Het meest Joodse spel

De Joodse dominantie van het schaakspel – of de schaaksport, zo u wilt – is verbluffend. Ruwweg de helft van de grootste schakers van de afgelopen anderhalve eeuw was Joods. Met een hoop denkwerk en een beetje geluk komt daar dit jaar een nieuwe wereldkampioen bij.
Bobby Fischer in actie tijdens de veertiende Schaakolympiade, Leipzig 1960  FOTO: BUNDESARCHIV
Bobby Fischer in actie tijdens de veertiende Schaakolympiade, Leipzig 1960 FOTO: BUNDESARCHIV

‘Sinds schaken zijn derde periode van glorie is begonnen, de periode waarin wij nu leven, heeft het Israëlitische element een dominantie gehad die in geen verhouding staat tot het aantal en de positie van de Joden,’ schreef de Franse meester Alphonse Goetz in 1918. “De activiteiten waarin de Israëlieten al zo lang uitblinken, zijn bekend via de kracht van atavisme: bankieren, de zakenwereld, industrie. In het schaken begon hun oppermacht zich nauwelijks twee generaties geleden te manifesteren. Sindsdien bleef die groeien en in kracht toenemen.”

Sinds die Joodse dominantie in de schaakwereld begon op te vallen, rond het begin van de vorige eeuw, is er druk gespeculeerd over het waarom. Denkwerk en studie, geboren uit de Joodse religieuze traditie en uit noodzaak: het gebrek aan mogelijkheden voor Joden in landbouw en ambacht. Het dreef hen de handel in, de advocatuur, de kunsten, de (medische) wetenschap. Is het schaakspel, met zijn haast kabbalistische obsessie met mathematische structuren, daar de logische uiting van als het om vrijetijdsbesteding gaat? Wat is er Joodser dan de boeken in duiken om via logica en intellectuele discipline uit te blinken in een strijd van de geest?

Op het schaakbord bestaat geen antisemitisme. Los van de vraag wie met wit speelt en dus mag beginnen, was er geen eerlijker plek waar Joden sinds de negentiende eeuw het konden opnemen tegen niet-Joden. En als u die psychologisering van de Joodse dominantie van het schaakspel te ver gaat, wat dacht u van deze?

Freud zag schaken als een verlengstuk van het oedipuscomplex

Sigmund Freud, niet het minst vooraanstaande lid van het oude volk, zag schaken als een verlengstuk van het oedipuscomplex: de dominante moeder (de koningin) die wordt ingezet om de vader (de koning) vast te zetten en tot overgave te dwingen. Sciencefictionschrijver en enthousiast schaker H.G. Wells – bekend van The time machine en War of the worlds – hield het op het subtiele vermogen van Joden relatieve winsten en verliezen te beoordelen.

Het nationale spel

Wat de precieze achtergrond ook is, de Joodse dominantie van het schaken in de afgelopen anderhalve eeuw – ruwweg de periode waarin georganiseerd wordt gespeeld – is niet te ontkennen. De helft van de wereldkampioenen tussen 1886, het jaar waarin de eerste officiële wereldkampioen werd gekroond, en de jaren negentig van de vorige eeuw was van Joodse afkomst (daarna werd de situatie onoverzichtelijker met verschillende bonden en kampioenen). Zeven van de dertien om precies te zijn. Van 1886 tot 1921 was elke wereldkampioen Joods en van 1948 tot 1995 was altijd ofwel de wereldkampioen ofwel zijn uitdager Joods, vaak beiden.

Deze dominantie zag je niet alleen in de absolute top, onder de wereldkampioenen en hun uitdagers. In de verschillende lijsten van de beste schakers ooit, is steevast ongeveer de helft Joods. Al in 1905 noemde het American Chess Bulletin schaken het Joodse ‘nationale spel’. Daarbij leek de nationaliteit van de Joodse schakers irrelevant: Joodse grootmeesters kwamen uit Rusland, uit Duitsland, uit het Oostenrijks-Hongaarse rijk, uit Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten. “Wat kan er nog meer gezegd worden om de bewering te staven dat in de schaakwereld de Jood onbetwist regeert?” vroeg de auteur van American Chess Bulletin zich meer dan een eeuw geleden al af.

Zou het spel zelf van oorsprong Joods zijn? Daarover kunnen we kort zijn: dat is het niet. Het schaakspel zoals wij dat vandaag de dag kennen, is een variant van het 1500 jaar oude chaturanga uit India, dat via Perzië en de islamitische wereld in de middeleeuwen in Europa belandde. Die Perzische episode is te zien in ons woord ‘schaak’, dat afgeleid is van sjah (‘koning’). Ook de term ‘mat’ komt uit die taal, waar het zoveel als ‘hulpeloos’ betekent. Dus hoewel er al verhalen zijn van rabbijnen die in de late middeleeuwen schaakten – en andere die het hun volgelingen afraadden of zelfs verboden – begint de Joodse geschiedenis van het spel tamelijk laat.

Toen de Joden eenmaal de smaak te pakken kregen, had de rest geen kans meer

De opkomst van het georganiseerde (toernooi)schaken viel ruwweg samen met de emancipatie van de Joden in Europa. En toen zij eenmaal de smaak te pakken kregen, had de rest geen kans meer.

Roekeloos

De grote naam van het negentiende-eeuwse schaken is Wilhelm Steinitz. In 1886 werd hij de eerste officiële wereldkampioen. Steinitz werd in 1836 in Praag geboren als de jongste van dertien kinderen van een Joodse kleermaker. Toen hij op zijn vijftigste in de Verenigde Staten zijn grote rivaal Johannes Zukertort (zie kader) versloeg en daarmee de eerste officiële wereldkampioen werd, had Steinitz er al een half schaakleven opzitten. Al in 1866 had hij de officieuze wereldkampioen verslagen, de Duitser Adolf Anderssen. Twintig jaar daarvoor had een andere Jood, de van oorsprong Duitse Brit Bernhard Horwitz al aan de titel gesnuffeld, maar hij kon niet op tegen landgenoot Howard Staunton. Nog eerder claimde de als rabbijn opgeleide Fransman Aaron Alexandre al de wereldtitel. Alexandre slaagde er wel in Staunton te verslaan, maar niet in een WK-wedstrijd. Geen titel dus voor hem, maar hij schreef wel het schaakstandaardwerk van die tijd, de Encyclopédie des échecs. Hij gebruikte daarin de algebraïsche notatie, die het schaakbord horizontaal van A tot H en verticaal van 1 tot 8 verdeelt. Deze notatie is sindsdien standaard in de schaakwereld.

Wilhelm Steinitz

Terug naar Steinitz, die zijn titel in 1891 bijna verloor aan een andere Jood, de Hongaar Isidor Gunsberg. Steinitz bracht een revolutie teweeg in het schaakspel: voor zijn tijd speelde iedereen roekeloos op de aanval. Steinitz kon dat prima, maar ontwikkelde gaandeweg een bedachtzamere, meer tactische stijl. Daarmee domineerde hij de schaakwereld 32 jaar lang in match-schaak (wedstrijden van meerdere partijen tegen één tegenstander, in tegenstelling tot toernooien). Steinitz’ tijdperk eindigde 1894 toen hij in de strijd om het wereldkampioenschap werd verslagen door – hoe kan het anders – een Jood, de Duitser Emanuel Lasker.

Lasker was zo goed dat hij zich weinig aantrok van heersende schaaktheorieën

Deze in 1868 geboren zoon van een chazan was al net zo dominant als zijn voorganger, die hij daarna ook in de revanchewedstrijd in 1896 versloeg.

Emanuel Lasker (tweede van links) en Wilhelm Steinitz (rechts) tijdens een toernooi in Sint-Petersburg, 1896 FOTO: BUNDESARCHIV

________________________________________

De baron Von Münchhausen van het schaken

Johannes Zukertort was Wilhelm Steinitz’ tegenstander in de eerste wereldkampioensmatch in 1886. Ondanks een vroege 4-1 voorsprong verloor Zukertort de wedstrijd uiteindelijk met 12½-7½. In 1872 had hij ook al van de wereldkampioen verloren, maar in de periode daarna eindigde hij bij verschillende toernooien hoger dan Steinitz. Hoewel Zukertort Joodse wortels had, had zijn vader zich tot het christendom bekeerd en was zendeling geworden, reden voor de familie vanuit Polen naar Pruisen te verhuizen. Johannes lijkt er een handje van gehad te hebben zijn avonturen, zowel op schaakgebied als erbuiten, wat dikker aan te zetten. Zijn moeder zou een Russische barones zijn, wat Zukertort waarachtig de baron Von Münchhausen van het schaken zou maken.

