Vreemde tijden. Gisteravond belde De Telegraaf om van mij te horen wat ik vond van ‘Lang leve 7 oktober’. Uiteraard onacceptabel, maar het verbaast me niet. Ik zal het even uitleggen. Hoewel ik geen profeet ben, kon ik zo’n zestig jaar geleden al de vergrijzing van de huidige samenleving voorspellen. Hoezo? Wel, als de geboortebeperking aan potentiële jonge moeders werd opgedrongen en het bijna asociaal was om kinderen op deze aarde neer te zetten, dan kon ieder weldenkend mens voorzien dat die paar kinderen die wel geboren mochten worden, in een vergrijsde samenleving zouden belanden. Hetzelfde geldt voor Joden en Israël. Door gebrek aan educatie over de Tweede Wereldoorlog, door totale onbekendheid met het fenomeen Joden en door media die iedere vermeende misstap van Israël breed uitmeten, kon het niet anders dan dat dit een voedingsbodem zou worden voor het antisemitisme dat na 5 mei 1945 echt niet uit onze samenleving was verdwenen en nu weelderig onze zo tolerante samenleving heeft vergiftigd.
Als ik wil spreken met de ouders van een knaapje dat het zich veroorlooft om mij in het Engels, “from the river …” na te roepen, dan is het heilige antwoord: privacy! De wet op de privacy is van essentieel belang. We mogen niet verworden tot een communistische samenleving waarin mensen geen mensen mogen zijn, maar pionnen in een groot schaakspel dat door de overheid wordt gespeeld. Maar, beste medelanders, wetten zijn er om de samenleving mogelijk te maken. Als een bepaalde wet de samenleving echter onmogelijk dreigt te maken, dan is de uitvoering wel in overeenstemming met de letter van de wet, maar in tegenspraak met de geest ervan. Als educatie verboden terrein wordt (sorry: is geworden), dan moeten we niet verbaasd zijn dat 7 oktober wellicht ook nog tot een nationale feestdag wordt verheven, want waarom de ene genocide wel aandacht geven en de andere niet … In fase één werd er herhaaldelijk op gehamerd dat antizionisme vooral gescheiden moest worden van antisemitisme, maar in fase twee, waarin we ons reeds bevinden, bestaat de flinterdunne mechietsa, scheidingswand, tussen antizionisme en antisemitisme helemaal niet meer. En dus zou de viering van 7 oktober zomaar kunnen overslaan in een aanval op die paar Nederlandse Joden die nog in ons land woonachtig zijn.
Wel een deprimerend dagboek, terwijl ik juist met u het feestje wilde delen dat we gisteren hadden. Achterkleinzoon Ari is zes jaar geworden. En dus: een feestelijke barbecue ten huize van zijn grootouders. Om het verjaardagspartijtje niet al te materialistisch te laten zijn, heeft de jarige ook een aantal goede voornemens op zich genomen en zelfs een korte dvar Tora, een les uit de Tora, voorgedragen. Geen negatief woord over andersdenkenden, geen geklaag en geen gezeur, respect voor de medemens, iedere medemens, en ervan doordrongen zijn dat er meer is dan eten, drinken en ‘als je maar gelukkig bent’, want geluk is zeer welkom, maar ook niet alles.
Dadelijk een choepa in de sjoel van Nijmegen, maar eerst wil ik het dagboek klaar hebben en voor spellingscontrole hebben verzonden, om daarna mijn toespraak met u te gaan delen. Ik weet al wat ik ga zeggen, maar als ik dat even met u, mijn trouwe dagboekenier, mag delen, dan zit het uitgewerkt in mijn hoofd en hoef ik dadelijk niet van het papier voor te lezen.
Voordat ik aan die toespraak begin: een mijnheer, die ik niet ken of van wie ik me niet meer herinner hem ooit gesproken te hebben, stuurt me een geluidsboodschap per Whatsapp. Negentien minuten en enige seconden heb ik braaf zitten luisteren. Hij denkt dat hij Joods is via zijn moeder, die moeder na moeder na moeder en dan nog een paar keer verder rechtstreeks van Portugese Joden zou afstammen die rond het jaar 1500 naar Nederland waren gevlucht. Het schijnt dat hij mij hierover eerder had benaderd, evenals een collega. Maar noch ik noch mijn collega hebben hem kunnen helpen. Gezeur! Maar wat in mijn ogen gezeur is, is voor de zeurder gewoon erg belangrijk. En dus heb ik hem netjes uitgebreid geantwoord en is het nu al enige keren heen en weer gegaan. Heb je niets anders te doen, hoor ik u denken. ‘Neen’, is mijn antwoord, ‘ik heb niets anders te doen!’ Juist dit soort simpele figuren met respect behandelen en antwoorden, jezelf er niet te hoog voor voelen, dat heet naastenliefde.
Ik heb eens een schrijven gezien van de Lubavitcher Rebbe aan een jongeman die niet bepaald hoogbegaafd was. Hij vroeg de Rebbe wat voor cadeau hij zijn zusje zou geven voor haar verjaardag. De Rebbe had hem uitgebreid geantwoord, een heel A4’tje vol. Uiteindelijk heb ik de schrijver die zich tot mij richtte duidelijk kunnen maken dat hij is wie hij is. Wel Joods, niet-Joods: ‘Je bent een mens en G’d heeft je daar geplaatst waar je moet zijn. Daar ligt je opdracht! Met Chanoeka zal ik weer Nederland doorkruisen; kom naar een van de grote menora’s en laten we daar even spreken.’ De man die wel/niet Joods is, ziet het weer helemaal zitten en dus heb ik mijn dagelijkse extra mitswa weer mogen doen!
Vandaag is het 15 av. Na het dieptepunt van 9 av, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem en het begin van de ballingschap, is vandaag, 15 av, juist het tegenovergestelde daarvan. Een heleboel vermeldenswaardige gebeurtenissen hebben zich door de eeuwen heen afgespeeld op deze 15e av. Een van die speciale acties, gekoppeld aan 15 av, was dat de ongetrouwde meisjes zich allemaal op z’n paasbest (sorry, een niet-Joodse uitdrukking) kleedden in een verwoede poging een partner te vinden. Een soort voorloper van de moderne datingsite. De Talmoed legt uit dat ze allen dezelfde kleding droegen om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Met andere woorden: ze streefden gelijkwaardigheid na. Fantastisch! Maar de Talmoed continueert en geeft aan dat de knappe meisjes de jongens attendeerden op hun schoonheid. Andere meisjes riepen echter dat schoonheid niet het allerbelangrijkste is, maar afkomst, want door afkomst ben je gevormd. Waarop andere meisjes, die misschien niet in aanmerking kwamen voor deelname aan de Miss Worldverkiezingen, uitriepen dat godvrezendheid het allerbelangrijkste is. Direct na deze geschiedenis vertelt de Talmoed hoe een hele kring tsadiekiem, rechtvaardigen, in een kring danste, allen wijzend naar de Eeuwige, die midden in die kring had plaatsgenomen.
Welke les ligt hier voor ons? Allen moeten we een kring vormen, allen dragen we dezelfde kleding, we zijn in essentie allen gelijk en dat moeten we weten en voelen. Maar tegelijk hebben we allen onze eigen capaciteiten: de een heeft afkomst, de ander weet zich van nature erg mooi te presenteren, hij/zij heeft gevoel voor pr en weer een ander is een en al vroomheid; hij/zij heeft nauwelijks tot geen slechte eigenschappen. Diversiteit in gelijkheid! Als we daarvan maar een beetje doordrongen zouden zijn, zou geen mens het in zijn hoofd halen om 7 oktober te gaan vieren!
Mijn wens aan het bruidspaar: word één, blijf vooral ook jezelf en ga dansend door het leven!