Toen Matti Friedman in 2006 begon als reporter bij het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) kwam hij naar eigen zeggen ‘best naïef’ binnen. “Ik was een linkse Israëli, dus ik had geen enkele verwachting van politieke problemen op een plek als AP.” Dat veranderde volgens hem rond de eerste Gazaoorlog, eind 2008. Hij zag toen een verschuiving van de vraag ‘wat gebeurt er’ naar de vraag ‘wie is hierbij gebaat’. Een feitelijk relaas dat de verkeerde partij in een goed daglicht zou zetten, verdween in de bureaula. Een verhaal, waar of niet, dat de juiste partij zou helpen, haalde juist het nieuws.
Een duidelijk voorbeeld is het vredesvoorstel dat premier Ehud Olmert eind 2008 deed aan de Palestijnse leiding. Twee AP-verslaggevers hadden de tekst en kaarten van de deal gezien, maar kregen de opdracht er niet over te schrijven. “Het was duidelijk dat het nieuws waar was. Maar het zou het beeld geven dat de Israëli’s probeerden het conflict op te lossen. Het zou de politieke invalshoek die we aan het pushen waren, ondermijnen.” Diezelfde logica werkte ook omgekeerd, vertelt Friedman: nepnieuws dat de gewenste partij hielp, kreeg de ruimte, zolang het maar in de lijn van het verhaal paste dat de redactie wilde vertellen.
Groepsdenken
Inmiddels weet de 48-jarige schrijver hoe het zit bij AP: redacteuren die hoger in de hiërarchie zitten in New York bepalen grotendeels de koers, gebaseerd op wat concurrenten die ochtend melden, en sporen de lokale vestigingen aan zich daaraan te confomeren. “Zo krijg je groepsdenken in de pers,” benadrukt Friedman. Sommige Hebreeuws- of Arabischtalige lokale collega’s in Israël zagen volgens hem hetzelfde, maar zwegen: niet iedereen is een activist, en veel mensen hebben simpelweg een salaris nodig. Wat het probleem verdiepte, was dat AP zelf steeds kieskeuriger werd in kandidaten voor vacatures. Friedmans centrumlinkse opvattingen waren in 2006 nog gangbaar. “Maar tegen de tijd dat ik wegging, werd ik gezien als een fascist. Mijn opvattingen werden bijna als onbespreekbaar beschouwd.”
In een essay in het tijdschrift Atlantic beschreef de journalist in 2014 hoe Hamas doelbewust gebruikmaakte van de aanwezige westerse media: fotografen bij Gazaanse ziekenhuizen zetten op een teken van functionarissen hun camera’s uit zodra gewonde strijders binnenkwamen. Gewapende Hamasterroristen vielen het AP-kantoor binnen om te klagen over een ‘compromitterende’ foto, iets wat de redactie vervolgens niet meldde aan de lezers.
Eiland
Die intimidatie en zelfcensuur groeiden volgens Friedman uit tot een systeem dat inmiddels draait op steeds hogere doses verontwaardiging. “Je moet de dosis blijven verhogen. Het is net als drugs,” zegt hij in het interview met Roderick Veelo, op uitnodiging van het CIDI. “Eerst is er het verhaal dat Israël naar verluidt doelbewust burgers doodt. Dan worden het kinderen. Dan medisch personeel. En uiteindelijk journalisten zelf, omdat elke journalist dat verhaal dan moet oppakken.”
De gevestigde pers had zich, vindt Friedman, kunnen presenteren als een betrouwbaar eiland in een nieuwslandschap dat overspoeld begon te raken met desinformatie en propaganda via de sociale media: kalme, kundige analyse als toevluchtsoord voor een verward publiek. Journalisten wilden dat eiland niet zijn, zegt hij, en gingen zelf liever in de golven meedeinen. Het resultaat is dat gevestigde titels vandaag weinig meer bieden dan dezelfde verwarring als op sociale media, ‘alleen in nettere bewoordingen’.
Dat mechanisme ontstaat doordat een andere manier van denken zich in de beroepsgroep heeft genesteld, legt de schrijver uit: “Verslaggevers opereren tegenwoordig vanuit een pseudoreligieuze mindset. Journalistiek is in die logica niet langer een beschrijving van de werkelijkheid, maar een verhaal over goed en kwaad. Het is een preek. Het is geen beschrijving. Het heeft een morele lading, en de bedoeling is je een beter mens te maken.”
