Dagboek

Geschiedenis zou zich zomaar weer kunnen herhalen!

Opperrabbijn Jacobs schrijft op verzoek van het Joods Cultureel Kwartier in zijn dagboek over maatschappelijke en religieuze zaken. In deze coronatijd worden extra uitdagingen gesteld aan zijn taak. Het NIW publiceert deze stukken twee keer per week.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs 20 september 2021, 14:15
Geschiedenis zou zich zomaar weer kunnen herhalen!

In de week voor Rosj Hasjana en de dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer gaan velen naar de graven van ouders en familie. En uiteraard was ik dus ook aanwezig op diverse begraafplaatsen om voor te gaan in de gebeden en woorden van inspiratie te spreken. Bij een van die samenkomsten stonden we met negen man, maar onverwacht verscheen een tiende, de minjeman. Om reden die verder niet relevant is voor mijn dagboek, kwam hij dus uit het niets aanstappen. Na afloop van de plechtigheid vertelde hij mij dat hij meer dan zestig jaar geleden ook gevraagd was om de minjeman te zijn voor de sjoeldienst op Jom Kippoer. Hij was net verloofd en een oom van zijn aanstaande vroeg hem om op Jom Kippoer naar sjoel te komen: hij zou de minjeman zijn. De toenmalige jongeman stemde in op voorwaarde dat de bijna nieuwe oom dan ook zijn bedrijf op Jom Kippoer zou sluiten. Maar dat was net te veel gevraagd. Oom kwam wel naar sjoel op Jom Kippoer en spoorde anderen aan om dat ook te doen, maar vergat dat de ander een dag inkomsten zou verliezen omdat hij een dag niet op zijn werk verscheen, terwijl oom-lief, directeur van een groot bedrijf en zeer vermogend, geen cent minder zou verdienen. Hoe het afliep? Verloofde en oom hielden beiden hun Joodse poot stijf en dus was er dat jaar geen minjan!  In onze vele sjoels anno 5782, was er dit jaar een goede opkomst op Jom Kippoer. Ietsje minder dan voor het corona-tijdperk, maar beduidend beter dan vorig jaar. Er zijn begrijpelijkerwijs toch mensen die extra voorzichtigheid betrachten en de sjoel nog net niet aandurven. In een gesprek met een van mijn trouwe (en ervaren) bestuurders spaken we over het herstel van het sjoelbezoek naar de voor-Coroniaansche tijden. Hoe krijgen we iedereen weer binnenboord? En zo kwam uiteraard ook de sjoeldienst op Simchat Thora (Vreugde der Wet) ter sprake en de daarbij behorende lunch. Op mijn opmerking dat we dan wel op een grote opkomst kunnen rekenen vanwege de maaltijd, regeerde hij met “Als de Joodse Gemeente alleen maar eten en drinken is, noem het dan een kantine.” Ik vond dat wel aardig gevonden van hem, hoewel voor mij geldt “Beter naar een koosjere kantine, dan ontbreken”. Uiteraard heeft het gedoe in Urk mij beziggehouden, maar daarover had ik al geschreven in mijn vorige dagboek. Het was in ieder geval wel verstandig van mij dat ik mijn toespraak, bij hoge uitzondering, op schrift had gezet, want ik werd door een lokaal dagblad volledig verkeerd geciteerd. Ik had aangegeven dat de burgemeester van Urk mij meteen een e-mail had gestuurd om excuus aan te bieden en ik had benadrukt in mijn toespraak dat de jongeren (hopelijk en naar ik aanneem) wellicht geen kwade bedoelingen hadden, maar zich niet realiseerden hoe gevoelig hun ‘spel’ kon overkomen. In dat geval, en überhaupt, moet er veel meer gedaan worden aan “educatie en opvoeding”. Vervolgens waarschuw ik voor het gevaar van vluchtelingen uit landen waar de jeugd met haat jegens Israël en Joden is opgevoed en benadruk dat ook daar in (her)opvoeding geïnvesteerd moet worden, om problemen in de toekomst te voorkomen. Het lokale dagblad had echter ‘gehoord’ in mijn woorden dat ik niet tevreden was met het excuus van de burgemeester. Knap hoor, dat een journalist in mijn woorden kan horen wat ik zeg (logisch!),  maar ook weet wat ik ‘denk’ (briljant!) en dus wist te vertellen dat ik A zei en B bedoelde. Hoe ik hierop ga reageren? Niet dus, want in dit soort situaties roep een reactie dan weer een tegenreactie op en werk ik mee aan verkwisting van mijn eigen tijd en aan het volmaken van de krant.

Dit wat betreft de laatste dagen. Ik vertrek dadelijk naar de Weesperstraat in Amsterdam om aanwezig te zijn bij de onthulling van de Namenwand. Er is veel te doen geweest over die Namenwand. Ik heb dat allemaal niet gevolgd, maar ik denk dat het een goede zaak is. Geen van de slachtoffers, waaronder zeer veel familieleden van mijn lieve ouders, hebben een grafzerk gekregen. Voor mijn gevoel nu dus wel. Maar los hiervan: het monument is een krachtige confrontatie, educatie, waarschuwing. Want, zoals ik tijdens mijn toespraak in Enschede bij de herdenking van de eerste razzia, vermeldde: geschiedenis zou zich zomaar weer kunnen herhalen!

Dit is een persoonlijk dagboek van de opperrabbijn en valt buiten de verantwoordelijkheid van de redactie.

Tags dit artikel heeft geen tags
Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *