Het enige wat niet middeleeuws lijkt aan de Talibanstrijders die door Kaboel trekken, zijn hun automatische wapens van Russische, Amerikaanse en Chinese makelij. Hun razendsnelle opmars naar de Afghaanse hoofdstad doet denken aan het gemak waarmee hun ideologische broeders van IS grote delen van Irak en Syrië onder de voet liepen. Dat is niet de enige overeenkomst: de Taliban, een meervoud dat letterlijk ‘studenten’ betekent, delen de haat van de jihadi’s in het Midden-Oosten tegen vrouwen, homoseksuelen en alle andersdenkenden die weigeren hun extreme en barbaarse versie van de islam aan te hangen. En hun afkeer van cultuur, vooral wanneer deze niet strikt van islamitische oorsprong is.
Dat doet weinig goeds vermoeden voor de laatste resten Joods erfgoed in het land. Hoewel het tegenwoordig moeilijk voor te stellen is, kende Afghanistan ooit een bloeiende Joodse gemeenschap. De Joodse geschiedenis van het land gaat mogelijk meer dan 2700 jaar terug naar de Assyrische ballingschap, maar in ieder geval bijna 2600 jaar, tot de vernietiging van de Eerste Tempel en de Babylonische ballingschap. Volgens Omar Sadr, onderzoeker aan de Amerikaanse Universiteit van Afghanistan – in ieder geval tot vorige week – woonden er al Joden in het gebied toen de Perzische koning Cyrus het veroverde, halverwege de zesde eeuw voor de gewone jaartelling. De Pathanen, de grootste bevolkingsgroep in Afghanistan en leverancier van het gros van de Talibanstrijders, zouden zich zelfs als een van de tien verloren stammen van Israël beschouwen.
Bloeiende kehilot
Na de verovering door de moslims van Chorasan, zoals de regio in de middeleeuwen heette, beschreven talloze islamitische kroniekschrijvers de Joodse gemeenschappen. In de achtste eeuw werd gewag gemaakt van een zekere Akiva, die belastingontvanger was in de oase Merv, aan de rand van de Karakumwoestijn. In het centraal gelegen Ghor zijn Joodse graven gevonden die dateren uit het midden van de achtste eeuw. Kaboel, de huidige Afghaanse hoofdstad, had een Joodse wijk in de middeleeuwen, de Mahall-i-Yahudiya, waarvan de poort werd gesloten bij zonsondergang en weer geopend als zon opkwam – een ook in Europa bekend fenomeen.

Nog belangrijker als Joods centrum was Ghazni, zo’n 150 kilometer ten zuiden van Kaboel, waar volgens de rabbijn, filosoof en dichter Mozes ibn Ezra uit Granada in het jaar 1080 liefst veertigduizend van zijn geloofsgenoten leefden. De Spaans-Joodse reiziger Benjamin van Tudela ging een eeuw later de zaak van dichterbij bekijken, al kwam hij niet verder dan wat nu Irak is. Tudela verdubbelde Ibn Ezra’s schatting: “Ghazni, de grootse stad aan de rivier de Gozan, waar zo’n tachtigduizend Joden zijn.” Zelfs rekening houdend met wat dichterlijke overdrijving van deze middeleeuwse chroniqueurs blijft het beeld bestaan van overal door het huidige Afghanistan verspreide bloeiende kehilot (zie ook het kader ‘Stad der profeten).
Zwarte tulband
De Mongoolse invasie was verwoestend voor Chorasan en zijn Joodse gemeenschappen. Het duurde eeuwen voordat deze zich weer enigszins hadden hersteld. Dat gebeurde vooral in het West-Afghaanse Herat, gelegen aan de zijderoute. De gemeenschap daar kreeg in de negentiende eeuw een belangrijke impuls door de vlucht naar de stad van honderden Joodse gezinnen uit Perzië, waar een campagne van gedwongen bekeringen werd gevoerd. In die tijd was Afghanistan zo goed als afgesloten van de buitenwereld, waardoor de traditionele banden met de rest van de diaspora waren afgesneden. Logisch dat de gebruiken van Afghaanse Joden steeds sterker op die van moslims begonnen te lijken: vaak waren Joodse mannen alleen nog te onderscheiden door hun zwarte tulband, volgens sommige historici een herinnering aan de vernietiging van de Tempel.