Te simpel
Diezelfde religieuze structuur ziet Friedman terug in het fenomeen dat uitgerekend Joden steevast de rol van kwade genius krijgen toebedeeld. “Als je vroeger communist was, waren de Joden bankiers. Als je kapitalist was en het communisme haatte, waren de Joden bolsjewieken. Het is een manier om de wereld te verklaren voor domme mensen.” Die eeuwenoude mythologisering van Joden verklaart in zijn ogen ook waarom conservatieve moslims en klimaatactivisten tegenwoordig samen optrekken tegen Joden — groepen die het verder nergens over eens zijn.
‘Ik denk dat antisemitisme een te simpel woord is voor iets heel gecompliceerds’
Diezelfde blinde vlek, erkent Friedman, zat ook in zijn eigen essay uit 2014: hij onderschatte destijds de rol van dit soort anti-Joodse sentimenten. “Ik ben voorzichtig met het woord antisemitisme, omdat ik denk dat het een woord is dat te simpel is voor iets wat heel gecompliceerd is.”
De geboren Canadees wijst naar zijn eigen generatie als medeverantwoordelijke voor die morele verwarring. Wie rond 1990 volwassen werd, groeide op in de aanname dat het Westen zijn grote vragen, over wie erbij hoort en op welke voorwaarden, al had beantwoord. Westerse samenlevingen vergisten zich daarin, ‘waarvoor ik mijn generatie verantwoordelijk houd’. Te veel mensen van zijn leeftijd hielden zich met andere zaken bezig in plaats van hun eigen landen te blijven besturen en verdedigen. Het gevolg, stelt Friedman, is een onzeker zelfbeeld. Daardoor zijn sommigen vatbaar voor morele vereenvoudiging. Israëli’s of Joden krijgen de rol van zondebok toebedeeld door westerlingen die worstelen met hun eigen cultuur en geschiedenis.
Geen toekomst
In zijn essay uit 2024 trekt Friedman de lijn door naar een onderwerp dat niets met Israël te maken heeft: de aftakeling van de Amerikaanse president Joe Biden. Ook daarbij gold volgens hem dezelfde vraag die inmiddels de journalistiek beheerst: niet wat er feitelijk gebeurt is van belang, maar wie erbij gebaat is als het bekend wordt. Bidens cognitieve achteruitgang was een belangrijk verhaal, ongeacht iemands politieke voorkeur, maar het werd genegeerd omdat het de verkeerde partij politiek zou hebben geholpen.
Zijn persoonlijke antwoord is niet strijd, maar iets anders schrijven. Friedman verwijst naar Theodor Herzl, die in Wenen geen campagne tegen antisemitisme begon, maar zich terugtrok in een hotelkamer om een ander verhaal over de Joodse toekomst te schrijven. “Het antwoord is onszelf te zijn, op een manier die voor onszelf zinvol is.” Na 2014 nam Friedman dezelfde beslissing: “Ik besloot dat ik niet in de verdediging ging spelen. Ik wilde mijn eigen verhalen vertellen.” De boeken die hij sindsdien schreef, zijn het resultaat van die keuze.
Op de vraag of de journalistiek nog een toekomst heeft, geeft hij een somber antwoord: “Nee, echt niet. Ik denk niet dat de meeste mensen journalistiek willen. Veel mensen willen verhalen waarmee ze iemand kunnen haten, of verhalen die hen ervan overtuigen dat ze aan de juiste kant van de geschiedenis staan.”
Over de toekomst in Israël is hij hoopvol. “De bars zitten vol, de stranden zitten vol, mensen gaan naar werk en school, de aandelen staan hoog. Er is iets aan dit land wat we voor lief nemen, maar dat zouden we niet moeten doen. Want het lijkt me dat de wereld een periode van crisis ingaat, maar Israël is juist een samenleving die daarvoor is toegerust.”
––––––––––––––––––––––
Van kranten naar boeken
Matti Friedman (48) werd geboren in Toronto (Canada) en verhuisde op zijn zeventiende naar Israël. Een jaar lang molk hij koeien in kibboets Maäle Gilboa. Na zijn dienst in de IDF studeerde hij Islamitische Studies aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Die opleiding ruilde hij in voor een baan bij The Jerusalem Report.
Tussen 2006 en eind 2011 werkte hij als verslaggever en redacteur op de AP-vestiging in Jeruzalem. Sindsdien schrijft hij onafhankelijk voor onder andere The Atlantic, Smithsonian Magazine, Tablet, The New York Times en The Free Press. Hij publiceerde inmiddels vijf non-fictieboeken, waaronder Who by fire (2022) over Leonard Cohen in de Sinaï tijdens de Jom Kipoeroorlog. In zijn nieuwste, Out of the sky (2026), verdiept hij zich in oorlogsheldin Hannah Szenes en de Joodse parachutisten uit het Britse mandaatgebied die in 1944 boven bezet Europa sprongen.
Friedman woont met zijn vrouw en drie kinderen in Jeruzalem.