Dossiers

Wilhelmina aan de vooravond van de Shoa

Na een eeuwlang mannen op de troon, neemt eind 19e eeuw de vrouwelijke Oranje-lijn het over. Doorslaggevend voor het standhouden van de Oranjes, volgens Bart Wallet. Ook voor de band met de Joodse gemeenschap is de vrouwelijke benadering misschien wel de redding geweest. Zelfs het huwelijk van Juliana met een Duitser, in een tijd dat de nazi’s Duitsland domineren en steeds meer Duitse Joden naar Nederland uitwijken, brengt die band nog niet in gevaar.

Bart Wallet 04 januari 2021, 10:00
Wilhelmina aan de vooravond van de Shoa

De 20e eeuw bracht voor veel Europese koningshuizen het einde. Door oorlogen, socialistische en communistische revoluties en monarchaal onvermogen zich aan de nieuwe situatie aan te passen sneuvelde het ene na het andere vorstenhuis. Dat de Oranjes die eeuw niettemin zonder al te grote kleerscheuren doorkwamen, had met verschillende factoren te maken. Nederland was een constitutionele monarchie, waarbij zeker vanaf 1848 de macht van de vorst danig was ingeperkt. Historisch had Nederland een sterke republikeinse traditie en die was zeker niet verdwenen. Het was veeleer zo dat de Oranjes zich hadden aangepast en paradoxaal genoeg vorst van een republikeinse samenleving waren geworden.

Misschien wel doorslaggevend voor het standhouden van de Oranjes was echter het feit dat na een eeuw mannen op de troon, nu de vrouwen het overnamen. Daardoor deed een volstrekt andere stijl de intrede. Wilhelmina, Juliana en Beatrix presenteerden zich als ‘moeder des vaderlands’ en gebruikten hun vrouwelijke rol volop in de manier waarop ze in politiek en samenleving opereerden. Eén van de grote veranderingen zette al direct in: al als prinsesje trok Wilhelmina er met haar moeder Emma op uit om ‘het volk’ te zien. De Oranjes ontwikkelden een stevig bezoekprogramma, waarbij het hele land werd door kruist. Dat kweekte veel sympathie en ook menig anti-monarchaal sociaaldemocraat slikte zijn bezwaren in zodra hij geconfronteerd werd met de vrouwelijke Oranjedynastie.

Menig antimonarchaal sociaaldemocraat slikte zijn bezwaren in zodra hij geconfronteerd werd met de vrouwelijke Oranjedynastie

Toen Wilhelmina in 1898 als achttienjarig meisje de troon besteeg, kende ze nauwelijks Joden. Haar sociale kringen werden gedomineerd door de adel, politici, buitenlandse familieleden en de vooral protestantse elite. Hooguit werd ze geconfronteerd met een telg uit een gedoopte familie, zoals haar privéleraar Duits, Ernst Frederik Kossmann. Die was zich zeer bewust van zijn Joodse afkomst, maar inmiddels volledig deel van de intellectuele Europese bovenlaag. Bij haar dochter Juliana deed zich iets soortgelijks voor, die kreeg als onderwijzeres Bertha Cohen Stuart, een christelijke nazaat van de 18e-eeuwse kompaan van stadhouder Willem V, Benjamin Cohen uit Amersfoort.

Portret ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en Bernhard op 7 januari 1937. Foto: Franz Ziegler. Legaat R. van Lutterveld, Lochem. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Des te opmerkelijker is de informatie die Abraham Kuyper, premier van 1901-1905, loslippig deelde met de opperrabbijn en notabelen uit Tiberias op zijn reis rond ‘de oude wereldzee’. In het maandblad van de Alliance Israélite Universelle werd het direct opgetekend: “Hij heeft zijn bezoekers verteld dat de Koningin [Wilhelmina] van Nederland eveneens Hebreeuwsch leerde, dat de opperrabbijn haar driemaal per week les gaf in die taal en hij voegde erbij, dat de koningin den opperrabbijn telkens ten eten vroeg en diens maal door een Joodschen kok liet bereiden.” De relatie tussen Kuyper en Wilhelmina was al niet heel geweldig, maar zal na dit lekken van privé-informatie niet veel beter zijn geworden.

Het blijft niettemin een opmerkelijk gegeven: een koningin die van een opperrabbijn Hebreeuws leert. Het paste echter wel bij Wilhelmina, die een grote belangstelling had voor religie. Zij had een eigenzinnige protestantse visie ontwikkeld en had vandaaruit grote moeite met het katholicisme. Dat het tijdens haar periode in de persoon van Charles Ruijs de Beerenbrouck tot de eerste katholieke premier kwam, was wel even slikken. Het lijkt erop dat de Joodse gemeenschap voor haar dichterbij stond. De door opperrabbijn Tobias Tal zo zorgvuldig opgezette ‘Oranjemythe’, het idee dat de Joden en de Oranjes vanaf het begin van Nederland nauw met elkaar verbonden zijn, leek Wilhelmina volledig te onderschrijven.