In de jaren dertig van de twintigste eeuw voerden koning Mohammed Nadir Shah en – na zijn gewelddadige dood in 1933 – zijn zoon Mohammed Zahir Shah een felle antisemitische campagne. Joden die na de revolutie uit Rusland waren gevlucht, werden zonder pardon teruggestuurd of gedeporteerd naar China. Afghaanse Joden werden in hun bewegingsvrijheid beperkt, uitgesloten van bepaalde beroepen en moesten herkenbare kleding dragen. Pas halverwege de twintigste eeuw trad Afghanistan uit zijn isolatie. Op dat moment leefden er waarschijnlijk zo’n tienduizend Joden in het land, al lopen de schattingen sterk uiteen: van 4- tot 40 duizend. De meerderheid woonde in Herat en Kaboel. Elke uiting van zionisme was verboden in Afghanistan, maar vanaf 1951 kregen de Joden toestemming te vertrekken. Opvallend was dat zij, anders dan in andere islamitische landen, daarbij niet hun Afghaanse nationaliteit verloren. De schaarse achterblijvers werden vrijgesteld van de dienstplicht, maar moesten wel een speciale belasting betalen.
________________________________________
Stad der profeten
Balkh, in het uiterste noorden van Afghanistan, was een zeer vroeg centrum van Joodse cultuur en religie. De stad zou in de zesde eeuw vdgj zijn gesticht door de Babylonische koning Nebukadnezar II, bijgenaamd de Grote, de verwoester van de Eerste Tempel in Jeruzalem. Nebukadnezar zou in Balkh een belangrijke groep Joodse ballingen gevestigd hebben. De profeet Jeremia zou naar de stad zijn gevlucht en Ezechiël zou er zijn begraven. Volgens de tiende-eeuwse Perzische historicus Al-Tabari zou een andere Joodse profeet, slechts bekend onder de letters S-M-Y, er in religieuze discussies zijn getreden met niemand minder dan Zarathoestra, de grondlegger van de grote Perzische religie, het zoroastrisme.
Balkh had in de middeleeuwen een Bab al-Yahud (‘poort van de Joden’) en de invloed van het oude volk was er zo groot dat de stad de bijnaam Al-Yahudiya (‘het jodendom’) en zelfs Al-Yahuddan al-Kubra (‘het grote jodendom’) verwierf. De islamitische meesters van de stad waren hier begrijpelijk weinig gelukkig mee, dus werd de bijnaam veranderd in Al-Mayadan, de voorspoedige. De Joodse gemeenschap in Balkh bloeide onder de islam totdat in de dertiende eeuw de Mongolen haar met de grond gelijk maakten en de gehele bevolking – moslim én Jood – over de kling joegen.
Bron: Jewish Virtual Library
________________________________________
Pessimistisch
Na de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en zijn Arabische buurlanden waren er slechts enkele honderden Joden over in Afghanistan. Die vertrokken bijna allemaal na de invasie door de Sovjets in 1979. Daarna was het een kwestie van tientallen.
Bij de overname door de Taliban bleven er twee Joden over in het land
Toen de Taliban in 1996 de macht in het land overnamen, bleven slechts twee Joden over in het hele land: Ishaq Levin en Zablon Simantov (zie kader ‘Koppig tot het einde’). Afgezien van deze twee waren de enige Joden die deze eeuw in het land te vinden waren Amerikaanse soldaten of militairen van de internationale troepenmacht, die na de aanslagen in New York van 11 september 2001 streden tegen de Taliban en andere islamitische extremisten.
________________________________________
Koppig tot het einde
Hij is een oude bekende van de NIW-lezer en inmiddels een internationale beroemdheid: Zablon Simantov, de laatste Afghaanse Jood. De 61-jarige handelaar in juwelen en tapijten werd geïnterviewd door media uit de gehele wereld, waarvoor hij zich goed liet betalen. In april kondigde de in Herat geboren Simantov aan dan toch Afghanistan te verlaten, nadat bekend werd dat de Amerikanen zich zouden terugtrekken. Zablon Simantov zag onder de terugkerende Taliban geen toekomst voor zich in zijn geboorteland en liet weten naar de Joodse staat te vertrekken: “Ik zal op de Israëlische televisie bekijken wat er in Afghanistan gebeurt.”
Maar nu het zover is en de Taliban heer en meester zijn over vrijwel het gehele land, lijkt Simantov zich bedacht te hebben. Niemand lijkt precies te weten waar Simantov – die de afgelopen jaren in Kaboels laatste synagoge woonde – nu is, maar een Indiase nieuwszender zou met hem gesproken hebben, waarbij de laatste Jood van Afghanistan zei in het land te zullen blijven. Dat is opvallend, want eerder verklaarde Simantov dat hij onder het eerste regime van de Taliban (1996-2001) opgepakt was omdat de islamisten hem als een afvallige beschouwen en hem wilden bekeren. In 2000 zou een talib zijn tora gestolen hebben.
