Dossiers

Felle Oranjekritiek

Bart Wallet vervolgt zijn spraakmakende serie over de relatie tussen het Oranjehuis en de Joodse gemeenschap. In deel 6 werd Willem I begin 19e eeuw in Scheveningen nog door een juichende menigte, onder wie veel Haagse Joden, binnengehaald. In dit zevende deel zijn we tachtig jaar verder, in Amsterdam, waar Joodse socialisten koningin Emma en prinses Wilhelmina in april 1893 op een fluitconcert trakteerden.

Bart Wallet 28 december 2020, 10:00
Felle Oranjekritiek

Woedend was de Amsterdamse opperrabbijn Joseph Hirsch Dünner. Wat het traditionele hoogtepunt had moeten worden van het hoofdstedelijke bezoek van koningin Emma en prinses Wilhelmina in april 1893, de rit door de Jodenbuurt, werd een ongekend dieptepunt. Terwijl alle voorbereidingen waren getroffen, het oranje alom zichtbaar was en de Nederlandse vlaggen wapperden, werden de Oranjes onthaald op een fluitconcert. Een groep van enkele honderden vroege Joodse socialisten had het bezoek aangegrepen om te protesteren tegen de sociale misstanden en tegen de rijke Oranjes, die hun ogen sloten voor de armoede van het Amsterdamse proletariaat. De speelgoedfluitjes die ze gebruikten, hadden ze even daarvoor gekocht op de Zeedijk.

De Joodse socialisten hadden daarmee niet alleen de sociale problematiek op de kaart gezet, maar tegelijk ook een wig gedreven in de heersende opvattingen onder Nederlandse Joden. Die waren gemakkelijk samen te vatten: Nederland was het beste land om als Joden te leven, zolang de fase van de galoet, de diaspora, voortduurde. Zij genoten vrijheid en vrede en konden het beste van de Nederlandse tradities – tolerantie en gematigdheid – samen laten gaan met het beste van het jodendom. Dat was allemaal mogelijk omdat de Oranjes borg stonden voor het Nederlandse staatsbestel en voor de acceptatie van de Joden. Door middel van een uitgesproken orangisme werd aan de samenleving getoond dat de Joden betrouwbare, goede burgers waren, Nederlandse patriotten als geen ander.

Uitschot
Dat ideaalplaatje, waar opperrabbijn Dünner zo trots op was, werd nu verstoord. Voor het oog van de hele natie stonden Joden nu te boek als ondankbare revolutionairen en onbetrouwbare burgers. Het enige dat hem te doen stond, was zo snel en zo goed als het kon de kwalijke gevolgen in te dammen. Op de sjabbat volgend op het Joodse Oranjeprotest hield Dünner een droosje, of – zoals hij het zelf liever noemde – een leerrede, waarin hij van leer trok tegen de Joodse socialisten. Zij waren uitschot, ‘verachtelijken’, die niets hadden bereikt in de samenleving en nu alleen door ‘onbeschaamdheid en brutaliteit’ zich in de kijker konden spelen. “Reeds nu hoort men de vraag opperen: wat toch heeft Oranje voor Israël gedaan?” Niemand mocht in de verleiding komen hen serieus te nemen: door hun actie hadden ze laten zien dat zij slechte Joden waren. Wie zich kritisch uitliet over de Oranjes, sloot zich uit van de gemeenschap – zo betoogde Dünner. Het was niet minder dan een Joodse plicht om de Oranjes te eren, die ervoor hadden gezorgd dat er nooit een Jodenvervolging in Nederland was geweest.

Het grotendeels Joodse bestuur van de socialistische Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond in 1916. V.l.n.r. Monne de Miranda, Bernard Wins, Jan A. van Zutphen, Bernard van Praag, Henri Polak, Dirk de Vries, C.A. van der Velde, J. Theeboom en J. Brouwer. Foto: Collectie Stadsarchief Amsterdam