In de Jodenbuurt
Als onderdeel van het charmeoffensief, met als doel de harten van het volk achter de Oranjes te verenigen, werd vooral op Amsterdam gefocust. Daar woonden immers veel kritische sociaaldemocraten en communisten en die moesten in het hol van de leeuw bezocht worden. Het was een strategie die zeker werkte, de revolutionaire ideeën verdwenen niet, maar van het afzetten van het koningshuis werd niet zoals elders in Europa een voornaam actiepunt gemaakt. De pijlen richtten zich eerder op de burgerlijke, liberale bovenklasse die het hele politieke spel zou domineren. Niettemin probeerde de socialistische voorman Troelstra, daarin ondersteund door de latere communistische Joodse leider David Wijnkoop, in 1918 een revolutie te forceren. Die mislukte jammerlijk en resulteerde in veel vertoon van Oranjegezindheid.

Koningin Wilhelmina bij het verlaten van de Joodsche Invalide, 1926. Foto: Collectie Stadsarchief Amsterdam

Wilhelmina had inmiddels de gewoonte ontwikkeld om elk jaar een bezoek aan de hoofdstad brengen. Het programma wisselde daarbij telkens weer, maar een vast onderdeel werd nimmer overgeslagen: een zangprogramma van de Joodse gemeenschap. Meestal was dat gepland op het plein tussen de Portugese en Hoogduitse synagogen, waar Joodse koren en jeugdbewegingen gereed stonden om orangistische liederen te zingen. Vaak werd voor de gelegenheid een extra lied geschreven, waarin de nauwe band tussen de Oranjes en de Joden werd bejubeld.

Soms bleef het bij de traditionele zang, maar regelmatig stonden ook Joodse instellingen op het bezoekprogramma. Zo werd al in 1908 het bezoek aan de Esnoga gebracht, een vaste gewoonte van de Oranjes sinds stadhouder Frederik Hendrik. Opmerkelijker was dat voor het eerst sinds stadhouder Willem V in 1924 de asjkenazische Grote Sjoel op het programma stond. Dat leidde tot veel opwinding, de Joodse pers stond er in de weken voor en na boordevol van. Het kerkbestuur van de Joodse Gemeente besloot zelfs twee marmeren tegels in de synagoge aan te brengen ter herinnering aan het koninklijk bezoek.

Een directe band ontwikkelden Emma, Wilhelmina en Juliana met de ‘Joodse Invalide’. Die moderne verpleeginstelling, onder leiding van achtereenvolgens Samuël Norden en Isaäc Gans, wist brede sympathie te veroveren in de samenleving, onder meer door promotiespotjes op de radio. In 1926 kwam Wilhelmina langs en een jaar later haar moeder Emma. De anekdotes die na deze bezoeken de ronde deden, laten in ieder geval zien dat het de nodige indruk had gemaakt en de band tussen de Oranjes en de Joodse gemeenschap had versterkt.

De prins
Toen de jaren 1930 aanvingen, was de Joodse gemeenschap verdeeld. De politieke linkerflank stond kritisch tegenover de monarchie, terwijl de orthodoxie en de politiek-liberalen vasthielden aan de ‘Joodse Oranjemythe’. De laatsten waren voortdurend bezorgd dat de verdeeldheid ervoor zou zorgen dat Joden een slechte naam in de Nederlandse samenleving zouden krijgen, als revolutionairen die de maatschappelijke orde omver wilden werpen. Elders in Europa had het anticommunistische verzet, dat na de opkomst van de Sovjetunie steeds sterker was geworden, regelmatig een duidelijk antisemitische ondertoon.

In 1933 werd de 400e geboortedag van Willem van Oranje uitgebreid gevierd. Ook Joods Nederland deed mee, zoals dit omslag van een speciale editie van het NIW laat zien. Foto: Collectie Coppenhagen Oxfordw

De Oranjes hadden ondertussen andere zorgen. Juliana moest aan de man worden gebracht en dat wilde nog niet zo lukken. Groot was daarom de blijdschap toen uiteindelijk in 1936 in de persoon van Bernhard zur Lippe-Biesterfeld een geschikte kandidaat werd gevonden. Al binnen een jaar, in 1937, werd het huwelijk voltrokken.

