Een traditie van meer dan vijfhonderd jaar

Het antizionisme van de huidige regering in Madrid staat niet op zichzelf. Het past in een anti-Joodse traditie die terugvoert tot 1492 en waarin de katholieke koningen, een fascistische dictator en de huidige socialistische premier elkaar vinden.
Grootinquisiteur Tomás de Torquemada biedt de ‘katholieke koningen’ Fernando en Isabel het verdrijvingsedict van de Joden aan ter ondertekening. Schilderij van Emilio Sala Francés (1850-1910)
Grootinquisiteur Tomás de Torquemada biedt de ‘katholieke koningen’ Fernando en Isabel het verdrijvingsedict van de Joden aan ter ondertekening. Schilderij van Emilio Sala Francés (1850-1910)

Met een tekst die vandaag de dag niet meer dan drie A4’tjes zou beslaan, maakten zij een einde aan vijftienhonderd jaar geschiedenis. “De Joden ondermijnen en stelen vrome christenen weg van ons heilige katholieke geloof en onderwerpen hen aan hun eigen kwaadaardige opvattingen,” schreven Ferdinand en Isabella, de ‘katholieke koningen’ van Spanje, in hun decreet. Daarom en om nog een hele reeks andere religieuze misdaden die de Joden op hun geweten zouden hebben, besloot het koningspaar: “Wij bevelen alle Joden en Jodinnen (…) te vertrekken uit onze rijken en heerlijkheden.”

Het zogeheten Verdrijvingsedict werd getekend op 31 maart 1492 in het Alhambra, het Moorse paleis dat de christelijke Spanjaarden nog geen drie maanden eerder hadden veroverd op het laatste islamitische koninkrijk: Granada. Dat viel bijna zonder slag of stoot, wat de laatste Moorse koning Boabdil – zijn Spaanse naam, eigenlijk heette hij Abu Abdallah Muhammad XI — op een bittere reprimande van zijn moeder kwam te staan. Toen Boabdil zich na de capitulatie van de stad nog eenmaal omkeerde om terug te kijken op zijn verloren koninkrijk, beet Aixa al-Hurra haar zoon toe: “Huil niet als een vrouw om wat je niet kon verdedigen als een man.”

Los reyes

De bergpas waar dit tafereel zich in 1492 afspeelde, wordt nog steeds Suspiro del Moro genoemd, de zucht van de Moor. Heel Spanje was verenigd onder de katholieke koningen, zoals Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië genoemd werden om hun gelijkwaardigheid te benadrukken. In Boabdils paleis bestierden zij samen de affaires van de nieuwe staat. In dezelfde zaal van het Alhambra waar het decreet werd uitgevaardigd, stuurden Ferdinand en Isabel nauwelijks twee weken later Christoffel Columbus op weg om een nieuwe zeeroute naar India te vinden, de tocht die zou leiden tot de ‘ontdekking’ van Amerika. Overigens spreken Spanjaarden tot op de dag van vandaag over los reyes, de koningen in meervoud, als zij de huidige koning Felipe VI en koningin Letizia bedoelen.

De naar schatting 300 duizend Joden op het geheel door christenen gedomineerde Iberisch Schiereiland kregen de keuze: bekeren of vertrekken. Schattingen over getallen wie waarvoor koos, lopen uiteen; de meeste historici denken dat ongeveer een derde vertrok en twee derde zich bekeerde. Onder die tweede categorie waren talloze schijnbekeringen, wat de inquisitie decennia-, nee eeuwenlang werk opleverde: het opsporen en straffen van crypto-Joden.

In het Hebreeuws werden de bekeerlingen anoesiem (gedwongenen) genoemd

Die werden aangeduid met de beledigende term marranos, afgeleid van een oud Spaans woord voor varken. In het Hebreeuws werden zij anoesiem (gedwongenen) genoemd.