Sarvan
Voelt Simantov zich ditmaal veiliger? Een woordvoerder van de Taliban in Qatar, Suhail Shaheen, liet vorige week weten dat de Jood niets te vrezen heeft. Shaheen deed dat zonder het te weten tegenover het Israëlische Kan-nieuws; de journalist die hem interviewde, had om voor de hand liggende redenen zijn nationaliteit verzwegen. De Taliban proberen zich nu voor te doen als een minder extremistische versie van de fundamentalisten die in 1996 Afghanistan onder de voet liepen en een waar schrikbewind voerden onder de bevolking. Maar kenners zijn sceptisch over de zogenaamd mildere ‘Taliban 2.0’. Berichten over arrestaties, mishandelingen en executies van regimetegenstanders sijpelen nu al het land uit en ook de houding tegenover vrouwen lijkt als twee druppels water op die uit de jaren negentig. Misschien heeft Zablon Simantov een heel andere reden om niet naar Israël te willen vertrekken. In de Joodse staat wachten hem juridische problemen omdat hij al twintig jaar weigert zijn uitgeweken vrouw een get, een echtscheiding te geven. Simantovs vrouw is een van de agoenot, de geketende vrouwen, die geen get krijgen van hun man en dus niet kunnen hertrouwen. Tien jaar geleden al probeerde Pinchas Goldschmitt, voorzitter van de Conferentie van Europese Rabbijnen, de Afghaan over te halen van zijn vrouw, die nabij Tel Aviv woont, te scheiden.
‘O, zij? Ik ben klaar met haar’
Maar Simantov zou hebben geweigerd met de woorden: “O, zij? Ik ben klaar met haar.” Als de Afghaanse Jood naar Israël zou vertrekken, kan hem daar een gevangenisstraf wachten als hij door een rabbinale rechter tot sarvan (recalcitrante echtgenoot) wordt verklaard.
Vete
Enige recalcitrantie is Zablon Simantov inderdaad niet te ontzeggen. Daarvan getuigt zijn vete met Ishaq Levin, tot zijn dood in 2005 de op een na laatste Jood van Afghanistan. De twee woonden beiden in de synagoge van Kaboel, maar spraken daar alleen met elkaar in scheldwoorden en verwensingen. Zij beschuldigden elkaar bij de Talibanautoriteiten over en weer van criminele activiteiten, waarna beiden werden opgepakt. Maar in de gevangenis bleef het tweetal elkaar zo naar het leven staan dat de wanhopige Taliban besloten niets meer met hen te maken te willen hebben … en beide Joden vrijlieten.
Zelfs als de nieuwe Talibanmachthebbers die houding tegenover Simantov overnemen, is het maar de vraag of hij het erg naar zijn zin zal hebben in het nieuwe Afghanistan. De laatste Jood van het land liet zich voor zijn interviews behalve in geld ook met alcohol betalen door westerse journalisten. De kans dat de fundamentalisten dat zullen toestaan, is bijzonder klein. Wat misschien goed nieuws is voor mevrouw Simantov.
________________________________________
Er is weinig over van de ooit zo trotse Joodse cultuur van Chorasan. Wie zich de razende vernielingswoede van de IS-terroristen in de archeologische schatkamer Palmyra in Syrië of de musea van Mosul in Irak herinnert, kan niet anders dan pessimistisch zijn over het lot van bijvoorbeeld de Yu Aw-synagoge in Herat of de Joodse begraafplaats in diezelfde stad. Vooral wanneer in herinnering wordt geroepen hoe de Taliban zelf een van de grootste culturele schatten van hun land, twee in een rotswand in de Bamiyanvallei uitgehouwen staande Boeddhabeelden van 55 en 38 meter hoog, verwoestten. In maart 2001 bliezen de fundamentalisten de twee beelden uit de zesde eeuw op met dynamiet. Wacht de Yu Aw-synagoge eenzelfde lot, nu de Taliban de macht in het land weer naar zich hebben toegetrokken?
Misschien niet. Want diezelfde extremisten bleken in 2001 een belangrijke Joodse cultuurschat bewaard te hebben, zij het uit het zicht van de buitenwereld. In de grotten in het oosten van Afghanistan, waar de Talibanstrijders zich in 2001 verborgen voor het oprukkende Amerikaanse leger, werden duizenden Joodse documenten gevonden.

Deze ‘Afghaanse geniza’, zoals de schat werd gedoopt, bevat papieren die een ongekende blik werpen op het Joodse leven in de elfde eeuw. In het Hebreeuws, het Aramees, het Arabisch en het Judeo-Perzisch – een unieke, in Hebreeuwse letters geschreven Joodse taal van die tijd. Het is mogelijk dat de Taliban in de grotten niet eens wisten wat zij in handen hadden, maar misschien mag juist die onwetendheid enigszins tot optimisme stemmen.
Het artikel verscheen eerder in het NIW42 van 27 augustus 2021