1-14 maart 1948 – De vijand
Israël 75

1-14 maart 1948 – De vijand

Wie waren de tegenstanders van de Hagana in de eerste maanden van 1948?

Bart Schut 28 maart 2024, 15:22
1-14 maart 1948 – De vijand
Vrijwilligers van het Arabische Bevrijdingsleger (ALA)

Het werd duidelijk in de eerste helft van maart dat de Arabische milities in het Mandaatgebied Palestina niet sterk genoeg waren om de grote Joodse bevolkingscentra in de steden te veroveren, of zelfs maar de afgelegen kibboetsen. Dit ondanks financiële steun uit de Arabische wereld en sympathie van de Britse koloniale bezetter. De voorkeur van Londen lag duidelijk niet bij de jisjoev. Dat had te maken met een afkeer van de Joodse verzetsstrijders die nog steeds het Britse leger het leven zuur maakten. Maar de hoofdreden was dat de Britse (olie)belangen in het Midden-Oosten zwaarder wogen dan het lot van een paar honderdduizend Joden in Palestina. 

De Palestijnse terreurcampagne met bomaanslagen deed de jisjoev zeker pijn, maar was geen existentiële bedreiging voor de Joodse gemeenschap in de aanloop naar het vertrek van de Britten en de onafhankelijkheid van Israël. Gevaarlijker was dat de Arabische opstandelingen, de fedajien, door hun numerieke overwicht het platteland en daarmee de aanvoerroutes naar de steden beheersten. Vooral de route naar Jeruzalem moest het ontgelden. Gewapende konvooien door de westelijke toegang naar de stad, de Bab el-Wad, waren er zeker van in Arabische hinderlagen te lopen. Wie waren die fedajien eigenlijk?

Heilige oorlog

Haj Amin al-Husseini, de grootmoefti van Jeruzalem, was de geestelijke en politieke leider van de Palestijnen in het mandaatgebied. Zijn verhaal is bekend: fel antizionist en antisemiet, af en aan bondgenoot van de Britten tot hij in 1937 het gebied ontvluchtte en in nazi-Duitsland opdook. Omdat Al-Husseini niet de leiding kreeg over het door de Arabische Liga opgerichte Arabische Bevrijdingsleger (ALA), richtte de grootmoefti zijn eigen militie op, het Leger van de Heilige Oorlog (HWA). Dat werd gecommandeerd door zijn neef Abdelkader al-Husseini. Dit leger was in het centrale Mandaatsgebied actief, vooral in en om Jeruzalem.

Aan Arabische zijde was geen sprake van eensgezindheid

Het ALA beheerste het platteland in Galilea en werd geleid door de in Libanon geboren Fawzi al-Qawuqji, die ook al het grootste deel van de oorlog als gast van de nazi’s had doorgebracht. Anders dan Al-Husseini’s HWA, dat vooral uit Palestijnen bestond, werd het Bevrijdingsleger gedomineerd door Arabische vrijwilligers uit het hele Midden-Oosten, maar het had ook Joegoslavische moslims, Spaanse falangisten en zelfs oud-SS’ers in de gelederen. Er was nog een derde, kleinere strijdmacht die verantwoordelijk was voor het zuiden en vooral bestond uit vrijwilligers van de Moslimbroederschap. 

Terwijl de jisjoev redelijk eensgezind was door de dominantie van de Hagana, ondanks de min of meer onafhankelijke koers die Irgoen en Lechi voeren, was aan Arabische zijde geen enkele sprake van eensgezindheid. Al-Qawuqji’s huurlingen in het noorden gedroegen zich meer als het leger van een onafhankelijke warlord en leken niet bovenmatig geïnteresseerd in samenwerking met andere groepen of in onafhankelijkheid voor de Palestijnen. Dat laatste speelde zelfs nauwelijks een rol voor die bevolkingsgroep zelf. Voor de gemiddelde Palestijn was zijn clan belangrijker dan de nogal abstracte begrippen onafhankelijkheid en staat. Zoiets had in het gebied immers nog nooit bestaan. De Husseini’s bestreden de concurrerende Nashashibi-clan met minstens zoveel enthousiasme als de Joodse vijand.

Hinderlagen

Nog belangrijker dan de interne verdeeldheid binnen de grenzen van Palestina, was het machtsspel tussen de Arabische mogendheden erbuiten. Syrië, Libanon en Irak lieten zich leiden door hun diepgewortelde antisemitisme – met verschrikkelijke gevolgen voor de Joodse gemeenschappen in die landen – maar de twee belangrijkste spelers hadden andere belangen. Zowel de Egyptische koning Faroek als zijn Jordaanse ambtsgenoot Abdullah hadden hun eigen territoriale ambities in het gebied. 

Koning Abdullah I van Jordanië

De laatste had eigenlijk geen probleem met een onafhankelijke Joodse staat. Zijn Hasjemitische koninkrijk aan de overkant van de Jordaan had alleen maar garen gesponnen bij het zionisme. Abdullahs paleis in Amman werd verlicht door een elektriciteitscentrale die de Joden hadden gebouwd. De kleine koning kon het prima vinden met de leiders van de jisjoev en zat niet te springen om een oorlog tegen hen, net zo min als om een onafhankelijke Palestijnse staat onder leiding van de grootmoefti, die hij minachtte en haatte. 

In maart 1948 hielden Egypte en Jordanië zich nog buiten de strijd, die werd gevoerd door de verschillende anti-Joodse milities. Halverwege die maand begonnen zij successen te scoren met hun hinderlagen tegen Joodse konvooien. Langzaam maar zeker dreigde de jisjoev dood te bloeden, vooral in Jeruzalem. De oorlog om de kibboetsen was gewonnen door de Joden, nu dreigde een groter gevaar: de strijd om de wegen.

Opmerkingen (0)
Plaats opmerking

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Max 1000 tekens. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *