Maandag was ik wederom in de residentie van de ambassadeur van Duitsland aan de Lange Vijverberg in Den Haag. Nu niet voor koning Willem-Alexander, niet voor de bondspresident van Duitsland, maar voor Paul Joseph, voorzitter van het ressort Nederland-Midden, voormalig voorzitter van de centrale commissie van het NIK, voormalig voorzitter van de Joodse Gemeente Bussum en nog een aantal bestuursfuncties die me wellicht al schrijvend aan dit dagboek te binnen schieten. Hem is een hoge onderscheiding ten deel gevallen vanwege zijn inzet op educatief gebied in Duitsland alwaar hij sinds jaar en dag scholen bezoekt om de jeugd deelgenoot te maken van hetgeen hem in de Holocaust is aangedaan.
“De Orde van Verdienste wordt toegekend aan Duitse en buitenlandse burgers voor politieke, economische, sociale en intellectuele verdiensten, alsook voor alle bijzondere diensten aan de Bondsrepubliek Duitsland, zoals op sociaal en charitatief gebied. Het is de enige algemene verdienstorde in Duitsland en daarmee de hoogste erkenning die de Bondsrepubliek verleent voor diensten aan het algemeen belang”. De tekst vervolgt dan: “Aan de toekenning van de Orde van Verdienste is geen geldprijs verbonden” en dat vind ik dan weer jammer, want ik had nog wel een paar projecten in mijn gedachten die een tiende van het grote geldbedrag dat Paul Joseph had kunnen ontvangen, goed hadden kunnen gebruiken. Mais non, helaas. Maar desondanks mag Joods Nederland trots zijn met deze onderscheiding. Blouma en ik voelden ons bijzonder vereerd dat we ons mochten rekenen tot het selecte gezelschap genodigden.
Het was overigens niet het eerste Paul Josephfeestje dat wij aanwezig waren. Toen Paul de tachtigjarige leeftijd bereikte, en dat is alweer heel wat jaartjes geleden, waren wij ook aanwezig en dat was bijzonder. Bijzonder? Ja, bijzonder! Ik leg het uit: wij Nederlanders zijn erg goed in het oprichten of in stand houden van complexe organisatiestructuren onder het motto van ‘waarom eenvoudig doen als het ook ingewikkeld kan?’. Traditioneel Joods Nederland heeft qua ledental de grootte van een small community in Engeland. En dus zou het passend zijn als we in Nederland één opperrabbinaat en één bestuur zouden hebben en een aantal lokale sjoelcommissies. In plaats daarvan beschikken we over een permanente commissie, daaronder een centrale commissie, waarvan Paul dus jarenlang de voorzitter was en nog steeds deel uitmaakt (tot honderdtwintig, wensen we hem toe). Onder deze koepelorganisatie bevinden zich vijf ressorten met een ressortaal bestuur en in ieder ressort zijn dan weer de lokale Joodse gemeenten die veelal beschikken over een dagelijks bestuur en een raad. Onder die raad treffen we dan diverse commissies die de dagelijkse taken uitvoert waaraan een gemeente behoefte heeft en ten slotte vinden we dan onder die commissies eindelijk de leden.
In de halve eeuw dat Blouma en ik Joods Nederland mogen dienen, hebben we al diverse mislukte pogingen meegemaakt die tot doel hadden om Joods Nederland te bevrijden van een overdosis aan bestuurlijke lagen, maar tot op heden zonder resultaat. Bij de laatste poging die van de vier ressorten één ressort wilde maken, liep er iets helemaal mis. Mijn ressort, dat het Interprovinciaal Opperrabbinaat heette, werd al ruziënd in twee ressorten gesplitst: Ressort Nederland-Midden en Ressort Mediene. Een van de bestuurlijke splitsers was, u raadt het al, onze Paul die dan ook meteen tot voorzitter werd benoemd van Nederland-Midden. Hoewel ik mij als rabbijn niet met bestuurlijke aangelegenheden hoor te bemoeien (maar daar ben ik niet zo goed in!) en die splitsing in mijn ressort mijns inziens overbodig was, vond die splitsing wel zijn doorgang en werd ik automatisch de opperrabbijn van twee ressorten in plaats van gewoon één. Paul Joseph en mijn persoontje stonden in deze kwestie tegenover elkaar. Het leek erop dat ressort-voorzitter en opperrabbijn gebrouilleerd waren, want we verschilden van mening. Maar desondanks, en dat is helaas in Joods Nederland een unicum, werden Blouma en ik natuurlijk wel voor zijn tachtigjarig feestje uitgenodigd en natuurlijk hebben we acte de présence gegeven. Tegenover elkaar staan, maar desondanks de vriendschap behouden, geeft de verhouding weer tussen Bestuurlijk-Joseph en Rabbinaal-Jacobs! Dank beste Paul voor onze jarenlange vriendschap en je steun, ook als je het niet met me eens bent.