Rake klappen
Zijn woorden in de Grote Sjoel vielen in vruchtbare aarde. De Joodse cafébaas Simon Reens zette de daad bij het woord en richtte direct een Joodse knokploeg op: ‘Voor Oranje’. Die moest in actie komen zodra de socialisten in de Jodenbuurt gingen propaganderen en hun folders en kranten verspreidden. Ieder die het waagde om het in een café of op straat voor het socialisme op te nemen, kon rekenen op afkeurende woorden en – indien nodig – rake klappen. Bram Reens, neef van de cafébaas en een van de Joodse socialisten schreef daarover: “Edoch, eene ons vijandig gezinde menigte, waaronder vele getooid met oranjelintjes, als bewijs van het lidmaatschap van den Oranjebond, haalden wij spoedig achter ons!” Het gevolg was dat socialisten voor enkele maanden de Jodenbuurt niet meer in durfden te gaan en op de Nieuwmarkt, net over de verbeelde grens van de Joodse buurten, met hun krantjes bleven staan. Daar wachtten ze de Joden op die uit de Sint-Anthoniebreestraat kwamen en bedreven ze op neutraal terrein hun propaganda. Ook op de Nieuwmarkt ontstonden echter grote straatgevechten, evenals in de Weesperstraat.

Ook op de Nieuwmarkt ontstonden grote straatgevechten, evenals in de Weesperstraat

Hoezeer Dünner het ook wilde verhullen, feit was dat vanaf het eind van de 19e eeuw onder de zo gezagsgetrouwe Joodse gemeenschap kritiek begon te klinken op de Oranjes. Die werd voornamelijk in de steden gehoord, waar veel Joden op of onder de armoedegrens leefden. Die sociale problematiek was nijpend en hoewel de economische groei in de tweede helft van de eeuw voor verbeteringen had gezorgd, bleef het lot van duizenden zorgelijk. Het Joodse Nederlandse nationalisme en orangisme verhielp die problemen niet, maar wierp zelfs onbedoeld de schijnwerper op de sociale verschillen. Bij alle aandacht voor de Oranjes zag de bevolking telkens weer de rijkdom en weelde waarin het koningshuis leefde – in scherp contrast met de eigen situatie. Het Joodse socialistische Ons Blad bracht dat expliciet onder woorden:

“Duizenden en duizenden weten van den eene dag niet in den andere te komen, komen bijna om van honger! en daar viert men feest! Ja, wij socialisten doen wel slecht met daar tegen op te komen! Een kind [Wilhelmina] verdient in eene week f28.000, heeft 163 rijtuigen – duizenden arme kinderen bibberen van koude en rammelen van honger.”

Obstakels
Het socialisme leek de maatschappelijke beweging te zijn die de meeste Joden verbetering van hun positie kon geven. Toch waren er twee belangrijke obstakels: het socialisme was antireligieus en antimonarchistisch. Juist de arme Joden waren in de 19e eeuw de dragers van de orthodox-Joodse vroomheid, terwijl de liberale regenten daar soepeltjes afstand van namen. De economische vooruitgang die het socialisme beloofde, wilde het Joodse proletariaat graag aanvaarden, maar om afstand te doen van de synagoge ging wel erg ver. Daarnaast was het verzet van de socialisten tegen de Oranjes een belangrijk struikelblok voor Joodse arbeiders om zich bij het socialisme aan te sluiten. Zij waren niet alleen een sociale klasse, maar ook een etnisch-religieuze minderheid. Wie zou hen als Joden beschermen, als de Oranjes zouden wegvallen? Was in de socialistische heilstaat, die na de gestreden klassenstrijd bereikt zou worden, wel ruimte voor Joden?

Was in de socialistische heilstaat, die na de gestreden klassenstrijd bereikt zou worden, wel ruimte voor Joden?

De vragen werden niet altijd zachtzinnig geuit. Toen Henri Polak in april 1892 een lezing wilde houden over ‘Joden-Socialisme’ in een zaal aan het Waterlooplein werd hem het spreken onmogelijk gemaakt door het Joodse publiek dat luidkeels ‘Oranje boven!’ riep en met stoelen, tafels en banken begon te gooien. Joodse socialisten ergerden zich echter aan de aanhankelijkheid van de Joodse ‘massa’s’ aan de Oranjes, zij dienden zich volgens een van hen te onthouden van ‘hielen- of strooplikkerij’ aan het koningshuis.