Naar eigen zeggen sprak hij negen talen vloeiend, zelfs veertien in andere versies. Als militair zou hij in talloze veldslagen heldhaftig gevochten hebben voor het Pruisische leger en als zelfverklaard meesterzwaardvechter de Orde van de Rode Adelaar, het IJzeren Kruis en minstens zeven andere medailles gewonnen hebben. Hij was een gevierd arts, journalist en succesvol schrijver van schaakboeken (dat laatste was tenminste deels waar). Zukertort beweerde meer dan zesduizend partijen tegen de Duitse meester Adolf Anderssen gespeeld te hebben. Bovenal weigerde Johannes Zukertort te accepteren dat Steinitz de superieure schaker van de twee was.

Deze anekdote spreekt boekdelen: toen tijdens een feestelijk diner een dronk werd uitgebracht op de grootste schaker ter wereld, stond Steinitz op om deze eer in dank te aanvaarden. Tot zijn verbazing – en ongetwijfeld die van de andere gasten – stond echter ook Zukertort op, ervan uitgaande dat hij het was die met die woorden werd bedoeld.

________________________________________

Levenslange vriendschap

Lasker was zo goed dat hij zich weinig aantrok van heersende schaaktheorieën. Hij kende ze wel, maar besloot steevast zijn eigen weg te volgen. Latere theoretici hebben aangetoond dat hij daar doorgaans gelijk in had. Lasker was een briljant wiskundige, bridge- en go-speler en ontwikkelde een eigen variant op het dammen, lasca. Hij verdedigde na de rematch tegen Steinitz zijn titel succesvol tegen vier uitdagers, onder wie drie Joden: de Duitser Siegbert Tarrasch, de Oostenrijker Carl Schlechter en de Poolse Fransman Dawid Janowski. Pas in 1921 verloor Lasker zijn titel, wat hem de langst regerende wereldkampioen uit de geschiedenis maakt. Zijn opvolger was de twintig jaar jongere Cubaan José Raúl Capablanca, die daarmee de niet-Joodse periode in het wereldkampioenschap inleidde.

Emanuel Lasker, 1933 FOTO: BUNDESARCHIV

Dat tijdperk werd gedomineerd – onderbroken door een kort intermezzo onder de enige Nederlandse wereldkampioen Max Euwe (niet-Joods) – door de Russisch-Franse grootmeester Alexander Aljechin. Geen Jood, maar deze anekdote mag u niet onthouden worden: in 1943 speelde Aljechin een simultaanpartij in Praag. Een van zijn tegenstanders was een SS-officier. Na een betrekkelijk korte partij gaf de SS’er op omdat hij zijn positie als verloren inschatte. “Speel door,” zei de grootmeester, draaide het bord om en versloeg de Duitser vanuit diens eigen verloren positie. Toen de SS’er opnieuw opgaf, draaide Aljechin het bord voor de tweede maal om en … won opnieuw. Overigens werd de wereldkampioen na de oorlog beschuldigd van antisemitisme omdat hij in bezet Frankrijk met de Duitsers zou hebben samengewerkt, maar zijn levenslange vriendschap met Joodse spelers en zijn vierde huwelijk met Grace Wishaar, een schaakster en kunstenares van Joodse afkomst, lijken hiertegen te spreken.

________________________________________

Een spel voor mannen?

Ondanks de grote populariteit van de Netflixserie The queen’s gambit (Het damegambiet), waarin een Amerikaanse het succesvol opneemt tegen de beste schakers ter wereld, hebben vrouwen tot nu toe geen bres kunnen slaan in het mannenbastion dat het schaakspel al eeuwen is. Slechts drie vrouwelijke spelers hebben ooit de top honderd van de FIDE-wereldranglijst weten te bereiken. Natuurlijk is de verreweg beste schaakster aller tijden Joods. De Hongaarse Judit Polgár was zelfs zo goed dat zij professioneel met de mannen meespeelde en daarom nooit wereldkampioen bij de vrouwen werd, anders dan haar oudere zus Susan (er is nog een derde schakende Polgár, internationaal meester Sofia).