Gisteren was een dag van bemoedigingen ontvangen en uitdelen. In de ochtend hadden mijn zoon Yanki en ik in onze hoofdstad een ontmoeting met een topper uit de Nederlandse politieke samenleving. Wat bedoeld was als een ontmoeting werd geheel onverwacht een gratis buitengewone spoedcursus ‘omgang met bestuurlijke complexe structuren’. Een en al bemoediging. In de middag was het precies andersom. Ik bevond mij in Leusden op de politieschool naast Kamp Amersfoort. Het Team Bewaken Beveiligen Midden-Nederland was bijeengekomen. Dat heeft onder meer tot taak Joodse gebouwen, huizen en begraafplaatsen te beschermen. Aan mij was het hen te bemoedigen, te danken voor hun inzet maar vooral uitleg te geven over de structuur van Joods Nederland. Maar niet alleen over structuur, ook over Joden als individu, over interne diversiteit en over lotsgebondenheid. Het werd een mooi gesprek met goede vragen, schurende opmerkingen en bovenal: wederzijds vertrouwen.
En toen aan het eind van de middag mijn koffertje gepakt en richting Brussel gereden waar ik vandaag heb deelgenomen aan een symposium over de briet mila: ‘over besnijdenis, godsdienstvrijheid en de toekomst van het Joodse leven in België’. Ik mocht de dagspits afbijten vanuit een godsdienstig panel met de eerste twee vragen: 1. Waarom is de besnijdenis onmisbaar binnen het jodendom en hoe zou het Joodse leven eruitzien zonder deze praktijk? 2. Betekent godsdienstvrijheid enkel de vrijheid om te geloven, of ook de vrijheid om essentiële religieuze verplichtingen uit te oefenen?
Daarna volgde imam Nordine Taouil, voorzitter van de Belgische moslimwetenschappers: 3. Waarom is de besnijdenis ook belangrijk binnen de islam en wat zegt dit over de impact van deze discussie op religieuze minderheden? 4. Hoe moeten democratische samenlevingen respect voor minderheidstradities verzoenen met bezorgdheden die leven bij delen van de meerderheid?
En ten slotte Rik Hoet, voorzitter van de Belgische katholieke commissie voor dialoog met het jodendom: 5. Moeten overheden zich vanuit het oogpunt van godsdienstvrijheid mengen in eeuwenoude religieuze praktijken waarvoor geen aantoonbare maatschappelijke schade bestaat? 6. Godsdienstvrijheid beschermt alle geloofsgemeenschappen. Moeten christelijke kerken de Joodse en islamitische gemeenschappen in dit debat publiek steunen, en heeft de Kerk de verantwoordelijkheid om zich uit te spreken wanneer de religieuze vrijheden van andere geloofsgemeenschappen onder druk komen te staan?
De conclusie van de conferentie, na medici, politici, juristen en mohaliem gehoord te hebben, was overduidelijk. Het verbieden van de briet mila betekent het eind van Joden en jodendom in België en in ieder land waar ons een van de meest belangrijke geboden zou worden ontnomen. De aanval op de besnijdenis is geen aanval op het Joodse geloof, maar een aanval op de Joodse identiteit en op de Jood als persoon, ongeacht zijn niveau van religiositeit. De aanval op de briet mila en op de professioneel opgeleide en gecertificeerde moheel is niet gebaseerd op bezorgdheid over het welzijn van het kind, maar komt voort uit ‘de waan van de dag’ zoals een van de panelleden, een jurist, vermeldde. Een ander panellid, ook een jurist, gaf aan dat hij nooit had verwacht na de Holocaust de briet mila nog te moeten verdedigen en dat die aanval geen aanval is op de besnijdenis maar op de Jood als Jood, antisemitisme pur sang. Van ons, de Joodse gemeenschap, wordt ook iets verwacht, zoals Katharine von Schnurbein, de coördinator antisemitismebestrijding van de Europese Commissie, zo duidelijk en fijntjes verwoordde: onderlinge eenheid, ondanks de diversiteit.