9-18 juli 1948 – De tien dagen
Israël 75

9-18 juli 1948 – De tien dagen

In de tweede en derde week van juli 1948 stellen de Joden de toekomst van hun staat veilig. In twee steden in wat nu centraal-Israël is komt het tot grootschalige etnische zuiveringen.

Bart Schut 07 mei 2024, 10:00
9-18 juli 1948 – De tien dagen
Israëlische verdedigers van de kibboets Negba, in het noorden van de Negev

Al een dag voor het verstrijken van het staakt-het-vuren nemen de strijdende partijen in Israëls onafhankelijkheidsoorlog de wapens weer op. Egypte valt aan in het zuiden, zonder succes. Israël in het noorden, succesvol. Die twee zinnen sommen wel zo ongeveer op wat er gebeurt in wat nu bekendstaat als ‘de tien dagen’. Twijfelden sommigen bij het begin van de vijandelijkheden op 15 mei nog aan het voortbestaan van de jonge Joodse staat, bij het ingaan van de volgende wapenstilstand op 18 juli is de vraag niet langer of Israël overleeft, maar hoe groot het oppervlak van het land zal zijn.

De Israëli’s hebben het staakt-het-vuren goed benut. Meer wapens die gekocht zijn uit de enorme overschotten in Europa na de Tweede Wereldoorlog, worden het land binnengesmokkeld. De VN, die moet toezien op een embargo tegen alle strijdende partijen, heeft de middelen niet om die tegen te houden. Belangrijker nog, de kersverse IDF reorganiseert zich en plant zijn offensieven nauwgezet. De Arabieren halen wel versterkingen naar het front – zo arriveren er troepen uit Soedan, Jemen en Marokko – maar bovenal doen zij … niets. De onbegrijpelijke apathie van de Arabische legers wordt Israëls belangrijkste bondgenoot, beseft ook David Ben-Goerion in juli 1948. 

De strijd brandt los op drie fronten. In het zuiden proberen de Egyptenaren hun opmars naar Tel Aviv nieuw leven in te blazen. Tenminste, dat is het beeld dat de krantenlezer in Caïro en Alexandrië voorgeschoteld krijgt. In werkelijkheid beperken de Egyptische ambities zich tot het verkleinen van de grote Israëlische enclave in de Negevwoestijn, afgesneden van het gebied in Joodse handen noordelijker. Al snel zien de Egyptenaren zich niet langer in de aanval, maar in de verdediging gedwongen. De enclave wordt alleen maar groter, al slagen de Israëli’s er niet in door te breken naar hun omsingelde landgenoten in de woestijnkibboetsen.

Playboy-koning

Na tien dagen vechten in het zuiden is het duidelijk dat de Egyptenaren moegestreden zijn en het liefst naar huis willen. Tot woede van de latere president Gamal Abdel Nasser, stafofficier in het Egyptische expeditieleger, is het op 18 juli voor iedereen duidelijk dat het grootste Arabische land geen bedreiging meer vormt voor het voortbestaan van de Joodse staat. Nasser begint een groep officieren om zich te verzamelen die de zwaarlijvige playboy-koning Faroek ten val willen brengen, waar zij in 1952 in slagen.

Als de kruitdampen zijn opgetrokken, heeft de jonge Joodse staat overal gewonnen

De situatie in het noorden is nog erger voor de Arabieren. De Syriërs houden in de oostelijke Galilee met de grootste moeite vast aan een enclave op de westoever van de Jordaan. Westelijker behalen de Israëli’s het ene succes na het andere. De druzen hebben inmiddels in het geheim hun kant gekozen, waardoor een hele reeks dorpen zonder slag of stoot in handen van de IDF valt. Op 16 juli verdrijven de Zevende en de Carmelibrigades het Arabische Bevrijdingsleger van Fawzi al-Quwaqji, een paar jaar eerder nog kolonel in de Duitse Wehrmacht, uit Nazareth. De moslimbevolking van deze door christenen gedomineerde stad slaat op de vlucht. 

Als de brigadecommandanten ook de christelijke Arabieren willen verdrijven, vinden zij kolonel Ben Dunkelman, een Canadese vrijwilliger en militair gouverneur van de stad, op hun weg. Dunkelman weigert hun bevel uit te voeren en krijgt steun van niemand minder dan Ben-Goerion, die begrijpt dat verdrijving van de christelijke bevolking rampzalig is voor het imago van zijn jonge staat in Europa en de Verenigde Staten. Ook de druzische bevolking mag blijven, nu zij de Joodse kant in het conflict heeft gekozen, maar minder goed vergaat het de islamitische Arabieren.

Aan hun lot overgelaten

Dat geldt vooral voor het belangrijkste deel van het front: centraal-Israël. Daar concentreert de IDF zijn belangrijkste strijdmacht, maar heeft die ook de meest capabele vijand tegenover zich: het Jordaanse Legioen, geleid door de Britse generaal John Bagot Glubb. Alleen is ‘Glubb Pasja’, zoals hij onder zijn bedoeïensoldaten bekendstaat, helemaal niet van plan het tot een bloedige strijd te laten komen. Zijn opperbevelhebber, koning Abdullah van Jordanië, heeft met de verovering van de Westelijke Jordaanoever zijn doel in de oorlog bereikt en snakt naar vrede met de Joden, die hij als een aanwinst voor de regio ziet.

De Britse bevelhebber van het Jordaanse legioen John Bagot Glubb, beter bekend als Glubb Pasja. Foto: Willem van de Poll/Nationaal Archief

Daarom heeft Glubb slechts een symbolische strijdmacht achtergelaten in de twee steden die Israël het wanhopigst wil veroveren: Lydda (Lod in het Hebreeuws) en Ramla. De verovering van de steden verloopt aanvankelijk zonder veel strijd: op 11 juli rijdt een colonne waaghalzen in jeeps onder commando van de 33-jarige luitenant-kolonel Moshe Dayan drie kwartier lang door Lydda en Ramla en ‘schiet op alles wat beweegt’, zoals een soldaat het verwoordt. De actie is te veel voor het moreel van de Arabische militieleden die de steden moeten verdedigen, vooral nu het Jordaanse Legioen hen aan hun lot heeft overgelaten. Dezelfde avond neemt de Palmach Lydda in zonder veel tegenstand, de volgende ochtend volgt Ramla.

Maar op de twaalfde komt het toch tot ernstige gevechten. Min of meer bij toeval rijdt een Jordaanse gepantserde patrouille Lydda binnen. Daar worden de Palmachniks  verrast en een chaotisch gevecht breekt uit, waarbij lokale militieleden het vuur openen op de Israëli’s vanaf de daken van hun huizen. In paniek gooien IDF-soldaten granaten in woningen waar zij vijanden vermoeden en doden een groep in een moskee opgesloten gevangenen. 250 Arabieren komen om in wat als het ernstigste bloedbad van de oorlog wordt beschouwd. Als de strijd is geluwd, beveelt Ben-Goerion de burger-bevolking van de twee steden te verdrijven. 

Weg naar Jeruzalem

De operatie is niet overal een succes. De IDF probeert voor de zoveelste keer het door de Jordaniërs bezette politiefort in het strategisch gelegen Latrun in te nemen. Ondanks de inzet van tanks mislukt dit opnieuw. Wel slaagt de Harelbrigade erin gebied net ten zuiden van de geïmproviseerde Birma Road te veroveren en zo een meer betrouwbare weg naar Jeruzalem in handen te krijgen. Hoewel de Jordaniërs vrijwel overal waar zij de IDF het hoofd willen bieden, standhouden, krijgt Legioenbevelhebber Glubb de schuld van het verlies van Lydda en Ramla. Onder druk van de Arabische publieke opinie stuurt koning Abdullah zijn veldheer met verlof naar Engeland. 

Als op 18 juli een tweede VN-wapenstilstand van kracht wordt en de kruitdampen zijn opgetrokken, heeft de jonge Joodse staat overal terrein gewonnen. Belangrijker, de Arabische leiders beginnen in te zien dat zij niet de kracht hebben de Joden de zee in te drijven. In de gehele oorlog zijn zij niet in staat of zelfs maar bereid gebleken hun onderlinge verschillen op zij te zetten en de strijd tegen de gezamenlijke vijand te coördineren. Israël begint de vorm aan te nemen zoals wij die nu kennen, met uitzondering van de Negev en wat enclaves in Galilea. Ditmaal zijn het de Arabieren die snakken naar het staakt-het-vuren, terwijl de Israëli’s weten dat zij op het punt staan een gebied te verkrijgen dat aanzienlijk groter is dan hun in het VN-verdelingsplan is toegezegd. Het is niet de laatste keer dat de Arabieren spijt zullen krijgen van hun hardnekkige weigering water bij de wijn te doen.

–––––––––––––––––––

De ‘dodenmars’ van Lydda?

Arabische burgers op de vlucht in Galilea. Foto: Fred Csasznik

De etnische zuivering – er is geen ander woord dat de gedwongen vlucht van de Arabische bevolking uit Lydda en Rambla omschrijft – is de grootste van de onafhankelijkheidsoorlog. De actie is vooraf gepland door de Israëlische regering en de legerleiding. Zij beseffen dat twee Arabische steden in het hart van Israël, op nog geen twintig kilometer van Tel Aviv, een groot gevaar vormen voor het voortbestaan van de Joodse staat. David Ben-Goerion spreekt van ‘twee doornen’ in de huid van Israël.

Tussen 50 en 70 duizend burgers worden uit de twee steden verdreven, een kleine tien procent van alle Arabische vluchtelingen in het conflict. Zij trekken oostwaarts naar gebied dat in handen is van het Jordaanse Legioen. Als in de zomerzon het water van de vluchtelingen opraakt, wordt de situatie rampzalig. Burgers vallen neer en sterven van de dorst, niemand weet precies hoeveel. Israëlische historici schatten het aantal dodelijke slachtoffers op enkele tientallen, hun Arabische collega’s spreken van honderden. 

Burgers vallen neer en sterven van de dorst

De geschiedenis van het conflict is zo politiek dat onomstreden aantallen nooit vastgesteld zullen worden, maar uiteraard probeerden en proberen de Arabieren een propagandaslag te slaan uit de humanitaire ramp. Al snel ziet de term ‘dodenmars’ het licht. Is het dat echt? Tijdens de beruchte Batan death march van Amerikaanse en Filipijnse soldaten die zich in 1942 overgaven aan de Japanners kwamen zo’n 18 duizend krijgsgevangenen om. Vergelijkbare cijfers kennen we van marsen van door de Duitsers gevangenen genomen soldaten van het Rode Leger – en later andersom. 

Om nog maar te zwijgen van de 56 duizend vooral Joodse gevangenen die door de nazi’s werden gedwongen meer dan vijftig kilometer te lopen van vernietigingskamp Auschwitz naar Wodzislaw Slaski. 15 duizend van hen kwamen om, meer dan een op vier. Zij stierven door uitputting, ziekte, honger en dorst, of werden door SS’ers doodgeslagen of geëxecuteerd. Van dat laatste is bij de mars uit Lydda en Rambla – hoe verschrikkelijk ook – in ieder geval geen sprake.

Deze serie is mede mogelijk gemaakt door Stichting Maror

Plaats opmerking