De nieuwe prins was wel afkomstig uit een inmiddels door de nazi’s gedomineerd Duitsland. Dat lag zeker bij de Joodse gemeenschap lastig, aangezien vanaf 1933 de berichten uit Duitsland steeds onheilspellender werden. Tal van Duits-Joodse migranten kwamen naar Nederland en vertelden bovendien in besloten Joodse kring over de uitsluiting, discriminatie en vervolging die Joden in nazi-Duitsland ten deel viel. Hoe moest prins Bernhard ingeschat worden?

Veel informatie over de politieke achtergrond van Bernhard kwam niet naar buiten. Hij was uitgekozen door de Oranjes, goedgekeurd door het parlement, en daarom moest iedereen vertrouwen dat het in orde was. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Bernhard zelf ook de nodige informatie achtergehouden. Zo is het volgens Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur zeer waarschijnlijk dat hij zijn lidmaatschap van de NSDAP, vanaf 1 mei 1933, verborgen hield voor Wilhelmina en Juliana. Die zouden daar pas tijdens de Tweede Wereldoorlog, dankzij geheime Amerikaanse informatie, achter zijn gekomen. Eveneens had Bernhard het bruine SA-uniform en het zwarte SS-uniform gedragen. Zelf deed hij dat later af als naïeve jeugdigheid zonder kwade bedoelingen.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Bernhard zelf ook de nodige informatie achtergehouden

Vampier
Ondertussen is wel duidelijk dat het milieu waaruit Bernhard stamde volop deelde in de nationalistisch-conservatieve ideeën van de Duitse adel. Ook over Joden werd binnen die kringen weinig complimenteus gedacht. Bernhards vader, prins Bernhard zur Lippe (1872-1934), liet in 1916 in ieder geval weinig onduidelijkheid bestaan over zijn visie, zo heeft Annejet van der Zijl vast moesten stellen. In een brief liet hij zich ontvallen: “Waarom staat nu ineens de hele linkerzijde, het gezamenlijke jodendom met hun pers aan de kant van de kanselier? Toch alleen omdat zij bij de door hem gesuggereerde politiek van toegeven weer in troebel water kunnen vissen, in hun zaken niet gestoord worden (…) terwijl ze miljoenen binnenhalen en nog grotere verdiensten en invloed voorbereiden. De vampier van het Duitse volk, de Joden en hun aanhangers, zij zijn het die het volk vergiftigen, zij zijn het grote gevaar!”

Dat de Joden het ‘grote gevaar’ waren, betekende niet dat er helemaal geen Joden in de kringen rond Bernhard voorkwamen. De advocaat van de familie was bijvoorbeeld Joods. Maar over de bijdrage van Joden aan de Europese samenleving werd weinig complimenteus gedacht. Het waren in die tijd ideeën die steeds meer gemeengoed werden. Daarom reden genoeg voor Nederlandse Joden om een zekere angst te hebben. Toen Bernhard tijdens een toespraak toezegde zich te voegen in de beste tradities van de Oranjes werd dat door de Joodse gemeenschap opgevat als een teken dat hij ook voor de Joden op zou komen. Want behoorde tot de beste tradities van de Oranjes niet die van verdraagzaamheid richting de Joden?

Het programma bij het bezoek van Wilhelmina, Hendrik en Juliana aan de Grote Synagoge in Amsterdam, 1924 (links). Bij het huwelijk van Juliana en Bernhard gaf de Haags-Joodse publicist Désiré Samuël van Zuiden een korte schets uit van de relaties tussen de Joden en de Oranjes (rechts).
Foto: Collectie Coppenhagen Oxfordw

Asielzorg
In de jaren 30 neemt de druk op Joden in heel Europa toe. Niet alleen in Duitsland, maar ook in tal van andere landen werden maatregelen genomen om Joden in de samenleving terug te dringen en te discrimineren. Het maakte dat Nederlandse Joden alleen maar nationalistischer werden en zich vastklampten aan hun Nederlandse identiteit: dit was het klassieke land van de verdraagzaamheid, dat Joden altijd had beschermd en opgevangen, hier zou zoiets nooit gebeuren. De Oranjes werden, geheel in lijn met Tobias Tals ‘Oranjemythe’, als de waarborg daarvan gezien. Zolang zij in het land zouden zijn, kon de Joden niets overkomen.

Deze houding zorgde ervoor dat de rijen zich weer sloten en ook veel sociaaldemocratische Joden zich rond de Oranjes schaarden. De internationale solidariteit van de arbeiders leek voor hun Joodse verwanten over de grens weinig uit te halen. Ook zij raakten ervan overtuigd dat alleen een Nederland onder de Oranjes hun waarborg was voor veiligheid.