Gouden Eeuw

Je kunt niet zeggen dat Jodenhaat een uitsluitend christelijke aangelegenheid was in het middeleeuwse Spanje. De mythe van het hypertolerante islamitische Al-Andalus is precies dat: een mythe. Het eerste Joodse getto ter wereld verrees niet in Oost-Europa, ook niet in Venetië waar het woord ontstond, maar in het Marokkaanse Fez, in 1438. In het jaar 1066 werden in Granada naar schatting vierduizend Joden vermoord, dertig jaar voor de beruchte slachtpartijen in het Rijnland.

De invasies in de twaalfde en dertiende eeuw van de Almoraviden en de Almohaden — religieuze fanatici uit Noord-Afrika — waren slecht nieuws voor de Joden van Al-Andalus en voor hen die ook nu nog zo grif willen geloven in de Moorse ‘gouden eeuw van tolerantie’, la Convivencia in het Spaans. Joden waren net als christenen tweederangsburgers in islamitische landen, gedwongen de jizia-belasting voor ongelovigen te betalen en onderworpen aan tal van andere beperkende en vaak ronduit vernederende maatregelen van hun moslimoverheersers.

Nochtans hadden de Joden het over het algemeen veel beter onder islamitische heersers dan onder christelijke vorsten. Vervolging was er al voor de razendsnelle verovering van het Iberisch Schiereiland, die begon met de landing van de Berberse legerbevelhebber Tarik Ibn Ziad (naar wie Gibraltar genoemd is) in het jaar 711. De bekering van de Visigoten van het arianisme naar het christendom was een klap voor de Joden, van wie de eersten mogelijk al rond het jaar 700 voor de gewone jaartelling voet op Spaanse bodem zetten in het Fenicische Cartagena.

Rambam en Ramban

Na de val van het Romeinse Rijk namen de Visigoten het schiereiland grotendeels over, tot de moslims hen in de achtste eeuw verdreven uit bijna het gehele gebied van wat nu Spanje en Portugal is. De bijna acht eeuwen strijd tussen Moren en christenen die daarop volgde wordt vaak ten onrechte beschouwd als één lang tegenoffensief, de Reconquista (‘herovering’). De praktijk was dat de christenen net zo graag tegen elkaar als tegen de moslims vochten. De laatsten deden overigens precies hetzelfde.

Feit is wel dat de grens tussen christelijk en islamitisch Spanje door de eeuwen heen steeds verder naar het zuiden opschoof, wat meestal geen goed nieuws was voor de in de ‘heroverde’ gebieden wonende Joden. Islamitisch Spanje bracht grote denkers voort als Moses Ben Maimon (beter bekend als Maimonides of Rambam), politici als Samuel Hanagid (grootvizier van Granada) en Hasdai Ibn Shaprut (minister aan het hof van Cordoba), dichters als Solomon Ibn Gabirol uit Malaga en vooral Judah Halevi, vaak beschouwd als de grootste Joodse dichter uit de middeleeuwen.

Aan de andere kant leverde christelijk Spanje de filosoof Moses Ben Nachman (beter bekend als Nachmanides of Ramban) op, en Samuel Ben Meir Halevi, telg van het machtige Joodse geslacht Abulafia en schatkistbeheerder van de veertiende-eeuwse koning Peter van Castilië. Zoals in vrijwel alle Europese koninkrijken hing de kwaliteit van het leven van de Joden in Spanje af van de houding van de koning van dat moment. Soms was het draaglijk, soms zelfs goed en soms ging het helemaal mis. In 1391 bijvoorbeeld sloeg een bloedige pogrom in Sevilla over naar andere steden in het zuiden van Spanje, en daarna naar het hele land. Maar onder niemand was het zo erg als onder Ferdinand en Isabel. Hun huwelijk verenigde de koninkrijken Aragon en Castilië in één monarchie, waarmee de geboorte van de staat Spanje een feit werd. Vanwaar die obsessieve Jodenhaat van het koningspaar?

Eén land, één geloof

Deels is die te verklaren door hun bijnaam, de ‘katholieke koningen’. Ferdinand en Isabel waren felle christenen, die in 1478 de Spaanse inquisitie in het leven hadden geroepen om vermeende ketterij te bestrijden. Het vinden en bestraffen van crypto-Joden was van het begin af aan een belangrijke taak van de geloofsrechtbanken. Maar er waren ook andere dan religieuze motieven. Ondanks alle beperkingen hadden veel Joodse families in het christelijke Spanje rijkdom en macht vergaard, wat tot afgunst en haat leidde. Daar maakten de koningen gebruik van als middel het volk te verenigen en een nationale identiteit te smeden.

In  één land met één geloof was voor Joden geen plaats

Op die manier hoopten Ferdinand en Isabel een land van gehoorzame katholieken te smeden: één land met één geloof. Voor — al dan niet oprecht bekeerde — Joden was daarin geen plaats, evenmin als voor de moslims van Granada, het laatste islamitische koninkrijk op het schiereiland. In 1496, vier jaar na het Alhambradecreet, volgde de Portugese koning Manuel het Spaanse voorbeeld. In zijn land kregen de Joden iets meer tijd te vertrekken: bijna elf maanden. In Spanje was dat vier maanden geweest: op 31 juli 1492 waren er officieel geen Joden meer in het katholieke koninkrijk.

Hun vertrek zou op termijn een ramp blijken voor de Spaanse economie en een zegen voor landen waar de diaspora van Sefardiem — die term komt van Sefarad, de Hebreeuwse naam voor Spanje in de Bijbel — zich vestigde. Onze Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden spon er garen bij, evenals het Ottomaanse Rijk en koloniën in de Nieuwe Wereld.

Bloedreiniging

Het wantrouwen van de Spaanse overheid en de katholieke kerk jegens tot het christendom bekeerde Joodse families zou eeuwen aanhouden. De inquisitie executeerde drieduizend conversos (afstammelingen van bekeerlingen) in de periode van 1570 tot 1700. De term limpieza de sangre (reiniging van het bloed), waarbij families moesten bewijzen van christelijke en niet van Joodse afkomst te zijn, bestond in Spanje honderden jaren voordat de nazi’s met hun rassenwetten kwamen.

In die tijd was antisemitisme in de praktijk uitsluitend gericht op bekeerde Joodse families, tot diep in de negentiende eeuw waren er immers geen Joden in Spanje. Maar dat betekende niet dat deze vorm van racisme niet leefde in de gedachten van de Spanjaarden. Nergens was dit sterker dan in het aartsconservatieve en ultrakatholieke officierskorps van het leger, dat zich naarmate het Spaanse wereldrijk steeds verder afkalfde en de liberale invloed op politiek en economie toenam, meer en meer zag als hoeder van traditionele ‘christelijke’ normen en waarden.

Bij gebrek aan Joden richtte de haat van het officierskorps, de priesterkaste en de adel zich vaak op vrijmetselaars die als concurrenten van de kerk gezien werden. Maar toen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw mondjesmaat Joden zich weer in Spanje begonnen te vestigen, nam ook het praktische antisemitisme in conservatieve kringen toe. Toch was het ironisch genoeg de militaire dictator Miguel Primo de Rivera die in 1924 toestond dat Joden de Spaanse nationaliteit kregen. In 1936, aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog, woonden er zo’n zes- tot zevenduizend Joden in Spanje, vooral in Madrid en Barcelona. Ruwweg eenzelfde aantal was te vinden in Ceuta en Melilla, de Spaanse bezittingen aan de Marokkaanse Middellandse Zeekust.

‘Paquito’

In dat antisemitische klimaat van de Spaanse officiersklasse werd op 4 december 1892 Francisco Paulino Hermenegildo Teódulo Franco Bahamonde geboren in het Galicische stadje Ferrol. Franco begon zijn studie aan de militaire academie van Toledo in 1907. Daar was hij 251e van 312 cadetten, maar dat kwam vooral door zijn geringe statuur van amper 1 meter 60. Desondanks maakte ‘Paquito’ (‘de kleine Francisco’) flink carrière in het Spaanse leger.

Franco (r) met de latere Spaanse koning Juan Carlos I in 1974, een jaar voor de dood van de dictator   ALAMY

In 1930 viel het regime van Primo de Rivera en een jaar later het koningschap van Alfons XIII: de Tweede Spaanse Republiek was geboren. Franco, een van de jongste generaals in het leger betreurde dit, maar besloot toch geen ontslag te nemen en de jonge republiek te dienen. Zijn meer pragmatische dan principiële houding was typerend, vandaar dat de hoge officieren die in 1936 hun militaire opstand tegen de linkse republikeinse regering planden, tot op het laatste moment onzeker waren waar zijn loyaliteit zou liggen.

Franco sloot zich aan bij de conservatieve opstandelingen en slaagde erin door een combinatie van geluk (twee concurrerende generaals kwamen om in vliegtuigongelukken) en politiek instinct het onbetwiste leiderschap over de nationalistische troepen in de Spaanse Burgeroorlog op zich te nemen. Het predicaat ‘fascist’ kan niet zomaar op hem geplakt worden. Meer dan een ideologisch fascist zoals Mussolini of in eigen land José Antonio Primo de Rivera (zoon van de dictator) was Franco een extreem conservatieve, katholieke politicus in de traditie van Spaanse monarchisten, adel en gegoede burgerij.

Judeo-vrijmetselaarscomplot

Dat maakte de caudillo (leider) van de nationalisten niet minder antisemitisch, integendeel. In de jaren van de Tweede Republiek liet hij zich anti-Joodse kranten en tijdschriften uit Frankrijk sturen en hij beschouwde De protocollen van de Wijzen van Zion als een wetenschappelijk werk in plaats van een racistische vervalsing. In de reactionaire kringen die het complot tegen de republiek smeedden werd één term vrijwel onophoudelijk gebruikt en ook Franco bediende zich daar voortdurend van: het ‘Judeo-vrijmetselaarscomplot’. Uiteraard was dit net als in de nazipropaganda tegelijkertijd communistisch en kapitalistisch.

Dat laatste niet in de Spaanse zin van het woord, waarin grootgrondbezitters via ‘de vrije markt’ hun pachters vaak als horigen behandelden, maar in de verfoeilijke liberaal-Amerikaanse zin. Kortom: Joods kapitalisme, dat tot doel zou hebben traditionele Spaanse normen en waarden uit te roeien. Dat er in Spanje nauwelijks Joden waren en voor het begin van de burgeroorlog ook opvallend weinig communisten was geen probleem — wanneer hebben aanhangers van complottheorieën zich ooit door feiten laten storen?

Het is moeilijk iets te vervolgen wat niet bestaat, dus was het antisemitisme van Franco en zijn aanhangers voor, tijdens en na de burgeroorlog vooral een theoretische kwestie. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kwam vooral het pragmatisme van de caudillo naar voren. In ruil voor uitgebreide militaire steun van nazi-Duitsland in de Burgeroorlog had Franco aan Hitler beloofd op zijn verzoek deel te nemen aan de oorlog. Maar de Spanjaard traineerde verzoeken daartoe voortdurend. Franco stuurde weliswaar vrijwilligers — de ‘Blauwe Divisie’ — naar het oostfront toen de Duitsers in 1941 de Sovjet-Unie binnenvielen, maar hij stond niet toe dat de nazidivisies door zijn land trokken om het cruciale Britse bolwerk in Gibraltar in te nemen.

Lijst van zesduizend

Franco besefte dat het veel slimmer was de geallieerden enigszins te vriend te houden. Mochten zij onverhoopt de oorlog winnen, zouden de Britten en Amerikanen vast niet vergeten dat hij had geweigerd Hitlers kant te kiezen. En dat gebeurde ook. Na de val van Berlijn zagen de geallieerden de communisten al snel als het volgende grote gevaar en wie was daartegen een betere bondgenoot dan de Spaanse leider, die nota bene een burgeroorlog tegen hen had uitgevochten?

Franco en Hitler ontmoetten elkaar in oktober 1940 in de Franse grensstad Hendaye  HEINRICH HOFFMANN

Dit was mede te rechtvaardigen omdat Franco de Joden in zijn eigen land ongemoeid had gelaten. SS-Reichsführer Henrich Himmler presenteerde de Spaanse regering in mei 1941 een lijst van zesduizend Joden die hij overhandigd wilde zien. Franco weigerde. Sterker nog, meer dan 30 duizend Europese Joden slaagden erin via Spanje aan de nazi’s te ontkomen. Tegelijkertijd hielpen Spaanse diplomaten zoals Ángel Sanz-Briz in verschillende Europese hoofdsteden duizenden Joden aan papieren waarmee zij aan een zekere dood ontsnapten. Dit was geen officieel Spaans beleid, maar de diplomaten werden er niet voor bestraft.

Franco slaagde erin Hitler zich ‘bijna als een Jood’ te laten voelen

De Spaanse houding irriteerde de nazi’s mateloos. Wellicht zagen zij hierin een bewijs voor de beschuldiging dat Franco zelf van Joodse bekeerlingen afstamde. De fascistische Boliviaanse diplomaat Federico Nielsen-Reyes, de vertaler van de eerste Spaanse versie van Mein Kampf, had die beschuldiging geuit. Himmler zou zijn tweede man Reinhard Heydrich opdracht gegeven hebben dit uit te zoeken. Nog opvallender: toen Hitler en Franco elkaar in oktober 1940 in de Franse stad Hendaye aan de Spaanse grens ontmoetten, wees de nazileider de caudillo erop dat zijn land nooit had betaald voor de militaire hulp in de Burgeroorlog. Franco manoeuvreerde handig om het thema heen door erop te wijzen dat grote staatsmannen niet over financiële details horen te spreken. Hitler verzuchtte dat de Spanjaard hem zich ‘bijna een Jood liet voelen’.

Vruchtbare voedingsbodem

Na de Tweede Wereldoorlog besefte Franco dat antisemitisme misschien een handig middel was om de aandacht van binnenlandse politieke problemen mee af te leiden, maar dat het internationaal niet meer aanvaardbaar was. Hij verbaasde vriend en vijand door in 1955 in een interview met Amerikaanse media doodleuk te verklaren: “Er is nooit antisemitisme geweest in Spanje.” Tegelijkertijd liet de generalissimo het ‘Judeo’ weg wanneer hij sprak over het internationale complot, dat blijkbaar nog slechts uit vrijmetselaars en bolsjewieken bestond.

Toch mag niet onderschat worden hoe diep Franco’s antisemitisme in alle geledingen van de Spaanse samenleving was en nog steeds is doorgedrongen. Pas na zijn dood in 1975 veranderde het land in een moderne democratie. Hele generaties Spanjaarden groeiden op met anti-Joodse vooroordelen, extreem katholicisme, verering van het fascisme en een totaal gebrek aan kennis van de Holocaust. In dat licht is het misschien weinig verrassend dat de voedingsbodem voor antisemitisme er zo vruchtbaar lijkt: onbekend maakt onbemind. Vergelijk de situatie met het oosten van Duitsland, de voormalige DDR. Daar werd in de naoorlogse jaren in alle talen gezwegen over de Shoa en nu is het de bakermat van extreemrechts.

Vij­fonderd jaar antisemitisme, of zo u wilt: van inquisitie naar Eurovisie

De politieke reflex van de huidige, linkse Spaanse premier Pedro Sánchez om Israël te gebruiken als bliksemafleider voor zijn politieke problemen en corruptieschandalen is eigenlijk weinig verrassend. Die reflex staat in een traditie die begon in de middeleeuwen: Ferdinand en Isabel gingen hem daarin voor, evenals Francisco Franco Bahamonde. In dat licht is het misschien wel terecht dat velen de anti-Israëlhouding van de huidige Spaanse regering in historische context plaatsen: vijfonderd jaar, of zo u wilt: van inquisitie naar Eurovisie.

Deze reportage is mede mogelijk gemaakt door Maror en verscheen eerder in het NIW36 van 3 juli 2026

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meer Gerelateerde Berichten

Madrid

Een traditie van meer dan vijfhonderd jaar