Deze twee barrières verklaren waarom het relatief lang duurde voordat grote aantallen Joden zich bij de socialistische beweging aansloten. Toen zij dat echter deden, gebeurde dat meteen goed. Binnen de verschillende sociaaldemocratische en communistische partijen, vakbonden, socialistische kranten en tijdschriften waren ze goed vertegenwoordigd. Ook het Oranje-kritische standpunt vielen ze daarin volledig bij, hoewel de ‘oude’ niet-Joodse socialisten hen vaak bleven wantrouwen als geheime Oranjeklanten. Helemaal ongelijk hadden ze niet: toen de SDAP-leider Troelstra in november 1918 een poging deed tot een socialistische revolutie, was Henri Polak een van degenen die daartegen was. Ondertussen sprak ook hij over de ‘fopspeen van het Oranje-huis’ en was hij zeer kritisch op Wilhelmina: ‘De nuttelooze en machtelooze koningin gaat weer naar huis, zonder iets gedaan te hebben, zonder iets te kunnen doen, zonder ooit iets te zullen doen. De honger blijft.’

Betoging van de door de rabbijnenzoon David Wijnkoop geleide Communistische Partij Holland op 6 maart 1930 op de Oostenburgergracht in Amsterdam.

Breuklijnen
Ruim 25 jaar later beschreef de Joodse intellectueel mr. Izak Prins aan de vooravond van het regeringsjubileum van Wilhelmina, het resultaat van het werk van de vroege Joodse socialisten: “Nu bekommert een groot deel der kleine burgerij uit het Ghetto zich bijkans niet meer om het komend Oranje-feest. De Joodsche proletariër en middenman is tot een sociaal-utopist omgevormd. ’t Verleden mocht niet meer spreken. Het heden bevredigt niet. Op een wortellooze toekomst werd zijn idealisme gericht. De band met Oranje, toen losgemaakt, is thans bijna verbroken.” Voor de orangist Prins was dat een treurige conclusie: vrijwel alleen de liberale bovenlaag en de orthodoxie hield nu nog de aloude traditie van orangisme hoog. “De ontjoodschte Nederlander dreigt een onhollandsche Jood te worden. Want dat is wel zeker, de Hollandsche Jood is van oudsher de traditioneele Oranjeklant bij uitnemendheid.”

Tegelijkertijd liet de kritiek van Prins het succes zien van de socialistische beweging binnen de Joodse gemeenschap: Oranjekritiek mocht ten tijde van opperrabbijn Dünner nog verketterd worden, ze was in de vroege 20e eeuw inmiddels onder delen van de gemeenschap gangbaar geworden. Het kwam zelfs voor dat een chazzen-godsdienstonderwijzer in een Joodse gemeente weigerde om nog langer het ‘Hanoteen tesjoe’a’, het gebed voor het koninklijk huis te zeggen. In plaats van ontslag, werd het geaccepteerd en besloot een van de bestuursleden in zijn plaats maar het gebed voor te dragen.

Kritische cartoon van Johan Braakensiek over de wijze waarop de Amsterdamse sociaaldemocratische wethouders zich, ondanks hun anti-orangisme, laafden aan de Oranjezon bij het bezoek van koningin Wilhelmina aan Amsterdam in 1925. V.l.n.r. Floor Wibaut, Monne de Miranda en Eduard Polak. Foto: Collectie IISG

Wat echter Prins noch zijn socialistische tegenstanders konden bevroeden was dat er spoedig een tijd kwam waarin vrijwel alle Joden zich weer om de Oranjes schaarden, in een bijna wanhopige poging om verzekerd te blijven van hun burgerrechten. De jaren 1930 zouden leiden tot een intensivering van Joods orangisme, waarin alle traditionele geluiden nog éénmaal volop werden geuit.

Rond het thema van de Oranjes werden zo in de periode 1890-1940 de breuklijnen in de Joodse gemeenschap zichtbaar: tussen liberalen en socialisten, tussen orthodoxen en ‘seculieren’. Terwijl de Oranjes voor 1890 gefungeerd hadden als een symbool dat Joden van diverse pluimage verenigden in nationalisme en loyaliteit, was dat nu een spijtzwam geworden. Waar de één uitbundig Oranjefeesten vierde, schaarde de ander zich achter de rode vlag en zong vol overtuiging: “Ontwaakt verworpenen der aarde! Ontwaakt verdoemden in hongers sfeer!” 

Dit artikel verscheen eerder in NIW 21, 5777.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *