeling Kidon (‘speerpunt’) – internationaalrechtelijk geen schoonheidsprijs, maar wie het bovenstaande lijstje leest, zal niet gauw tot de conclusie komen dat er sprake is van een groot verlies voor de mensheid.

Tenminste, zolang alles goed gaat. En dat is zelfs bij de Mossad lang niet altijd het geval. Op 25 september 1997 vergiftigden twee Israëlische agenten Hamasleider Khaled Mashal in de Jordaanse hoofdstad Amman. Maar de twee spionnen werden gepakt en het complot doorzien. Koning Hoessein dreigde met opzegging van zijn vredesverdrag met Israël als Mashal zou sterven. Dus zag premier Netanyahu zich genoodzaakt Mossadbaas Danny Yatom naar Amman te sturen met een tegengif. Het hoofd van de Mossad redde het leven van de leider van Hamas, een vernedering voor Jeruzalem. In 2010 moest het hele programma stopgezet worden toen de autoriteiten in Dubai achter de identiteit kwamen – en die wereldwijd publiceerden – van alle Mossad-teamleden die hadden meegewerkt aan de succesvolle liquidatie van de medeoprichter van de Izz ad-Din al-Qassam-brigades, de militaire vleugel van Hamas.

Marokkaanse ober

Waarschijnlijk is de grootste blunder uit de geschiedenis van de Mossad de affaire-Lillehammer. Op het hoogtepunt van operatie Toorn van God dachten Israëlische agenten de grootste vis van allemaal te pakken te hebben: de opdrachtgever voor de aanslag in München. Zij hadden de chef-operaties van Zwarte September, Ali Hassan Salameh, na een tip gelokaliseerd in het Noorse Lillehammer. Een team van liefst vijftien Mossadagenten werd halsoverkop naar Noorwegen gestuurd om het belangrijkste doelwit van de campagne uit te schakelen.

Op 21 juli 1973 liep Salameh naar zijn huis in Lillehammer, toen een auto met vier Israëlische agenten naast hem kwam rijden. De terrorist werd voor de ogen van zijn zwangere vrouw doorzeefd met dertien kogels. Maar … het slachtoffer was Ali Hassan Salameh helemaal niet.

Ahmed Bouchikhi had de pech te lijken op de leider van Zwarte September

De Marokkaanse ober Ahmed Bouchikhi had de pech te lijken op de leider van Zwarte September en een paar dagen eerder een onschuldig gesprek met een koerier van die terreurorganisatie gevoerd te hebben.

Het was een tragedie voor Bouchikhi en zijn familie en een ramp voor de Mossad, die een enorm gezichtsverlies leed. Zes van de vijftien agenten werden gearresteerd, veroordeeld en erger nog: ondervraagd, waarbij enkelen waardevolle informatie over operatie Toorn van God aan de Noren prijsgaven. Safe houses waren niet meer veilig, netwerken onbetrouwbaar en communicatielijnen doorgesneden. Golda Meïr zag zich gedwongen de operatie af te blazen. Betekende dit dat het meesterbrein achter het bloedbad in München de dans zou ontspringen? Wie dat denkt, onderschat het geheugen van de Joodse staat en in het bijzonder dat van zijn geheime dienst. Op 22 januari 1979 ontplofte een auto in de Libanese hoofdstad Beiroet, net toen een Chevrolet stationwagen van Ali Hassan Salameh langsreed. ‘Abu Hassan’ zoals zijn nom de guerre luidde, stierf op een operatietafel in de Amerikaanse Universiteit van Beiroet.

Moraal van zijn lot: vrees de toorn van God, maar vrees vooral die van de Mossad. Deze week nog raakte bekend dat de Mossad recent Iraanse aanslagen op een Amerikaanse legergeneraal, een Franse journalist en een Israëlische diplomaat in Turkije hebben verijdeld.

Dit artikel verscheen eerder in het NIW30 van 6 mei 2022

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Spionnen

Deel 4: Vrees de toorn van de Mossad