De in 1976 geboren Judit Polgár is de enige vrouw die ooit kans heeft gemaakt op een match om het wereldkampioenschap en de enige die ooit de top tien van de wereld ranglijst heeft gehaald: zij stond achtste in 2005. In 1991 behaalde zij als jongste speler ooit de grootmeestertitel, waarmee zij het record van Bobby Fischer verbrak. Vijfentwintig jaar lang, van 1989 tot 2014, was zij de hoogstgeplaatste vrouwelijke speler ter wereld. Toch was het ook voor haar niet gemakkelijk serieus te worden genomen in het mannenwereldje van de topschakers. Oud-wereldkampioen Garry Kasparov zei over Polgár: “Ze heeft een geweldig talent, maar zij is uiteindelijk slechts een vrouw.” Later zou Kasparov deze woorden terugnemen, waarschijnlijk omdat Polgár hem inmiddels al eens verslagen had. Dat deed zij trouwens op enig moment met liefst zeven wereldkampioenen.

________________________________________

Paranoia

Na Aljechins dood in 1946 brak het Sovjettijdperk in het schaken aan. Of beter gezegd, het Sovjet-Joodse tijdperk.

Tussen 1948 en 1961 waren alle wereldkampioenen én uitdagers Joden uit de Sovjet-Unie

Tussen 1948 en 1961 waren alle wereldkampioenen én uitdagers Joden uit de Sovjet-Unie. De eerste kampioen na de Tweede Wereldoorlog was de in een tandartsenfamilie geboren Michail Botwinnik. De Sovjetkampioen won het sterk bezette toernooi om de vacante titel dat in 1948 in Den Haag en Moskou werd gehouden. Van de vijf spelers die aan dit toernooi deelnamen, waren er drie Joods: twee Russen en het Pools-Amerikaanse voormalige wonderkind Samuel Reshevsky. Botwinnik won het toernooi ruim en kroonde zich daarmee tot de zesde officiële wereldkampioen. Hij verdedigde zijn titel succesvol tegen Vasili Smyslov, David Bronstein (beiden Joods), en opnieuw Smyslov, voordat deze laatste Botwinnik in 1957 onttroonde – enkel om een jaar later het wereldkampioenschap te heroveren.

Het achtjarige talent Samuel Reshevsky speelt een simultaanpartij tegen volwassen meesters, 1919

David Bronstein was Botwinniks uitdager in 1951. In de wedstrijd van 24 partijen stond hij twee partijen voor het einde voor, maar uiteindelijk eindigde de serie 12-12, waardoor regerend kampioen Botwinnik zijn titel behield. Het zou Bronstein enige kans op de titel blijken. Volgens velen kwam dit doordat de Sovjetautoriteiten hem tegenwerkten. Zijn persoonlijkheid zou te open zijn, te ‘westers’ en daarom in de paranoia van de Stalinjaren verdacht. Bovendien kwam hij uit de Oekraïne, de regio die volgens de Sovjetautoriteiten te veel met de nazi’s had gecollaboreerd. Dat hij dezelfde achternaam droeg als Stalins rivaal Trotski – geboren als Lev Bronstein – zou ook tegen hem gewerkt hebben. Dat antisemitisme een rol zou hebben gespeeld, lijkt minder aannemelijk, want de speler die Botwinnik uiteindelijk van de troon zou stoten, was uiteraard ook een Jood; eentje uit Letland ditmaal.

Michail Tal was een van de briljantste spelers uit de geschiedenis. De ‘Magiër van Riga’ speelde creatief, verrassend en won begin jaren zeventig liefst 95 partijen op rij, een record op dat moment. Toch verloor hij zijn in 1960 veroverde titel een jaar later alweer tegen de hardnekkige Botwinnik. Tal leed aan een nieraandoening en zijn artsen raadden hem aan de match uit te stellen, maar Tal was ervan overtuigd dat hij ook ziek goed genoeg was om de 25 jaar oudere Botwinnik te verslaan. Uiteindelijk verloor deze in 1963 de titel eindelijk aan een niet-Jood, de Armeniër Tigran Petrosian. Al was die wel angejiddeld: Petrosian was met een Joodse vrouw getrouwd.