Gezamenlijk stortten de Nederlandse Joden zich op hulp aan de Duits-Joodse migranten en vluchtelingen. Geheel naar de politieke opvattingen van die tijd was ‘asielzorg’ een taak die grotendeels bij verwante geloofsgenoten werd neergelegd. Daardoor kwam er een zware last op de schouders van de Nederlands-Joodse gemeenschap. Weliswaar werd gecollecteerd onder de bredere bevolking, maar het leeuwendeel moest van de Joden komen. Volgens Lou de Jong, de Rijksgeschiedschrijver over de Tweede Wereldoorlog, had ook Wilhelmina bijgedragen aan de inzamelingscampagnes voor de Duitse Joden. Vanwege politieke gevoeligheid moest dat echter binnenskamers blijven.

Het Hebreeuwse programma dat gebruikt werd bij de sjoeldiensten ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina in 1898. Foto: Collectie Coppenhagen Oxfordw

Een opvangkamp voor Duitse Joden die niet tot Nederland toegelaten zouden worden, maar hier in afwachting van verdere migratie mochten blijven, werd aanvankelijk op de Veluwe bij Ermelo gepland. In een kort briefje liet Wilhelmina de minister echter weten dat zij dat liever niet zag gebeuren, aangezien de locatie grensde aan haar koninklijke domeinen van Het Loo. Een precieze reden ontbrak en tot nu toe strijden historici over de achtergrond ervan. Het meest voor de hand liggend lijkt dat Wilhelmina simpelweg weinig zin had in een ‘AZC’ in haar achtertuin. Als alternatief werd uiteindelijk Westerbork gekozen.

Specifiek ongemak dat het om Joodse ‘asielzoekers’ ging, lijkt er niet achter te zitten. Directe uitingen van antisemitisme zijn van Wilhelmina niet bekend. Zij had een strikte opvatting koningin voor het hele volk te zijn en daarvan maakten de ‘Joodse landgenoten’ integraal deel uit. Zij kende in die zin slechts Nederlanders, voor wie zij allemaal als een ‘moeder’ diende te zorgen. Tegelijkertijd zorgde die opvatting er ook voor dat er niet te veel onderscheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen gemaakt kon worden. Wilhelmina moest haar tijd en aandacht zo eerlijk mogelijk verdelen over de samenleving.

Partijlied
Ongemakkelijk was de positie van Wilhelmina wel. De situatie in nazi-Duitsland trok sporen door haar Duitse familie, beïnvloedde de politiek in Nederland en zorgde voor een stroom van vluchtelingen. Hoewel in Duitse adellijke kringen Wilhelmina voor ‘Jodenvriendin’ werd uitgescholden, moest zij vooral Nederland neutraal houden. Dat betekende gedurende de jaren 1930 balanceren op een steeds smaller wordend koord.

Op 9 september 1938 bezocht prinses Juliana onverwacht de Joodsche Invalide aan het Weesperplein, nadat ze op zomervakantie was geweest bij familie in nazi-Duitsland. Dat werd destijds uitgelegd als een gebaar waarmee de prinses liet zien dat ze solidair zou blijven met de Joodse gemeenschap. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Veelzeggend was het beleid rond het huwelijk van Juliana en Bernhard: te midden van politieke spanningen met Duitsland werd het compromis gesloten dat er geen hakenkruisvlaggen in Nederland uitgehangen mochten worden rond het huwelijk, maar dat anderzijds tijdens de galaavond ter gelegenheid van de bruiloft het officiële Duitse volkslied gespeeld zou worden. Dat was omstreden omdat daaraan inmiddels het partijlied van de nazi’s was toegevoegd: het Horst-Wessellied. Toen dat werd gezongen, bleef een deel van de gasten stijf staan, inclusief Bernhard. Sommigen brachten de Hitlergroet. Peter van Anrooy, de dirigent van het Residentieorkest, en vijfentwintig andere orkestleden hadden overigens geweigerd het Horst-Wessellied te spelen. Zij werden vervangen door de Koninklijke Militaire Kapel. Het publiek wist uiteindelijk toch nog een stempel op de bijeenkomst te drukken, door na het Duitse vertoon, uit volle borst mee te zingen met het Engelse volkslied, dat ter ere van de Engelse gasten werd gezongen.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog waren zo de kaarten geschud: de Joodse gemeenschap zocht bescherming in een fel beleden aanhankelijkheid aan Nederland en de Oranjes, terwijl dezen zich met gemanoeuvreer en een angstvallige neutraliteit staande probeerden te houden in een angstwekkend snel veranderende wereld. De inval van de Duitse legers op 10 mei 1940 verscheurde in die zin alles waar zowel de Joden als de Oranjes hun toekomst op hadden gebouwd.

Dit artikel verscheen eerder in NIW 26, 5777.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *