Ooggetuigen van de onafhankelijkheid
Achtergrond

Ooggetuigen van de onafhankelijkheid

Op 1 april wordt in Israël Jom Haälia gevierd. Het is het startsein voor een maand van herdenken en vieren met als sluitstuk Jom Haätsmaoet. In 2011 en 2012 interviewde Ruben Gischler Joodse Nederlanders die vlak na de oorlog op alia gingen. Hun verhaal over het uitroepen van de staat, deze maand 75 jaar geleden, werd niet in zijn documentaire opgenomen. In het NIW komen zij alsnog aan het woord.

Ruben Gischler 01 april 2023, 08:00
Ooggetuigen van de onafhankelijkheid

‘Whoa … 570 gesneuvelden,” roept Noam de Groot verbaasd uit. Met zijn vader Hugo de Groot staat hij bij het monument van de Etzionibrigade in Jeruzalem, de eenheid die Jeruzalem verdedigde tegen de Jordaniërs in de oorlog van 1948. “Het grootste deel kwam voor rekening van de Moria-eenheid,” zegt Hugo, “Van ons zijn er 262 gesneuveld”. “Maar dat is meer dan de helft,” reageert zijn zoon, “nog geen vijftig procent kans om te overleven. Hoe groot was die eenheid? Vier, vijfhonderd man?” “Dat lag allemaal niet vast,” antwoordt Hugo. “Er gingen er wat dood en er kwamen weer nieuwe bij.” 

Deserteur

Hugo de Groot uit Almelo kwam in 1946 met de Alia Bet, de ondergrondse immigratie, naar Palestina. Hij had de oorlog overleefd in onderduik en wilde na de bevrijding niet in het Nederlandse leger in Indië dienen. Bij zijn mobilisatie in Apeldoorn werd hij disciplinair vastgezet omdat hij een iets te gevatte opmerking maakte over het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs. Vervolgens riep een plaatselijke commandant, zelf afkomstig uit Indië, hem bij zich. “Je hebt gelijk,” zei hij, “maar met zo’n instelling zul je het daar niet lang maken.” Hij vroeg Hugo of hij Joods was, en na diens bevestiging zei hij: “Dan kun je beter voor je eigen volk vechten. Ik zal je laten gaan, maar dan moet je maken dat je wegkomt.”

Halsoverkop vertrok Hugo met een groep Joodse jongeren uit het oosten van het land naar Palestina. Georganiseerd door de Joodse brigade. Als deserteur moest hij het zonder zijn Nederlandse paspoort stellen, dat kreeg hij pas jaren later terug. Op het schip van de Alia Bet, de Hachajal haïvri, zat ook Leo Krukziener uit Zutphen. De opvarenden werden door de Engelsen een paar maanden lang vastgehouden in het interneringskamp voor illegale migranten, Atliet, ten zuiden van Haifa.  

Crooky

Na de internering vertrok Leo Krukziener eind 1946 naar Haifa om zich in te schrijven aan de technische universiteit. Op aanraden van een Nederlandse vriend solliciteerde hij bij de Engelse havenpolitie als telefonist en baliemedewerker. Van de Joodse verdedigingsmilitie, de Hagana, kreeg hij daarvoor een spoedcursus Arabisch. Want net als zijn vriend was Krukziener informant: de twee hielden de Joodse ondergrondse op de hoogte van wat allemaal gebeurde in de haven van Haifa. “Ik kreeg het kostuum van de Palestijns-Britse politie, met zo’n mooie kolpak, een traditionele bontmuts,” herinnert hij zich. Echt veel vertrouwen had de Britse politieofficier niet in zijn Joodse en Arabische personeel. “Vanwege mijn naam werd ik door hem steevast Crooky genoemd, wat voor mij reden was om zo snel mogelijk mijn naam te hebraïseren tot Arjeh Hazon.” 

Elisheva Auerbach, geboren als Liesje Polak. Foto: Roelfjan Wentholt

Hugo de Groot ging scheikunde studeren aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. “Ik wilde natuurlijk wat van het land zien Maar ik was verbaasd dat ik als Jood niet zomaar het graf van Abraham in Hebron of de Rotskoepel in Jeruzalem kon bezoeken,” vertelt hij.

Kijk, een Jood

Bij de Rotskoepel werd de Groot tegengehouden door een Arabische wachter en een Britse soldaat. “Ik zei dat ik alleen even wilde kijken en liep door, waarna zij mij in mijn nekvel grepen en mij tien meter over de grond het terrein af sleepten. Bij het graf van aartsvader Abraham in Hebron werd ik tegengehouden door een Arabische wachter met getrokken pistool. Nabloes daarentegen was leuk. Alleen toen ik de laatste bus naar huis wilde nemen, begonnen alle passagiers naar mij te wijzen en te gillen: ‘Kijk, een Jood! Hij moet de bus uit.’ Gelukkig nam een Arabier mij in bescherming en liet mij naast hem zitten.”

De Groot merkte al gauw dat het in het mandaatgebied heel anders was dan in Nederland: “Vanuit Almelo kun je zonder problemen een bezoekje brengen aan Arnhem, Assen of Leeuwarden, maar in Palestina kon dat allemaal niet. Ik was daar niet op voorbereid.”

Op een legertruck liet Liesje zich meevoeren door de feestende massa

Elisheva Auerbach – geboren als Liesje Polak – kwam in 1944 door de gevangenenruil vanuit concentratiekamp Bergen-Belsen in Palestina terecht. In Jeruzalem begon zij met een verpleegopleiding in het Hadassahziekenhuis op de Scopusberg. Door haar ervaringen in de oorlog en het verlies van haar ouders was zij een bedrukt, ernstig en gesloten meisje, zoals zij het zelf omschrijft. “In het ziekenhuis werd ik geconfronteerd met de veel lossere levenshouding van de sabra’s, de Joden die in het mandaatgebied waren geboren en getogen. De leiding besloot een van die studentes, een nogal losgeslagen projectiel, bij mij op de kamer te zetten in de hoop dat ik een gunstige en matigende invloed op haar zou hebben. Het omgekeerde was het geval. Dat betekende uiteindelijk mijn psychologische redding.” 

Straatfeest

Op 29 november 1947 stemde de VN voor de verdeling van Palestina in een Joodse en Arabische staat. De ontlading die daarop volgde in nachtelijke straatfeesten is legendarisch. Liesje Polak kan zich goed herinneren hoe zij met haar vriendinnen een Engelse legertruck beklom waarop zij zich lieten meevoeren door de feestende massa. 

Maar Hugo de Groot werd door zijn kamergenoot afgeraden de straat op te gaan. “Ga maar vroeg naar bed, want morgen wordt het vechten. Pas als de oorlog voorbij is, komt er tijd voor dansen.” De Groot moest op de dag van de stemming in allerijl zijn woning in een gemengde wijk in de benedenstad in Haifa verlaten. “Alle Joden waren al weg uit de buurt. Gelukkig vond ik nog een Joodse taxichauffeur die bereid was langs mijn kamer te rijden. Razendsnel pakte ik in wat ik kon meenemen, terwijl de motor van de taxi beneden draaide.” 

De volgende dag had De Groot college van Moshe Weizmann. Hij was de broer van Chaim Weizmann, de president van het zionistisch wereldcongres die aan de wieg had gestaan van de Balfourverklaring en een jaar later werd uitgeroepen tot de eerste president van Israel. “Ten overstaan van alle studenten greep broer Weizmann met beide handen zijn lessenaar stevig vast en riep geëmotioneerd uit: ‘Chaimke, Chaimke, mein lieber Chaimke, du hast es gemacht! Er komt een Joodse staat.’ Hij zeeg toen letterlijk op de grond ineen en moest door de studenten worden weggedragen.”

Mamilla

Diezelfde middag werden De Groot en de andere studenten gemobiliseerd door de Hagana en in de volgende dagen braken de gevechten uit. Op 2 december trok een woedende menigte Arabieren vanuit de Jaffapoort plunderend en brandschattend door de Joodse winkelstraat Mamilla in Jeruzalem. De Groot: “Wij werden opgeroepen om ze tegen te houden, maar Britse soldaten lieten ons niet door. Alle winkels en huizen waren uitgebrand en verwoest en dat heeft er zo bij gelegen tot de stad in 1967 herenigd werd.”

Arjeh Harzon, geboren als Leo Krukziener. Foto: Roelfjan Wentholt

De studenten met ouders in Tel Aviv en Jeruzalem keerden terug naar huis, de anderen moesten trainen, herinnert Aryeh Hazon zich. “Dat de Joden in Erets Jisraëel als één man opstonden om te vechten tegen de vijand en de Arabische indringers, is een fabeltje. Velen probeerden de dienstplicht te ontlopen. Zij verstopten zich in een kast of onder het bed. De orthodoxen wilden sowieso niet vechten. Zij hadden in Sheikh Jarrah en Mea Shearim de witte vlag soms al uithangen.” “Ook in Tel Aviv was dat zo,” zegt De Groots vrouw Tamar. “Als wij langs de deur gingen, sprongen zij zelfs uit de ramen.” 

In het begin waren het vooral de studenten zonder familieleden die gemobiliseerd werden, herinnert De Groot zich. “De Hagana stelde toen niet veel voor. Wij moesten trainen met wat oude geweren. Zonder te schieten, want dat zou alleen maar kogels kosten en de aandacht van de Britten trekken. Dat was mijn training.”  

Twintig kogels

Met zijn studenteneenheid, het Moriabataljon, vocht De Groot in de belangrijkste veldslagen rondom Jeruzalem: in Goesj Etsion, Castel, de Jeruzalemse wijk Katamon en de kibboets Ramat Rachel, die kortstondig door de Egyptische Moslimbroeders was ingenomen. “Ons was verteld dat wij maar voor twee weken naar Goesj Etsion zouden gaan. Dat zijn uiteindelijk drie maanden geworden. De nederzettingen waren omsingeld en wij konden niet meer terug. In Goesj Etsion mochten wij de kibboets niet in. Zestig man erbij is ook wel veel, maar de verhoudingen met de bewoners waren moeizaam. Wij mochten niet douchen, dat kostte te veel water. Wij werden toen ingekwartierd in een Arabisch dorpje, Beet Sakarja. De bewoners waren gevlucht omdat zij hadden meegedaan aan een aanval op Goesj Etsion. Het waren niet meer dan een paar schamele hutjes die onder de vlooien zaten.”

‘Iedereen was onder de indruk van onze ‘luchtmacht’, één sportvliegtuigje’

Er was gebrek aan alles. De Haganastrijders kregen maar twintig kogels per persoon. Versterkingen en proviand konden niet worden aangevoerd. “Maar gelukkig was er de luchtmacht, die dagelijks versterkingen aanvoerde,” vertelt Hugo de Groot spottend in zijn Twents accent. “Nou ja, luchtmacht … het was één sportvliegtuigje en dat kon naast de piloot maar één man versterking per keer meenemen. Toch was iedereen diep onder de indruk van onze ‘luchtmacht’. Een keer zijn twee bewonderende omstanders die te dichtbij stonden onthoofd door de propellers die begonnen te draaien.”

Shock

In januari 1948 vertrok een eenheid van de Hagana met 35 man ’s nachts vanuit Jeruzalem te voet naar Goesj Etsion. “Ze kwamen ons wapens en munitie brengen,” herinnert De Groot zich, “maar zij werden ontdekt door de Arabische dorpelingen en aangevallen. Wij hebben geprobeerd hen te ontzetten. Ik was geen goede soldaat, dus ik bleef in de achterste linie. Het probleem was dat wij niet genoeg munitie hadden. Het lukte ons niet de mannen te bereiken en zij hebben gevochten tot de laatste kogel. Kogels die ze ons juist probeerden te brengen. Niemand heeft het overleefd.”

Pas na afloop kwamen de Britten in actie. De gesneuvelden werden naar Goesj Etsion gebracht. “Dat was voor mij misschien wel de grootste shock in Palestina. Al die lichamen waren toegetakeld, verminkt, opengesneden en de ingewanden eruit getrokken. Niet door de gevechten, maar door het feest dat de Arabieren vierden met de lijken. Toen pas begreep ik hoe gevaarlijk het hier was.”

Hugo de Groot (r) bij de eenzame boom bij Goesj Etsion, het enige herkenningspunt dat vanuit Jeruzalem te zien was

Op 13 april 1948 was Liesje Polak getuige van de aanval op een konvooi van artsen, chirurgen en verpleegsters op weg naar het Hadassahziekenhuis, waarbij 77 mensen omkwamen. “Om de drie weken kregen wij een week verlof om naar de stad te gaan en dat was voor die meisjes met familie en echtgenoten in de stad reuzefijn. Als alleenstaande was ik de vorige dag al met een konvooi teruggekeerd, in mijn kamer in de stad had ik geen eten meer. De volgende dag hoorden wij explosies en mitrailleurvuur. De Arabieren hadden het konvooi bij Sheikh Jarrah aangevallen en de auto’s in brand gestoken. Wij konden alles zien gebeuren. Al die mensen zijn levend verbrand, ook de directeur van het ziekenhuis en mijn drie beste vriendinnen. Wij zagen de Engelsen in de buurt staan en zij hebben niets gedaan. Een van die vriendinnen, Tsvona Ashbel, was de enige in die jaren die interesse toonde in mijn oorlogsverhaal. Verder heb ik daar nooit met iemand over gesproken.” 

Schoonvegen

Arjeh Hazon, die de konvooien tussen Haifa en Zichron bewaakte en later in het noorden vocht, vertelt hoe hij door de vrienden en medesoldaten die hij om zich heen zag sneuvelen, in zekere zin afgestompt raakte. Het verdriet daarover drong niet langer tot hem door. Pijnlijke zaken zoals de familie en ouders inlichten en nabestaanden begeleiden, alles waar het Israëlische leger nu juist bekend om staat, waren toen nog niet geregeld. Zowel De Groot als Hazon hebben meegemaakt hoe ouders van een gesneuvelde vriend bij terugkeer hun zoon stonden op te wachten, omdat zij door de legerleiding of wat daar in die dagen voor doorging, niet waren ingelicht. Beide mannen probeerden de ouders die zij kenden te ontwijken, of ze verzonnen een smoes om maar niet de waarheid in hun gezicht te hoeven zeggen. 

De Groot vertelt ook over het schoonvegen van Arabische buurten in Jeruzalem. “Velen waren al gevlucht, het eten stond soms nog warm op tafel. Maar wij hebben ze ook een handje geholpen. In een paar Arabische dorpen hebben wij de bewoners weggejaagd. Dat was het bevel. In Katamon vroeg ik hoe het een oude man en zijn kleinzoon was vergaan die zich hadden overgegeven. Zogenaamd niemand wist waar zij waren gebleven, een ander zei dat ze waren doodgeschoten. Wij hebben toen een klacht ingediend. Toen ik later in 1949 mijn studie wilde hervatten, werd mij dat belet vanwege die klacht. ‘Heb jij dan gezien dat zij zijn doodgeschoten?’ Nee, ik had het niet gezien. Ik moest die aanklacht alsnog intrekken, als ik met mijn studie wilde doorgaan.”

Hugo de Groot zat in die dagen met zijn eenheid op een heuveltop om een nieuwe bevoorradingsroute naar Jeruzalem te bewaken. Toen een paar jongens werden afgelost, hoorde hij tot zijn verbazing dat er zowaar een Joodse staat was. Die was al twee weken eerder uitgeroepen. “Dat wist ik niet eens, zo slecht was die communicatie toen.” 

Zijn latere schoonvader Meir Argov bleek een van de medeondertekenaars van de onafhankelijkheidsverklaring. Argov was ook de Haganacommandant van het schip dat Hugo en Arjeh naar Palestina had gebracht.

Plaats opmerking