Onmenselijk

In 1969 wisselde de wereldtitel opnieuw van eigenaar. De nieuwe kampioen heette Boris Spasski en hoewel het gerucht ging dat zijn moeder Joods was, ontkende hij dat zelf fel. Sterker nog, de in 1937 geboren Spasski ondertekende in 2005 een manifest dat de Russische autoriteiten opriep alle Joodse organisaties in dat land te verbieden. Zij zouden een verborgen genocidecampagne tegen het Russische volk voeren en zich schuldig maken aan rituele moord. Het Joodse geloof zou ‘onmenselijk’ zijn. En tegen wie kan een Russische nationalist die De protocollen van de wijzen van Zion op zijn nachtkastje heeft liggen, het beste zijn wereldkampioenschap verliezen? Inderdaad, tegen een Amerikaanse Jood.

Zo geschiedde. In 1972 had Spasski de pech zijn titel te moeten verdedigen tegen de misschien wel briljantste speler uit de schaakgeschiedenis: Robert James Fischer. ‘Bobbie’, geboren op 9 maart 1943 in Chicago, vestigde de aandacht van de internationale schaakwereld op zich door op dertienjarige leeftijd in een partij tegen de Amerikaanse grootmeester Donald Byrne zijn dame te offeren en vervolgens Byrne volledig van het bord te vegen. De schaakpers doopte de wedstrijd ‘de partij van de eeuw’ en Fischers reputatie was gevestigd. Veertien jaar oud werd hij de jongste Amerikaanse kampioen en op zijn vijftiende was hij de jongste speler ooit die de titel grootmeester verwierf.

Publiciteitsstunt

In de aanloop naar het wereldkampioenschap verpulverde Fischer zijn concurrenten, inclusief ex-kampioen Petrosian. Over de in IJsland gespeelde serie tegen Spasski zijn talloze boeken geschreven en documentaires gemaakt: Fischers steeds vreemdere gedrag (bij één partij kwam hij niet eens opdagen), zijn telkens veranderende eisen en zijn groeiende paranoia zijn voer voor psychologen, maar zijn superioriteit als schaker staat buiten kijf. In de zesde partij speelde Fischer zo goed, dat de uittredende wereldkampioen na zijn opgave opstond en applaudisseerde voor zijn tegenstander. Uiteindelijk won Fischer de match met 12½ – 8½ en maakte een einde aan 24 jaar onafgebroken Sovjetdominantie. De titel was terug in Joodse handen.

Hoewel, een van de excentrieke trekjes van Bobby Fischer was de ontkenning van zijn identiteit, ofschoon zowel zijn moeder als zijn biologische vader Joods waren. Al in de jaren zestig schreef Fischer woedende brieven aan media die het waagden hem Joods te noemen.

Bobby Fischer raakte geobsedeerd door Adolf Hitler

Het ging van kwaad tot erger: Fischer raakte geobsedeerd door Adolf Hitler – en niet op een gezonde, kritische wijze – en begon de Holocaust te ontkennen. Hij geloofde heilig in complottheorieën over Joden die de VS beheersten en schreef in 1999 zelfs dat het tijd werd ‘willekeurig Joden te gaan doden’. Al direct na het veroveren van de wereldtitel in 1972 was Fischer uit de openbaarheid verdwenen. In 1992 keerde hij terug, na een hiaat in wedstrijdschaak van twintig jaar, voor een schandalige revanche tegen Spasski voor de wereldtitel. Uiteraard werd deze wedstrijd door niemand erkend of serieus genomen. Het was niet meer dan een goedkope publiciteitsstunt van de Servische regering, die op dat moment een internationale paria was vanwege de oorlog in het voormalige Joegoslavië. Fischer speelde goed en won, maar Spasski was op dat moment nauwelijks nog een top-100-speler, en dus werd Bobby’s overwinning nauwelijks serieus genomen. Robert James Fischer stierf op 17 januari 2008 in IJsland, het land waar hij zijn grootste triomf had behaald.

________________________________________

En verder …

Juist omdat de Joodse dominantie in het schaken altijd zo groot was, richt dit artikel zich noodgedwongen vooral op wereldkampioenen en hun uitdagers. Er zijn natuurlijk veel meer Joodse schaakgrootheden geweest. Alleen al de Sovjet-Unie leverde na de Tweede Wereldoorlog de ene Joodse topschaker na de andere af, zoals Efim Geller (1928-1998), Leonid Stein (1934-1973) en Lev Poloegajevski (1934-1995). Mede door de moordende concurrentie in eigen land kreeg dit getalenteerde trio nooit de kans voor de wereldtitel te schaken.

Schaakliefhebbers zullen andere Joodse meesters kennen omdat er openingsvarianten naar hen zijn genoemd. Denk aan de Letse Deen Aaron Nimzowitsch (1886-1935), die zijn naam gaf aan de Nimzo-Indische opening. Of de Slowaak Richard Réti, bekend van de gelijknamige opening. Of de Poolse Argentijn Miguel (eigenlijk: Mosje, 1910-1997) Najdorf, naar wie de Najdorfvariant van de Siciliaanse verdediging is genoemd, ook wel bekend als de Rolls-Royce van de schaakopeningen. Of de nu 99 jaar oude Rus Yuri Auerbach, die de varianten van liefst drie verschillende openingen naar zich vernoemd zag. Een greep uit meer naar Joodse schakers genoemde openingen levert onder vele anderen de Tarraschverdediging op, de Alapinopening, het Blumenfeldgambiet en de Furmanvariant.

Verschillende Joodse grootmeesters worden beschouwd als ‘de grootste schaker die nooit wereldkampioen werd’. Onder hen de als Rus geboren en later voor Zwitserland spelende Viktor Kortsjnoi (1931-2016) die tweemaal tegen Anatoli Karpov speelde om de wereldtitel, waarbij de Sovjets alles uit de kast trokken – tot aan een door de KGB betaalde hypnotiseur toe – om te voorkomen dat de dissident Kortsjnoi zijn Sovjettegenstander zou verslaan. Een andere grote naam die het net niet redde – maar dan door domme pech – was de in Polen geboren Belg Akiba Rubinstein (1880-1961). Zijn titelstrijd tegen Emanuel Lasker was in kannen en kruiken en zou in oktober 1914 plaatsvinden. U begrijpt, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten en Rubinstein zou na de oorlog nooit meer een tweede kans krijgen.

________________________________________

Grootste aller tijden

Op het moment dat Fischer zijn controversiële revanchewedstrijd met Spasski speelde, had de schaakwereld alweer een andere Joodse kampioen: Garry Kasparov, de eerste na Fischer. Tussentijds had de Joodse Viktor Kortsjnoi als uitdager verloren van wereldkampioen Anatoli Karpov, maar Kasparov wist de kampioen in 1985 wél te verslaan.

De Armeens-Joodse Kasparov wordt beschouwd als grootste schaker aller tijden

Dat trucje herhaalde hij in de vijf daaropvolgende jaren viermaal. Kasparov, geboren in Azerbeidzjan als Garri Weinstein, wordt door velen beschouwd als de grootste schaker aller tijden. Hij was in ieder geval de jongste wereldkampioen ooit: 22 jaar oud bij zijn eerste overwinning op Karpov. Kasparov domineerde het internationale schaken ruwweg tot de eeuwwisseling, al kwam het door conflicten tussen spelers en bonden in de jaren negentig tot een situatie die aan de bokswereld doet denken, met concurrerende organisaties en tegelijkertijd regerende wereldkampioenen.

In deze onoverzichtelijke periode won de Rus Alexander Khalifman de titel van de FIDE-wereldschaakbond, terwijl Kasparov nog kampioen was van de Professional Chess Association, waardoor er zelfs even twee Joodse wereldkampioenen waren. Gelukkig is er sinds 2006 weer gewoon één officiële kampioen, al is dat sindsdien geen Jood meer geweest (de Russische Israëli Boris Gelfand was wel onsuccesvol uitdager). Maar niet getreurd, met een beetje geluk zit er een opvolger voor Steinitz, Lasker, Botwinnik, Smyslov, Tal, Fischer en Kasparov aan te komen. Van 24 november tot en 16 december mag de dan 31-jarige Russische Jood Ian Nepomniachtchi, de nummer vier van de wereldranglijst, het opnemen tegen de speler die de afgelopen acht jaar de schaakwereld regeerde: de ook pas dertig jaar oude Noor Magnus Carlsen. Het schaken wordt niet meer zo door Joodse spelers gedomineerd als honderdvijftig, honderd of vijftig jaar geleden het geval was. Maar een titel voor Nepomniachtchi zou in ieder geval bewijzen dat het Joodse volk zijn ‘nationale spel’ nog niet is verleerd.

Het artikel verscheen eerder in het NIW36 van 2 juli 2021

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Sport

Het meest Joodse spel

No data was found